A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

KCNT1-encefalopathie

 

Wat is KCNT1-encefalopathie?
KCNT1-encefalopathie is een aandoening waarbij kinderen last hebben van epilepsie in combinatie met problemen met de ontwikkeling als gevolg van een foutje in het erfelijk materiaal welke KCNT1 wordt genoemd.

Hoe wordt KCNT1-encefalopathie ook wel genoemd?
Encefalopathie is het medische woord voor hersenen die hun functie minder goed uitoefenen als zou horen. De hersenen (encefalo) zijn ziek (pathie). In het geval van een KCNT1-encefalopathie komt dit door een foutje in het erfelijk materiaal: het zogenaamde KCNT1-gen.

Early infantile epileptic encefalopathie type 14 (EIEE 14)
Early infantile epileptic encefalopathie of Otahara syndroom is de verzamelnaam voor verschillende ernstige vormen van epilepsie die op jonge leeftijd ontstaan en die grote gevolgen hebben voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een kind. KCNT1-encefalopthie behoort tot deze groep aandoeningen. Er zijn inmiddels veel verschillende foutjes bekend die allemaal in staat zijn om dit beeld te veroorzaken. KCNT1 is als 14e type beschreven en wordt daarom EIEE type 14 genoemd.

Epilepsy of infancy with migrating focal seizures(EIMFS)
Een groot deel van de kinderen met EIEE14 heeft op het EEG hele special kenmerken. De epileptische activiteit zit vaak in een deel van de hersenen (dit wordt focaal genoemd) en kan plotseling verspringen naar een ander deel van de hersenen. Dit wordt migrerend genoemd. Seizures is het Engelse woord voor epilepsie. Infancy is het Engelse woord voor de babyleeftijd. Deze specifieke EEG afwijkingen worden daarom ook wel Epilepsy of infancy with migrating focal seizures genoemd, afgekort als EIMFS. EIFMS is een vorm van EIEE.

Autosomal dominant nocturnal frontal lobe epilepsy(ADNFLE type 5)
Foutjes in het erfelijk materiaal van het KCNT1-gen kunnen ook een andere vorm van epilepsie geven. Deze kinderen hebben in de nacht last van epilepsieaanvallen. Nocturnal betekent in de nacht. De epilepsie aanvallen ontstaan aan de voorkant van de hersenen in de zogenaamde frontaalkwab, in het Engels frontal lobe genoemd. Deze epilepsievorm wordt ook wel autosomal dominant nocturnal frontal lobe epilepsy afgekort als ADNFLE. In het Nederlands wordt dit autosomaal dominant overervende nachtelijke frontaalkwab epilepsie genoemd. Autosomaal dominant zegt iets over de manier waarop deze aandoening overerft.
Deze vorm van epilepsie kan ook door verschillende foutjes in het erfelijk materiaal worden veroorzaakt, vandaar de toevoeging type 5.

Spectrum
KCNT1-encefalopathie kan dus zowel wel autosomal dominant nocturnal frontal lobe epilepsy (ADNFLE) geven als het beeld van een early infantile epileptic encefalopathy (EIEE). Beide vormen van epilepsie zijn uiting van het zelfde ziektebeeld. Kinderen met EIEE hebben meer epilepsieaanvallen met grotere gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden dan kinderen met autosomaal dominant overervende nachtelijke frontaalkwab epilepsie. Allerlei soorten mengvormen tussen beide epilepsievormen bestaan ook. Tegenwoordig wordt dus ook meer gesproken over een spectrum waar autosomaal dominant overervende nachtelijke frontaalkwab epilepsie en EIEE deel van uit maken, maar waarbij ook allerlei beelden tussen deze twee vormen van epilepsie in mogelijk zijn. Ook verschillende vormen van (multi)focale epilepsie kunnen deel uit maken van dit spectrum.
Welke vorm bij een kind zal ontstaan, valt van te voren niet goed te voorspellen. Kinderen die het foutje geërfd hebben van een van de ouders, hebben meestal (maar niet altijd) minder last van epilepsie aanvallen en minder problemen met de ontwikkeling, dan kinderen waarbij het foutje in het KCNT1-gen zelf is ontstaan.

Hoe vaak komt KCNT1-encefalopathie voor bij kinderen?
KCNT1-encefalopathie is een zeldzaam voorkomende aandoening. Het is niet goed bekend hoe vaak deze aandoening bij kinderen voorkomt. De aandoening is ook nog maar sinds korte tijd (2012) bekend als aandoening.
Geschat wordt dat deze aandoening bij minder dan één op de 100.000 kinderen voorkomt.

Bij wie komt KCNT1-encefalopathie voor?
KCNT1-encefalopathie is al voor de geboorte aanwezig. De eerste klachten ontstaan vaak in de eerste levensweken (soms al in de eerste levensweek) of levensmaanden bij kinderen die de EIEE-vorm ontwikkelen. Bij kinderen die de autosomaal dominante nachtelijke frontaalkwab epilepsie krijgen, ontstaan de eerste klachten vaak op de lagere schoolleeftijd.
Zowel jongens als meisjes kunnen KCNT1-encefalopathie krijgen.

Wat is de oorzaak van een KCNT1-encefalopathie?
Fout in erfelijk materiaal
KCNT1-encefalopahtie wordt veroorzaakt door een foutje in het erfelijk materiaal van chromosoom 9 op een plaats die het KCNT1-gen wordt genoemd.

Autosomaal dominant
KCNT1-encefalopahtie is een zogenaamde autosomaal dominant foutje, dat wil zeggen dat een foutje op een van de twee chromosomen 9 die een kind heeft in het KCNT1-gen al voldoende is om de aandoening te krijgen. Dit in tegenstelling tot een autosomaal recessief foutje waarbij kinderen pas klachten krijgen wanneer beide chromosomen een foutje bevatten.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij kinderen die de EIEE-vorm of de EIMFS-vorm hebben is het foutje in het erfelijk materiaal bij het kind zelf ontstaan bij de bevruchting van de eicel met de zaadcel. Bij een groot deel van de kinderen die andere vormen van epilepsie hebben is het foutje ook bij het kind zelf ontstaan. Nieuw ontstaan bij een kind wordt ook wel de novo genoemd.

Geërfd van een ouder
Een deel van de kinderen die autosomaal dominante nachtelijke frontaalkwab epilepsie krijgt heeft het foutje geërfd van een ouder. Soms was al bekend dat de ouder ook last heeft van epilepsie, maar het kan ook zijn dat de ouder geen klachten heeft (gehad).



Kaliumkanaaltje
Het KCNT1-gen bevat informatie voor de bouw van een kaliumkanaaltje in de hersencellen. Dit kaliumkanaaltje speelt een belangrijke rol bij de elektrische geleiding in de hersencellen. Wanneer dit kaliumkanaal overactief werkt, dan verloopt de elektrische geleiding in de hersencellen anders dan zou horen. Hersencellen kunnen dan spontaan overactief worden en signalen aan elkaar door geven. Dit is de oorzaak voor het ontstaan van de epilepsie.
Bij kinderen met de EIEE/EIMFS-vorm werkt het kanaaltje veel slechter dan bij kinderen met de ADNFLE-vorm.



Incomplete penetrantie
Niet ieder persoon die een foutje heeft in het KCNT1-gen krijgt ook daadwerkelijk klachten als gevolg van het hebben van dit foutje. Sommige mensen krijgen nooit tijdens hun leven klachten. Dit wordt ook wel incomplete penetrantie genoemd.

Wat zijn de symptomen van een KCNT1-encefalopathie?
Variatie
Er bestaat een grote variatie in hoeveelheid en in ernst van de symptomen die verschillende kinderen met een KCNT1-encefalopathie hebben. Dit valt van te voren niet goed te voorspellen. Omdat de aandoening nog maar sinds korte tijd bekend is, is het goed mogelijk dat in de toekomst mildere vormen van deze aandoening herkend gaan worden, dan nu beschreven zijn.

Zwangerschap en geboorte
Tijdens de zwangerschap zijn er meestal geen bijzonderheden. Kinderen met een KCNT1-encefalopathie worden na een normale zwangerschapsduur geboren en hebben een normaal geboortegewicht en lengte. Na de geboorte zijn er meestal geen bijzonderheden. De eerste levensweken verlopen normaal.

Epilepsie
De meeste kinderen met de EIEE/EIMFS worden krijgen last van epilepsieaanvallen in de eerste levensmaanden. Vaak gaat het om aanvallen waarbij kinderen algeheel of in een deel van hun lichaam verstijven, hun adem inhouden en blauw verkleuren gedurende enkele seconden-minuten. Er zijn ook kinderen die tijden de aanvallen rood verkleuren. Hoofd en ogen kunnen hierbij naar een kant gedraaid worden. Bij baby’s van een aantal maanden oud kunnen ook aanvallen met schokken voorkomen. Soms komt een serie van deze aanvallen achter elkaar voor. De epilepsie neemt in de eerste weken na het ontstaan van de aanvallen sterk toe, kinderen krijgen steeds meer last van epilepsieaanvallen die steeds langer gaan duren. Met het ouder worden kunnen ook andere vormen van epilepsie ontstaan, zoals salaamkrampen (een aanval waarbij kinderen de armen en benen plotseling of buigen of strekken) of focale aanvallen (aanvallen met verstijven of schokken van een lichaamsdeel). Het lukt meestal niet om de epilepsieaanvallen met behandeling onder controle te krijgen.

Bij kinderen met de autosomaal dominante nachtelijke frontaal kwab epilepsie ontstaan de eerste aanvallen vaak op de lagere schoolleeftijd. De aanvallen komen in de nacht voor en worden daarom niet gemakkelijk opgemerkt. Tijdens de aanvallen gaat het lichaam van een kind in een vreemde stand staan of maken de armen en benen vreemde bewegingen. Ook kunnen kinderen vreemde geluiden maken. Deze aanvallen zien er niet uit wat mensen gewend zijn van epileptische aanvallen en daarom worden ze vaak niet goed herkend. Tijdens de nacht kunnen kinderen meerdere van deze aanvallen hebben. Een deel van de kinderen heeft ook overdag aanvallen. Vaak gaat het om zogenaamde focale aanvallen: aanvallen met verstijven of schokken van bijvoorbeeld een arm, een been of een deel van het gezicht.

Ontwikkelingsachterstand
De epilepsie als gevolg van de KCNT1-encefalopathie heeft grote gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden. De epilepsie kost zo veel energie dat kinderen geen energie meer over hebben om zich te ontwikkelen. Veel kinderen gaan stil staan in hun ontwikkeling op moment dat de epilepsieaanvallen ontstaan. Kinderen die veel epilepsieaanvallen hebben kunnen ook achteruitgaan in hun ontwikkeling. Vaardigheden die ze al beheersten gaan weer verloren.
Omdat kinderen met de EIEE/EIMFS-vorm al op de babyleeftijd last krijgen van epilepsieaanvallen is het voor deze kinderen heel moeilijk om te leren rollen, zitten, staan, lopen en praten. Voor een groot deel van de kinderen is het niet haalbaar om dit te leren.
Omdat kinderen met de ADNFLE-vorm vaak pas op lagere schoolleeftijd last krijgen van epilepsieaanvallen zullen zij wel in staat zijn om te leren lopen en praten. Maar ook bij hen gaat de ontwikkelen na het ontstaan van epilepsie langzamer vooruit en ook hier zijn kinderen die vaardigheden verliezen.
Kinderen waarbij het lukt om de epilepsieaanvallen onder controle te krijgen, zullen meer ontwikkelingsmogelijkheden hebben dan bij kinderen waarbij het niet lukt de aanvallen onder controle te krijgen.

Lage spierspanning
Kinderen met een KCNT1-encefalopathie hebben vaak een lage spierspanning. Dit valt meer op bij kinderen met de EIEE/EIMFS-vorm dan bij kinderen met ADNFLE-vorm.
Kinderen met de EIEE-vorm voelen slapper aan wanneer ze opgetild worden en moeten goed ondersteund worden. Door de lagere spierspanning is het voor kinderen lastig om hun hoofd op te tillen. Vaak voelen de spieren van de nek en de rug slapper aan dan de spieren van de armen en benen.

Hogere spierspanning
Een deel van de kinderen met de EIEE/EIMFS-vorm ontwikkelt na enkele maanden tot een jaar geleidelijk aan een hogere spierspanning en spasticiteit in de armen en benen. De spieren worden dan juist stijf, maar ook dit hindert kinderen in het bewegen. Een ander deel van de kinderen krijgt een hoge spierspanning in combinatie met een vreemde stand van de armen en benen als gevolg van een bewegingsprobleem wat dystonie wordt genoemd.

Overbeweeglijk
Bij een deel van de kinderen met EIEE/EIMFS zijn de armen en benen voortdurend in beweging. Deze bewegingen worden ook wel dyskinesie of chorea genoemd. Kinderen hebben zelf geen controle over deze bewegingen. Deze bewegingen kunnen kinderen wel hinderen bij bijvoorbeeld in slaap vallen.

Problemen met leren
De meeste kinderen met de EIEE/EIMFS-vorm zullen vanwege de vele epilepsieaanvallen niet in staat zijn om onderwijs te gaan volgen en te gaan leren. Kinderen met de ADNFLE zullen wel in staat zijn om naar school toe te gaan. Vaak gaat het leren veel moeizamer vanaf het moment waarop de eerste epilepsieaanvallen ontstaan.

AD(H)D
Kinderen met ADNFLE krijgen na het ontstaan van epilepsieaanvallen vaak last van AD(H)D. Kinderen met AD(H)D zijn snel afgeleid door een geluid of een beweging in hun omgeving. Ze hebben moeite om langere tijd met een werkje bezig te zijn. Ook is het voor kinderen met AD(H)D moeilijk om stil te zitten, het liefst bewegen zij de hele tijd.

Angst
Kinderen met ADNFLE krijgen vaak last van angsten. Bijvoorbeeld angst om alleen te zijn zonder ouders, angst voor het slapen gaan of angst voor nieuwe en vreemde situaties.

Depressie
Kinderen met ADNFLE zijn gevoeliger voor het ontwikkelen van een sombere stemming of zelfs een depressie.

Uiterlijke kenmerken
Bij veel syndromen hebben kinderen vaak wat veranderde uiterlijke kenmerken. Hier hebben kinderen zelf geen last van, maar het kan de dokters helpen om te herkennen dat er sprake is van een syndroom en mogelijk ook van welk syndroom. Ook maakt dit vaak dat kinderen met hetzelfde syndroom vaak meer op elkaar lijken dan op hun eigen broertjes en zusjes, terwijl de kinderen toch niet familie van elkaar zijn.
Bij kinderen met een KCNT1-encefalopathie vallen meestal geen bijzondere uiterlijke kenmerken op.

Klein hoofd
Kinderen met een KCNT1-encefalopathie hebben bij de geboorte een normale hoofdomtrek. Vanaf het moment waarop de epilepsie ontstaat, gaat de groei van het hoofdje veel trager dan voor het moment waarop de epilepsie ontstaan is. Hierdoor gaat in de loop van de tijd opvallen dat kinderen een kleiner hoofdje krijgen dan gebruikelijk. Een kleiner hoofdje wordt ook wel microcefalie genoemd. Omdat kinderen eerst geen klein hoofd hadden en later wel wordt gesproken van een secundaire microcefalie.

Problemen met zien
Scheelzien komt vaker voor bij kinderen met een KCNT1-encefalopathie.
Een groot deel van de kinderen met een KCNT1-encefalopathie heeft problemen met zien. Dit komt omdat de hersenen de signalen die de ogen doorgeven niet goed kunnen verwerken. Dit wordt ook wel cerebrale visusstoornis genoemd, ook wel afgekort als CVI ( naar de Engelse termen cerebral visual impairment, impairment is beperking). Voor kinderen met de EIEE/EIFMS-vorm is het vaak moeilijk om oogcontact te maken.

Problemen met eten en drinken
Kinderen met de EIEE/EIMFS-vorm hebben vaak problemen met drinken uit de borst of uit de fles nadat de epilepsieaanvallen ontstaan. Kinderen weten niet meer goed hoe ze uit de borst of uit de fles moeten drinken en laten deze ook snel weer los. Ook kunnen de epilepsieaanvallen het drinken verstoren. Om toch voldoende voedingsstoffen binnen te krijgen, zullen de meeste kinderen sondevoeding nodig hebben.

Reflux
Kinderen met KCNT1-encefalopthie hebben heel vaak last van het terugstromen van voeding vanuit de maag naar de slokdarm. Dit wordt reflux genoemd. Omdat de maaginhoud zuur is, komt het zuur zo ook in de slokdarm, soms zelfs ook in de mond. Dit zuur kan zorgen voor pijnklachten, waardoor kinderen moeten huilen en soms ook niet willen eten. Ook kan het maken dat kinderen moeten spugen.
Door het zuur kan de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raken. Wanneer dit niet tijdige ontdekt en behandeld wordt, kan dit zorgen voor het spuug met daarin bloedsliertjes.

Kwijlen
Kinderen met een KCNT1-encefalopthie hebben gemakkelijk last van kwijlen. Dit komt door slapheid van de spieren in het gezicht en rondom de mond, waardoor het speeksel gemakkelijk uit de mond loopt.

Verstopping van de darmen
Verstopping van de darmen komt vaak voor bij kinderen met een KCNT1-encefalopthie. De ontlasting komt dan niet elke dag en is vaak hard waardoor kinderen moeite hebben met poepen.

Zindelijkheid
Het is voor de meeste kinderen met EIEE/EIFMS-vorm is het te moeilijk om zindelijk te worden. Kinderen met ADNFLE-vorm kunnen een terugval in zindelijkheid krijgen.

Hartritmestoornissen
Een klein deel van de kinderen met een KCNT1-encefalopthie heeft last van hartritmestoornissen. Dit kan zorgen voor hartkloppingen, duizeligheidsklachten, flauwvallen of aanvallen van kortademigheid.

Aangeboren afwijking aan de longen
Een klein deel van de kinderen met de EIFMS-vorm heeft een aangeboren afwijking van de longen Er lopen dan extra bloedvaten naar de longen toe. Hierdoor bestaat de kans op het ontwikkelen van een longbloeding en ademhalingsproblemen.

Hoe wordt de diagnose KCNT1-encefalopathie gesteld?
Verhaal en onderzoek
Aan de hand van het verhaal van een baby of een groter kind die last krijgt van epilepsieaanvallen in combinatie met een stilstand in de ontwikkeling zal vaak gedacht worden aan de mogelijkheid van epilepsie als gevolg van een foutje in het DNA. Er bestaan echter veel andere verschillende aandoeningen die allemaal soortgelijke klachten kunnen geven. Er zal dus aanvullend onderzoek nodig zijn om de diagnose te stellen.

DNA onderzoek
Door middel van bloedonderzoek kan gekeken worden naar een foutje in het erfelijk materiaal van het KCNT1-gen. Dit kan gericht gebeuren wanneer er aan gedacht wordt omdat de aandoening in de familie voorkomt, wat meestal niet het geval zal zijn.
Tegenwoordig bestaan er ook zogenaamde gecombineerde DNA testen met daarin alle bekende veranderingen in het DNA waarvan bekend is dat ze epilepsie kunnen veroorzaken, dit wordt een epilepsie-panel of whole exome sequencing genoemd. Op deze manier wordt meestal ontdekt dat er sprake is van een KCNT1-encefalopathie.

MRI hersenen
Bij kinderen met epilepsie wordt vaak een MRI van de hersenen gemaakt om te kijken of door middel van deze MRI-scan een verklaring gevonden kan worden waarom het kind last heeft van epilepsie. Vaak worden op deze MRI scan bij het ontstaan van epilepsieaanvallen geen afwijkingen gezien. Soms is het geleidingslaagje rondom de hersenen minder goed aangelegd dan gebruikelijk waardoor de hersenen een meer witte kleur hebben dan normaal. Dit wordt ook wel vertraagde myelinisatie genoemd. Wanneer de MRI scan in de loop van de tijd na het ontstaan van de epilepsieaanvallen herhaald wordt, is vaak te zien dat het volume van de grote hersenen en de kleine hersenen kleiner is geworden. Dit wordt ook wel cerebrale atrofie genoemd.

Stofwisselingsonderzoek
Door middel van bloed- en urineonderzoek kan bij kinderen met epilepsie gekeken worden of er sprake is van een stofwisselingsziekte als oorzaak van de epilepsie. Bij dit onderzoek worden bij kinderen met een KCNT1-encefalopahtie geen bijzonderheden gevonden.

EEG
Op het EEG van kinderen met een KCNT1-encefalopthie worden vaak uitgebreide epileptiforme afwijkingen gezien. Verschillende EEG beelden kunnen voorkomen zoals een zogenaamd burst-suppressiepatroon of hypsartimie. Vaak laat een deel van de hersenen meer epileptiforme activiteit zien dan een ander deel van de hersenen. Bij kinderen met de EIMFS vorm kan het speciale beeld worden gezien dat de epileptiforme activiteit verspringt van het ene deel van de hersenen naar het andere deel van de hersenen.

Kindercardioloog
Een kindercardioloog kan door middel van het maken van een hartfilmpje en een ECHO van het hart beoordelen of er aanwijzingen zijn voor hartritmestoornissen of afwijkend aangelegde bloedvaten. Vaak wordt dit onderzoek een keer verricht en alleen herhaal wanneer er klachten zijn die wijzen op het voorkomen van hartritmestoornissen of afwijkende aangelegde bloedvaten.

Hoe wordt KCNT1-encefalopathie behandeld?
Geen genezing
Er bestaat geen behandeling die KCNT1-encefalopathie kan genezen. De behandeling is er op gericht de epilepsie aanvallen zo veel mogelijk te onderdrukken, zodat kinderen energie krijgen om in hun ontwikkeling te steken.

Behandeling epilepsie
Met behulp van medicijnen wordt geprobeerd om de epilepsieaanvallen zo veel mogelijk te voorkomen en het liefst er voor te zorgen dat er helemaal geen epilepsieaanvallen meer voorkomen. Dit is meestal erg moeilijk bij kinderen met een KCNT1-encefalopathie. Verschillende medicijnen kunnen gebruikt worden zoals fenobarbital, vigabatrine, prednison, clobazam, levetiracetam of stiripentol. Vaak zijn combinaties van medicijnen nodig om de epilepsie onder controle te krijgen. Wanneer het medicijnen niet lukt om de epilepsie onder controle te krijgen bestaat er een mogelijkheid van een ketogeen dieet behandeling of een behandeling met een nervus vagus stimulator.

Kinidine
Een klein deel van de kinderen met de EIEE/EIFMS vorm van KCNT1-encefalopathie reageert op een behandeling met het medicijn kinidine. Dit medicijn wordt door hartspecialisten wel gebruikt om hartritmestoornissen onder controle te krijgen. Kinidine remt overactieve kalium-kanalen. Nadeel aan gebruik van dit medicijn is, dat het kan zorgen voor het ontstaan van hartritmestoornissen. Het medicijn lijkt bij kinderen die ouder zijn dan 4 jaar niet te werken.

Fysiotherapie
Een fysiotherapeut kan adviezen geven aan de ouders hoe zij hun kindje zo goed mogelijk kunnen helpen bij het stimuleren van de ontwikkeling. Een fysiotherapeut kan ook adviezen geven hoe jonge kinderen zo goed mogelijk in bed kunnen liggen.

Logopedie
Een logopediste kan tips en adviezen geven indien er problemen zijn met zuigen, drinken, kauwen of slikken. Sommige kinderen hebben baat bij een speciale speen (special need speen) waardoor het drinken uit de fles beter verloopt. Moeders kunnen borstvoeding kolven, zodat kinderen op deze manier toch borstvoeding als voeding kunnen krijgen via de fles.
Ook kan de logopediste helpen om de spraakontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Praten kan ook ondersteund worden door middel van gebaren of pictogrammen. Op die manier kunnen kinderen zich leren uitdrukken ook als ze nog geen woorden kunnen gebruiken.

Diëtiste
Wanneer kinderen onvoldoende groeien, kan een diëtiste kijken hoe met energieverrijkte voeding toch voor een voldoende groei kan worden gezorgd.

Ergotherapie
Een ergotherapeut kan advies geven over hulpmiddelen die de verzorging van een kindje met een lage spierspanning gemakkelijker kan maken. Ook kan de ergotherapeut advies geven over materialen die de ontwikkeling van een kind kunnen stimuleren.

Revalidatiearts
Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën en adviseert ook over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een aangepaste buggy, een rolstoel, steunzolen of aangepaste schoenen.
Ook is het mogelijk via een revalidatie centrum naar een aangepaste peutergroep te gaan en daar ook therapie te krijgen en later op dezelfde manier onderwijs te gaan volgen.

School
Voor kinderen met de EIEE/EIFMS-vorm is het vaak te moeilijk om onderwijs te volgen. Veel kinderen gaan naar een dagcentrum waar gewerkt wordt om hun ontwikkeling zo veel mogelijk te stimuleren en te zorgen voor plezierige activiteiten op de dag.
Kinderen met ADNFLE zitten vaak op regulier onderwijs wanneer de eerste epilepsieaanvallen ontstaan. Na het ontstaan van de epilepsieaanvallen zijn er vaak problemen met leren. Een deel van de kinderen kan met extra ondersteuning op het regulier onderwijs blijven. Een ander deel van de kinderen maakt de overstap naar een cluster 3 of cluster 4 school, waar de klassen kleiner zijn en extra ondersteuning aanwezig is. Voor kinderen met mengvormen zullen de mogelijkheden hier tussen in liggen.

Orthopedagoog
Een orthopedagoog kan adviezen geven hoe kinderen kunnen leren omgaan met AD(H)D, angsten en/of een sombere stemming.

Kinder-en jeugdpsychiater
Een kinder-en jeugdpsychiater behandelt kinderen met AD(H)D, angststoornissen en/of en depressie. Vaak gaat het om een behandeling bestaande uit therapie, soms aangevuld met een behandeling met medicijnen.

Bewegingsstoornissen
Een te hoge spierspanning kan verlaagd worden door het gebruik van het medicijn baclofen of door botuline toxine injecties. Dit kan ook helpen wanneer er sprake is van dystonie. Daarnaast bestaan er nog andere medicijnen die dystonie kunnen verminderen. Deze medicijnen hebben ook bijwerkingen. Per kind zullen de voordelen van deze medicijnen moeten worden afgewogen tegen de nadelen. Dyskinesie en chorea reageren heel slecht op een behandeling met medicijnen.

VISIO/Bartimeus
VISIO en Bartimeus zijn instellingen die kinderen en volwassenen die slechtziend of blind zijn begeleiden Zij kunnen vaak tips hebben hoe kinderen die slecht kunnen zien het best kunnen spelen of benaderd kunnen worden.

Sondevoeding
Veel kinderen met dit syndroom hebben moeite met het drinken van voeding uit de borst of uit de fles. Daarom is het vaak nodig om kinderen voeding via een sonde te gaan geven, zodat kinderen wel voldoende voeding binnen krijgen om te groeien. De sonde loopt via de neus en de keel naar de maag toe. Wanneer langere tijd een sonde nodig is, kan er voor gekozen worden om door middel van een kleine operatie een sonde via de buikwand rechtstreeks in de maag aan te brengen. Zo’n sonde wordt een PEG-sonde genoemd. Later kan deze vervangen worden door een zogenaamde mickeybutton.

Reflux
Reflux kan er ook voor zorgen dat kinderen slecht eten. Door de voeding in te dikken met johannesbroodpitmeel kan de voeding minder gemakkelijk terug stromen van de maag naar de slokdarm. Ook zijn er medicijnen die de maaginhoud minder zuur kunnen maken waardoor de slokdarm minder geprikkeld wordt bij terugstromen van de maaginhoud. Medicijnen die hiervoor gebruikt worden zijn ranitidine, omeprazol of esomeprazol. Indien dit allemaal niet voldoende is, kan een operatie nodig zijn waarbij de overgang van de slokdarm naar de maag nauwer wordt gemaakt, waardoor de voeding ook minder gemakkelijk terug kan stromen. Dit wordt een Nissen-operatie genoemd.

Kwijlen
Kwijlen kan verminderen door kinderen er bewust van te maken dat ze hun speeksel moeten doorslikken. Ook kunnen oefeningen waarbij geoefend wordt om de mond te sluiten helpen.
Er bestaan medicijnen die het kwijlen minder kunnen maken. Het meest gebruikte medicijn hierdoor is glycopyrrhonium. Soms kan een behandeling van de speekselklieren door middel van botox of door middel van een operatie nodig zijn om er voor zorgen dat kinderen minder kwijlen. Per kind zullen de voor- en nadelen van elke behandeling moeten worden afgewogen.

Verstopping van de darmen
Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt. Verder blijft het belangrijk om te zorgen dat kinderen voldoende vocht en vezels binnen krijgen en zo veel als kan bewegen. Soms zijn zetpillen nodig om de ontlasting op gang te krijgen.

Botontkalking
Om botontkalking te voorkomen wordt geadviseerd om kinderen met dit syndroom dagelijks 400IE vitamine D te geven en 500 mg calcium.

Kindercardioloog
In geval van hartritmestoornissen kan de kindercardioloog een behandeling hiervoor voorstellen. Afwijkende bloedvaten naar de longen kunnen dichtgemaakt worden met een techniek die embolisatie wordt genoemd.

Antibiotica
Een deel van de kinderen die vaak terugkerende infecties heeft, heeft baat bij een lage dosering antibiotica om nieuwe infecties te voorkomen. Per kind moeten de voordelen van het geven van de antibiotica worden afgewogen tegen de nadelen ervan (antibiotica doden ook nuttige bacteriën in de darmen).

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak tijd voor ouders om te verwerken dat de toekomstverwachtingen van hun kind er anders uit zien dan mogelijk verwacht is.

Contact met andere ouders
Door middel van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met een KCNT1-encefalopathie.

Wat betekent het hebben van een KCNT1-encefalopathie voor de toekomst?
Epilepsie moeilijk behandelbaar
Helaas lukt het bij een groot deel van de kinderen met een KCNT1-encefalopathie niet om de epilepsieaanvallen onder controle te krijgen. Kinderen blijven gedurende hun leven last hebben van epilepsieaanvallen. Dit heeft grote gevolgen voor hun ontwikkeling.
Bij een deel van de kinderen lukt het wel om de epilepsie beter onder controle te krijgen waardoor kinderen weer vooruit kunnen gaan in hun ontwikkeling

Blijvende beperking
Kinderen met een de EIEE/EIFMS vorm zijn meestal tijdens hun leven afhankelijk van de zorg van anderen voor allerlei dagelijkse activiteiten zoals eten/drinken, zelfverzorging en vermaak.
Voor kinderen met de ADNFLE epilepsie zal dit samen hangen met de gevolgen die het hebben van de epilepsie op hun verdere ontwikkeling heeft. Een deel van de volwassen zal in staat zijn om al dan niet met ondersteuning zelfstandig te wonen, voor een ander deel van de volwassenen zal dit niet haalbaar zijn.

Psychiatrische problemen
Volwassenen met ADNFLE epilepsie hebben vaker last van psychiatrische problemen zoals een depressie, een psychose, een persoonlijkheidsstoornis of een angststoornis.

Levensverwachting
Het is niet goed bekend of het hebben van deze aandoening van invloed is op de levensverwachting. Ernstige epilepsieaanvallen, hartritmestoornissen en terugkerende longontstekingen kunnen van invloed zijn op de levensverwachting.

Kinderen krijgen
De meeste volwassenen met de EIEE/EIFMS vorm zullen op volwassen leeftijd dusdanige beperkingen hebben dat zij geen kinderen zullen gaan krijgen. Volwassenen met ADNFLE-vorm kunnen wel kinderen krijgen. Deze kinderen hebben dan zelf 50% kans om ook een KCNT1-encefalopathie te krijgen. Dit kan dan zowel de ADNFLE-vorm zijn als ook de EIEE/EIFMS-vorm, dit valt van te voren niet te voorspellen.

Hebben broertjes en zusjes ook een verhoogde kans om ook KCNT1-encefalopathie te krijgen?
KCNT1-encefalopathie wordt veroorzaakt door een fout in het erfelijke materiaal van het 9e-chromosoom. Vaak is het foutje bij het kind zelf ontstaan en niet overgeërfd van de vader of de moeder. Broertjes en zusjes hebben dan nauwelijks een verhoogde kans om zelf ook KCNT1-encefalopathie te krijgen. Dit zou alleen kunnen wanneer de moeder het foutje in haar eicel of de vader het foutje in de zaadcel heeft zitten zonder dat dit in de andere lichaamscellen aanwezig is. De kans hierop is klein, ongeveer 1%.
Wanneer een van de ouders zelf een foutje in het KCNT1-gen heeft, dan hebben broertjes en zusjes 50% kans om zelf ook dit foutje te krijgen en een KCNT1-encefalopathie te krijgen.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek
Wanneer bekend is welk foutje in een familie heeft gezorgd voor het ontstaan van KCNT1-encefalopathie, dan is het mogelijk om tijdens een zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten in de vorm van een vlokkentest in de 12e zwangerschapsweek of een vruchtwaterpunctie in de 16e zwangerschapsweek. Beide ingrepen hebben een klein risico op het ontstaan van een miskraam (0,5% bij de vlokkentest en 0,3% bij de vruchtwaterpunctie).

Preïmplantatie Genetische Diagnostiek (PGD)
Stellen die eerder een kindje hebben gehad met KCNT1-encefalopathie kunnen naast prenatale diagnostiek ook in aanmerking voor preïmplantatie genetische diagnostiek(PGD.) Bij PGD wordt een vrouw zwanger door middel van IVF (In Vitro Fertilisatie). De bevruchting vindt dan buiten het lichaam plaats, waardoor het zo ontstane pre-embryo onderzocht kan worden op het hebben van KCNT1-encefalopathie. Alleen embryo’s zonder de aanleg voor KCNT1-encefalopathie, komen in aanmerking voor terugplaatsing in de baarmoeder. Voor meer informatie zie www.pgdnederland.nl.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

Links
www.epilepsievereniging.nl
(site van epilepsievereniging Nederland)
www.epilepsie.nl
(site van het nationaal epilepsiefonds)

Referenties
1. KCNT1 mutations in seizure disorders: the phenotypic spectrum and functional effects.
Lim CX, Ricos MG, Dibbens LM, Heron SE. J Med Genet. 2016;53:217-25.
2. Does age affect response to quinidine in patients with KCNT1 mutations? Report of three new cases and review of the literature. Abdelnour E, Gallentine W, McDonald M, Sachdev M, Jiang YH, Mikati MA. Seizure. 2018;55:1-3
3. Mutations in KCNT1 cause a spectrum of focal epilepsies. Møller RS, Heron SE, Larsen LH, Lim CX, Ricos MG, Bayly MA, van Kempen MJ, Klinkenberg S, Andrews I, Kelley K, Ronen GM, Callen D, McMahon JM, Yendle SC, Carvill GL, Mefford HC, Nabbout R, Poduri A, Striano P, Baglietto MG, Zara F, Smith NJ, Pridmore C, Gardella E, Nikanorova M, Dahl HA, Gellert P, Scheffer IE, Gunning B, Kragh-Olsen B, Dibbens LM.
Epilepsia. 2015;56:e114-20.

Laatst bijgewerkt 29 september 2018

 

Auteur: J.H. Schieving

 


 

 


 

 


 

 


 

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.