A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Coffin Siris-syndroom

 

Wat is het Coffin-Siris syndroom?

Het Coffin-Siris-syndroom is een erfelijke aandoening waarbij kinderen een ontwikkelingsachterstand hebben in combinatie met enkele opvallende uiterlijke kenmerken.

 

Hoe wordt het Coffin- Siris-syndroom ook wel genoemd?

Het Coffin-Siris syndroom is genoemd twee artsen die dit syndroom beschreven hebben. Inmiddels is bekend dat het Coffin-Siris syndroom veroorzaakt kan worden door meerdere verschillende foutjes in het erfelijk materiaal. De vraag is of er nog wel gesproken kan worden van het Coffin-Siris syndroom of dat er voor elk van deze foutjes een eigen syndroomnaam moet komen, omdat elk verschillend foutje in het erfelijk materiaal vaak zijn eigen specifieke kenmerken heeft.

Nicolaides-Baraitser syndroom
Zo is een van de foutjes die het Coffin-Siris syndroom kan veroorzaken inmiddels bekend onder een andere syndroom-naam, namelijk het Nicolaides-Baraitser syndroom. Een deel van de kinderen die dus eerst de diagnose Coffin-Siris syndroom heeft gekregen, heeft nu dus de diagnose Nicolaides-Baraitser syndroom gekregen, terwijl de problemen die ze hebben niet veranderd zijn.

MRD12,MRD14,MRD15 en MRD16
Het medische woord voor ontwikkelingsachterstand is mentale retardatie. Er worden de laatste tijd steeds meer foutjes in het erfelijk materiaal ontdekt die verantwoordelijk kunnen zijn voor het ontstaan van deze ontwikkelingsachterstand. Deze foutjes hebben achtereenvolgens een nummer gekregen. Het 12 e, 14 e, 15 e en 16 e foutje waarvan ontdekt is dat zij de oorzaak zijn van een ontwikkelingsachterstand blijken foutjes te zijn die voorkomen bij kinderen met het Coffin-Siris syndroom. Er zijn dus ook kinderen die in plaats van de diagnose Coffin-Siris syndroom bijvoorbeeld de diagnose MRD12 hebben gekregen. Hoewel de naam verschillend is, gaat het wel om dezelfde aandoening.

 

Hoe vaak komt het Coffin-Siris syndroom voor bij kinderen?

Het is niet goed bekend hoe vaak het Coffin-Siris syndroom bij kinderen voorkomt. Het is een zeldzame aandoening, wereldwijd is bij minder dan 200 kinderen deze diagnose gesteld.
Waarschijnlijk is bij een deel van de kinderen die het Coffin-Sirissyndroom heeft, de juiste diagnose ook niet gesteld, omdat het syndroom niet herkend is.
Pas onlangs is het bekend geworden welke foutjes in het erfelijk materiaal verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van dit syndroom. Dit maakt het gemakkelijker om deze diagnose te stellen. Door nieuwe genetische technieken zoals exome sequencing zal deze diagnose waarschijnlijk vaker gesteld gaan worden bij kinderen en volwassenen met dit syndroom.

 

Bij wie komt het Coffin-Siris syndroom voor?

Het Coffin-Siris syndroom is al vanaf de geboorte aanwezig. Het kan wel enige tijd duren voordat duidelijk is dat er sprake is van het Coffin-Siris syndroom.

Zowel jongens als meisjes kunnen dit Coffin-Siris syndroom krijgen.

 

Wat is de oorzaak van het Coffin-Sirissyndroom?

Fout in het erfelijk materiaal

Het Coffin-Siris -syndroom kan veroorzaakt worden door verschillende foutjes in het erfelijk materiaal. Het meest voorkomende foutje is een foutje op het chromosoom. De plaats van dit foutje wordt het ARID1B-gen genoemd. Dit foutje komt bij een op de drie kinderen met het Coffin-Siris syndroom voor. Daarnaast kunnen foutjes voorkomen in het SMARCA4-gen (een op de vier kinderen) , SMARCB1-gen (17% kinderen), ARID1A-gen (13% van de kinderen), SMARCE1-gen (4% van de kinderen) en het SMARCA2-gen. Dit laatste foutje staat ook bekend onder de naam Nicolaides-Baraitser syndroom.

Autosomaal dominant

De foutjes in het erfelijk materiaal die voorkomen bij kinderen met het Coffin-Siris syndroom zijn zogenaamd autosomaal dominant overervend foutjes. Dit houdt in dat een kind al klachten krijgt wanneer een van de twee chromosomen een foutje bevat.
Dit in tegenstelling tot een autosomaal recessieve aandoening. Hierbij krijgen kinderen pas klachten wanneer beide chromosomen een foutje bevatten op dezelfde plaats.

Bij het kind zelf ontstaan

Bij het merendeel van de kinderen is het foutje in het erfelijk materiaal bij het kind zelf ontstaan na de bevruchting van de eicel met de zaadcel en niet overgeërfd van een van de ouders.

Overgeërfd van een ouder

Een klein deel van de kinderen heeft het foutje in het Coffin-Siris gen geërfd van een van de ouders die dan zelf ook het Coffin-Siris syndroom heeft.

Afwijkend eiwit

Als gevolg een van bovengenoemde verandering in het erfelijk materiaal zal een bepaald eiwit, niet goed aangemaakt worden. Het gaat allemaal om eiwitten die samen een groot eiwit vorm het switch-sucrose non fermenting complex (SWI/SNF-complex eiwit).
Dit eiwit speelt een belangrijke rol bij het opvouwen van het erfelijk materiaal (het DNA) in de cellen. Wanneer dit eiwit complex niet goed werkt, dat wordt het DNA niet op de juiste manier opgevouwen en ontvouwen. Hierdoor kan het DNA niet goed worden afgelezen en verlopen allerlei processen in het lichaam niet goed.

In het DNA staat bijvoorbeeld beschreven hoe de hersenen moeten worden aangelegd. Door de fout in het erfelijk materiaal wordt het DNA verkeerd afgelezen, waardoor de aansturing van de aanleg van de hersenen op een verkeerde manier verloopt. Hierdoor functioneren de hersenen minder effectief dan gebruikelijk.

 

Wat zijn de symptomen van het Coffin-Siris syndroom?

Variatie

Er bestaat een grote variatie in hoeveelheid en in ernst van de symptomen die verschillende kinderen met het Coffin-Siris syndroom hebben. Het valt van te voren niet voorspellen van welke symptomen een kind last zal gaan krijgen. Geen kind zal alle onderstaande symptomen tegelijkertijd hebben. Waarom het ene kind het ene symptoom krijgt en het andere kind het andere is niet goed bekend.

Zwangerschap en bevalling

De helft van de kinderen met het Coffin-Siris syndroom groeit al minder goed tijdens de zwangerschap. Dit wordt intra-uteriene groeiretardatie genoemd. Deze kinderen hebben een lager geboortegewicht dan gebruikelijk. Een ander deel van de kinderen heeft een normaal geboortegewicht.

Problemen met drinken

Een deel van de baby’s met het Coffin-Siris syndroom heeft problemen met drinken. Ze drinken langzaam en laten de borst of speen vaak los. Het kost vaak veel tijd om baby’s met dit syndroom de borst of de fles te geven, maar uiteindelijk lukt dit wel. Bij een deel van de kinderen is het nodig om tijdelijk sondevoeding te geven omdat zij anders niet genoeg voeding binnen krijgen. Met het ouder worden, gaat het drinken steeds gemakkelijker.

Lage spierspanning

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom hebben een lage spanning in hun spieren. Ze voelen daarom slapper aan en moeten goed gesteund worden wanneer ze opgetild worden. Door de slappere spieren is het moeilijk om het hoofdje op te tillen en verloopt de ontwikkeling van kinderen met het Coffin-Siris syndroom langzamer. Ook kunnen de gewrichten gemakkelijk overstrekt worden door de lagere spierspanning. Veel kinderen hebben platvoetjes.

Ontwikkelingsachterstand

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom ontwikkelen zich langzamer dan hun leeftijdsgenoten. Ze gaan later rollen, zitten, staan en lopen dan hun leeftijdsgenoten. De mate van ontwikkelingsachterstand kan erg verschillen van kind tot kind. Gemiddeld leren kinderen met dit syndroom lopen rond de leeftijd van 2,5 jaar. Dit is een gemiddelde, er zijn kinderen die dus sneller zijn met lopen en ook kinderen die langzamer zijn met het gaan lopen.

Problemen met praten
Voor veel kinderen met het Coffin-Siris syndroom is het moeilijker om te leren praten. De eerste woordjes komen later dan gebruikelijk, meestal rond de leeftijd van twee jaar. Een deel van de kinderen is alleen in staat om een paar woorden te zeggen. Een ander deel van de kinderen is in staat om korte zinnetjes te maken. Het begrijpen van wat andere mensen zeggen is voor kinderen met dit syndroom vaak gemakkelijker dan het zelf praten.

Problemen met leren

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom hebben bijna allemaal problemen met leren. De meeste kinderen zijn moeilijk (IQ 60-80) tot zeer moeilijk lerend (IQ kleiner dan 60). Er zijn kinderen bekend met het Coffin-Siris syndroom die een normaal IQ (97) hebben. Het is bekend dat bij kinderen met een ernstige vorm van een syndroom de diagnose vaker gesteld is dan bij kinderen met een lichte vorm van een syndroom.

Epilepsie

Epilepsie komt vaker voor bij kinderen met het Coffin-Siris syndroom. Verschillende type epilepsie aanvallen kunnen voorkomen, soms op baby leeftijd, soms ook pas tijdens de puberteit.

ADHD

AD(H)D komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Kinderen hebben moeite om langer ergens de aandacht bij te houden. Ze spelen maar kort met een bepaalde speelgoed en dan weer met een ander stukje speelgoed. Kinderen zijn snel afgeleid door een geluid of een beweging in de kamer.
Kinderen kunnen moeite hebben met stil zitten en bewegen het liefst de hele dag. Op school hebben kinderen moeite langer tijd hun aandacht bij het schoolwerk te houden.

Emoties

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom hebben vaak moeite met het omgaan met emoties. Vaak worden zij hier helemaal door overspoeld. Kinderen kunnen bijvoorbeeld heel boos worden en het moeilijk vinden om zelf weer uit deze boosheid te komen. Vaak hebben ze een volwassene nodig om weer rust in hun lijfje te vinden.
Plotse stemmingswisselingen kunnen voorkomen. Zo maar ineens zijn kinderen boos en een ander moment zo maar ineens ook weer vrolijk. Sommige kinderen gaan zichzelf bijten of slaan als uiting van frustratie. Kinderen kunnen het ook lastiger vinden om de gevoelens van iemand anders aan te voelen. Ze vinden het lastig om te zien dat een ouder boos of verdrietig is en weten niet goed wat ze hiermee moeten doen.

Angst

Angst komt ook vaker voor bij kinderen met het Coffin-Siris syndroom. Kinderen zijn bijvoorbeeld bang om alleen te moeten gaan slapen of bang wanneer ze zonder vader of moeder zijn.

Autistiforme kenmerken

Een deel van de kinderen met het Coffin-Siris syndroom heeft autistiforme kenmerken. Ze zijn meer in zich zelf gekeerd en hebben niet zo’n behoefte aan contact met andere mensen. Vaak vinden kinderen het ook moeilijk om contact te maken met andere kinderen, ze weten niet zo goed hoe dit moet.
Kinderen met autistiforme kenmerken houden vaak van een vaste voorspelbare structuur in de dag en vinden het lastig wanneer hiervan af geweken wordt of wanneer er onverwachte gebeurtenissen zijn. Ook hebben kinderen vaak voorkeur voor bepaald speelgoed of een bepaalde hobby waar ze zich heel lang mee kunnen vermaken. Bij jongens vallen autistiforme kenmerken vaak meer op dan bij meisjes.

Problemen met slapen

Een deel van de kinderen met het Coffin-Siris syndroom heeft problemen met slapen. Een deel van de kinderen heeft moeite om in slaap te vallen, andere kinderen worden ’s nachts vaak wakker of zijn in de ochtend vroeg wakker.

Stereotypieën

Veel kinderen maken graag bewegingen met hun armen en hun handen die vaak terug keren. Zulke bewegingen worden stereotypieën genoemd. Sommige kinderen gaan wapperen met hun handen, anderen maken draaiende bewegingen of wrijvende bewegingen over de borst heen. Deze bewegingen komen vaak voor wanneer kinderen iets heel leuks of iets spannends gaan doen.

Horen

Een deel van de kinderen met dit syndroom is slechthorend. Soms komt dit door frequente oorinfecties, soms is er een afwijkende aanleg van de gehoorszenuw waardoor er sprake is van slechthorendheid.

Zien

Scheelzien komt vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Een deel van de kinderen heeft hangende oogleden, waar kinderen zelf geen last van hoeven te hebben. Een ander deel van de kinderen heeft last van een troebele ooglens.

Uiterlijke kenmerken

Bij veel syndromen hebben kinderen vaak wat veranderde uiterlijke kenmerken. Hier hebben kinderen zelf geen last van, maar het kan de dokters helpen om te herkennen dat er sprake is van een syndroom en mogelijk ook van welk syndroom. Ook maakt dit vaak dat kinderen met hetzelfde syndroom vaak meer op elkaar lijken dan op hun eigen broertjes en zusjes, terwijl de kinderen toch niet familie van elkaar zijn. Kinderen met het Coffin-Siris syndroom hebben vaak dikke wenkbrauwen die een mooie boogvorm lopen en lange wimpers. De neusbrug is vaak hoog en de neuspunt stevig. De mond is vaak breed en de lippen hebben de neiging een beetje naar buiten toe te krullen. Soms is de bovenlip dunner dan de onderlip. Het gehemelte is vaak hoog. Soms hebben kinderen een klein aanhangstukje aan het oor, een zogenaamd bijoortje. Vaak worden deze uiterlijke kenmerken duidelijker naarmate het kind ouder wordt.

Afwijkingen aan de pink

Bij een groot deel van de kinderen met dit syndroom ontbreekt de nagel van de pink. Bij sommige kinderen heeft de pink twee in plaats van de gebruikelijke 3 vingerkootjes. Soms zijn er wel drie kootjes, maar is het derde kootje erg klein en onderontwikkeld. Hetzelfde komt in mindere mate ook voor bij het vijfde teentje aan de voet. Kinderen met het foutje in het ARID1B-gen blijken dit symptoom meestal niet te hebben.

Toegenomen beharing

Een groot deel van de kinderen met dit syndroom heeft een toegenomen beharing van de huid van bijvoorbeeld de rug of de armen en benen. Deze overbeharing wordt ook wel hirsuitisme genoemd.
Het hoofdhaar is daarentegen vaak dunner dan gebruikelijk, vooral bij de slapen is er vaak weinig haargroei. Met het ouder worden kan de hoeveelheid haar op het hoofd toe gaan nemen.

 Kleiner hoofdje

Een deel van de kinderen heeft vanaf de geboorte al een kleiner hoofdje dan gebruikelijk. Het medische woord voor een kleiner hoofdje is microcefalie.

Kleine lengte

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom hebben een kleine lengte en een lichter gewicht dan hun leeftijdsgenoten.

Botleeftijd

De rijping van de botten verloopt vaak langzamer dan bij leeftijdsgenootjes. Hier hebben kinderen zelf geen last van.

Tanden

De tanden komen vaak later door dan gebruikelijk. Ook kan het tandglazuur van minder goede kwaliteit zijn waardoor kinderen gemakkelijker gaatjes kunnen ontwikkelen.

Open mond

Kinderen met dit syndroom hebben de neiging om door hun mond te ademen in plaats van door hun neus. Dit komt door zwakte van de spieren in het gezicht waardoor kinderen meer moeite moeten doen om hun mond dicht te houden. Wanneer ze hier niet aan denken, dan valt hun mond open.

Reflux

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom hebben heel vaak last van het terugstromen van voeding vanuit de maag naar de slokdarm. Dit wordt reflux genoemd. Omdat de maaginhoud zuur is, komt het zuur zo ook in de slokdarm, soms zelfs ook in de mond. Dit zuur kan zorgen voor pijnklachten, waardoor kinderen moeten huilen en soms ook niet willen eten. Ook kan het maken dat kinderen moeten spugen.Door het zuur kan de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raken. Wanneer dit niet tijdige ontdekt en behandeld wordt, kan dit zorgen voor het spuug met daarin bloedsliertjes.

Hernia diafragmatica

Bij een deel van de kinderen komt de maag door een te ruime opening in het middenrif (diafragma genoemd) in de borstholte te liggen. Dit zorgt ook voor het ontstaan van reflux klachten.

Aanlegstoornis van de maag

Aanlegstoornissen van de maag komen vaker voor bij kinderen met het Coffin-Siris syndroom. Soms is de uitgang van de maag vernauwd (pylorusstenose), soms liggen de darmen gedraaid of zitten er schotjes in de maag. Vaak is het maagslijmvlies veel dikker dan gebruikelijk. Bovenstaande problemen kunnen zorgen voor problemen met drinken of eten.

Liesbreuk of navelbreuk

Een groot deel van de kinderen heeft een liesbreuk of een navelbreuk. De navelbreuk geeft meestal geen problemen en wordt vanzelf kleiner. De liesbreuk kan voor pijnklachten zorgen, waardoor daarvoor vaak wel behandeling nodig is.

Kwijlen

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom hebben gemakkelijk last van overmatig kwijlen. Dit komt door slapheid van de spieren in het gezicht en rondom de mond en door problemen met slikken.

Verstopping

Verstopping van de darmen komt vaak voor bij kinderen met het Coffin-Siris syndroom. De ontlasting komt dan niet elke dag en is vaak hard waardoor kinderen moeite hebben met poepen.

Zindelijkheid

De meeste kinderen met het Coffin-Siris syndroom worden op latere leeftijd zindelijk dan gebruikelijk.

Vatbaarder voor infecties

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom zijn op jonge leeftijd vatbaarder voor het krijgen van infecties. Regelmatig komen oorontsteking of infecties van de luchtwegen voor.

Rug

Een deel van de kinderen heeft een zijwaartse verkromming van de rug. Dit wordt een scoliose genoemd. Dit kan komen door wervels die niet volledige zijn aangelegd. Soms is er ook een sterke kromming van de wervelkolom in de nek naar achteren toe, dit wordt een kyfose genoemd.

Armen en benen

Bij kinderen met dit syndroom hebben de knieën de neiging om naar elkaar toe te staan (zogenaamde x-benen). De knieschijven zijn vaak wat kleiner dan gebruikelijk. Kinderen kunnen gevoeliger zijn voor het krijgen van knieklachten.

Tethered cord

Bij een klein deel van de kinderen worden er afwijkingen gezien in het ruggenmerg zoals een tethered cord syndroom. Dit kan zorgen voor problemen met zindelijk worden of met lopen. Vaak hebben deze kinderen onder op de rug bijvoorbeeld een huidverkleuring of een putje die laat zien dat hier sprake van is.

Aangeboren hartafwijking

De helft van de kinderen met het Coffin-Siris syndroom heeft een aangeboren hartafwijking. Vaak gaat het om een gaatje tussen de beide boezems van het hart, dit wordt een ASD genoemd. Soms om een gaatje tussen de beide kamers van het hart, dit wordt een VSD genoemd. Andere afwijkingen die voor kunnen komen zijn een zogenaamde tetralogie van Fallot en een aanwezig blijven van de verbinding tussen de long en de lichaamsslagader. De meeste kinderen hebben zelf geen last van de aangeboren hartafwijking. Met het ouder worden kan een gaatje tussen de boezems van het hart vanzelf dichtgroeien zonder dat een behandeling hiervoor nodig is geweest. Wanneer kinderen last hebben van hun hartafwijking dan geeft dit vaak klachten zoals vermoeidheid, zweten bij het eten of drinken of een blauwe verkleuring tijdens inspanning.

Hemangioom

Een deel van de kinderen heeft een hemangioom op de huid. Dit is een kluwentje afwijkende en vergrote bloedvaatjes. Meestal geeft het geen problemen. Hemangiomen worden vaak vanzelf kleiner met het ouder worden.

Afwijking aan de nieren

Een deel van de kinderen heeft afwijkingen aan de nieren of aan de plasbuis. Bij jongens eindigt de plasbuis nog al eens niet op de top van de plasser, maar aan de onderkant. Dit wordt een hypospadie genoemd. Soms zijn de urineleiders te wijd waardoor er urine vanuit de plasbuis terugstroomt naar de nieren (vesicourethrale reflux). Dit kan zorgen voor urineweginfecties en blaasontstekingen. Ook kan de nier hierdoor te veel vocht bevatten (hydronefrose) Bij een deel van de kinderen zijn er geen twee losse nieren, maar een zogenaamde hoefijzernier.

Niet ingedaald balletjes

Bij een groot deel van de jongentjes zitten de balletjes niet in het balzakje.

Vervroegde puberteit

Kinderen met dit syndroom kunnen vroeger dan gebruikelijk in de puberteit terecht komen. Dit heeft gevolgen voor de eindlengte die ze kunnen gebruiken omdat de groei door de vervroegde puberteit eerder stopt.

Ontbreken baarmoeder

Een deel van de meisjes met dit syndroom wordt helemaal niet ongesteld. Dan blijkt vaak dat de baarmoeder ontbreekt.

Tumor in de lever

Kinderen met een foutje in het ARID1A-gen blijken een vergrote kans te hebben op het krijgen van een tumor in de lever. Zo’n tumor wordt een hepatoblastoom genoemd.

 

 

Hoe wordt de diagnose Coffin-Siris syndroom gesteld?

Verhaal en onderzoek

Op grond van het verhaal van een kind met een ontwikkelingsachterstand en enkele opvallende uiterlijke kenmerken kan vermoed worden dat er sprake is van een syndroom. Er zijn echter veel verschillende syndromen die allemaal voor deze symptomen kunnen zorgen. Het is vaak niet makkelijk om op grond van uiterlijke kenmerken het Coffin-Siris syndroom te herkennen. Soms kan het ontbreken van de nagel van de pink een belangrijke aanwijzing zijn dat er sprake is van het Coffin-Siris syndroom.

Bloedonderzoek

Bij routine bloedonderzoek worden bij kinderen met het Coffin-Siris syndroom geen bijzonderheden gevonden. Ook het groeihormoon is ondanks de kleinere lengte meestal normaal.

Genetisch onderzoek

Wanneer aan de diagnose gedacht wordt, kan door middel van gericht genetisch onderzoek op bloed naar het voorkomen van een foutje in een van de bekende genen. Vaak worden ook alle chromosomen tegelijkertijd onderzocht (zogenaamd Array onderzoek), maar dit onderzoek kan gemakkelijk de diagnose Coffin-Siris syndroom missen. In de toekomst zal door middel van een nieuwe genetische techniek (exome sequencing genoemd) mogelijk ook deze diagnose gesteld kunnen worden zonder dat er specifiek aan gedacht was of naar gezocht is.

MRI van de hersenen

Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand zal vaak een MRI scan gemaakt worden om te kijken of er bijzonderheden aan de hersenen te zien zijn. Bij kinderen met het Coffin-Siris syndroom worden vaak wel afwijkingen gezien op de MRI-scan, maar deze afwijkingen worden bij veel kinderen met een syndroom gezien en zijn niet kenmerkend voor het Coffin-Siris syndroom. Op de MRI scan kan te zien zijn dat de hersenbalk die de verbinding vormt tussen de rechter en de linkerkant van de hersenen ontbreekt (corpus callosum agenesie) of minder goed is aangelegd. Ook kunnen de holtes in de hersenen groter zijn dan gebruikelijk. De hersenschors kan minder windingen bevatten dan gebruikelijk. Bij een deel van de kinderen komen afwijkingen in en rondom de kleine hersenen voor die Dandy Walker variant worden genoemd. Ook kunnen de kleine hersenen kleiner zijn dan gebruikelijk.

MRI van de rug

Bij een klein deel van de kinderen worden er afwijkingen gezien in het ruggenmerg zoals een syringomyelie of een tethered cord.

Stofwisselingsonderzoek

Kinderen met een ontwikkelingsachterstand krijgen vaak stofwisselingsonderzoek om te kijken of er sprake is van een stofwisselingsziekte die verklarend is voor de ontwikkelingsachterstand. Bij kinderen met het Coffin-Siris syndroom worden hierbij geen bijzonderheden gezien.

Oogarts

De oogarts kan vaststellen of er sprake is van een probleem met zien en van welke problemen er sprake is. Omdat problemen met zien vaak voorkomen bij kinderen met dit syndroom worden zij altijd een keer door een oogarts gezien om te kijken of hier aanwijzingen voor zijn.

KNO-arts

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom worden vaak gezien door de KNO-arts. Dit is aan de ene kant vanwege de terugkerende oorinfecties en aan de andere kant om te kijken of er sprake is van slechthorendheid wat vaak voorkomt bij kinderen met het Coffin-Siris-syndroom. Het is belangrijk om slechthorendheid in een vroeg stadium te behandelen om de spraaktaal ontwikkeling zo optimaal mogelijk te kunnen laten verlopen.

Kindercardioloog

Kinderen met het Coffin-Siris syndroom hebben een vergrote kans op het hebben van een aangeboren hartafwijking, waarvoor ze meestal een keer door de kindercardioloog worden gezien indien er aanwijzingen zijn dat er sprake zou kunnen zijn van zo’n aangeboren hartafwijking (ruisje op het hart, blauwe verkleuring tijdens drinken of inspanning). Vaak zal deze naast lichamelijk onderzoek een ECHO van het hart maken om zo te beoordelen of er sprake is van een aangeboren hartafwijking.

Kinderorthopeed

Een kinderorthopeed kan beoordelen of er een behandeling voor heupdysplasie of voor een verkromming van de wervelkolom (scoliose) nodig is.

Kinderuroloog

Wanneer een kind vaak een urineweginfectie heeft kan de kinderuroloog kijken of er sprake is van een aan aanlegstoornis van de nieren of van de urinewegen als verklaring hiervoor.

Reflux

Reflux komt heel vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Onderzoeken om dit verder te onderzoeken zijn een 24 uurs zuurmeting in de slokdarm (pH-metrie) en een foto van de slokdarm en maag.

EEG

Kinderen met epilepsie krijgen vaak een EEG om te kijken van welk soort epilepsie er sprake is. Op het EEG worden vaak epileptiforme afwijkingen gezien. Deze afwijkingen zijn niet kenmerkend voor het Coffin-Siris syndroom, maar kunnen bij veel andere syndromen met epilepsie ook gezien worden.
Bij kinderen die nog nooit een epilepsieaanval gehad hebben, komen ook vaak epileptiforme afwijkingen op het EEG voor. Dit zegt niet dat het kind daadwerkelijk epilepsie zal krijgen. Alleen aanvallen worden behandeld, niet EEG-afwijkingen. Het is dus niet nodig om bij kinderen zonder epilepsie aanvallen een EEG te maken

 

 

Hoe worden kinderen met het Coffin-Siris syndroom behandeld ?

Omgaan met de gevolgen

Er bestaat geen behandeling die het Coffin-Siris syndroom kan genezen. De behandeling is er op gericht om kinderen en hun ouders zo goed mogelijk te leren omgaan met de gevolgen van het hebben van het Coffin-Siris -syndroom.

Fysiotherapie

Een fysiotherapeut kan ouders tips en adviezen geven hoe ze hun kindje zo goed mogelijk kunnen stimuleren om er voor te zorgen dat de ontwikkeling zo optimaal als mogelijk verloopt.

Logopedie

Een logopediste kan tips en adviezen geven indien er problemen zijn met zuigen, drinken, kauwen of slikken. Ook kan de logopediste helpen om de spraakontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Praten kan ook ondersteund worden door middel van gebaren of pictogrammen. Op die manier kunnen kinderen zich leren uitdrukken ook als ze nog geen woorden kunnen gebruiken.

Ergotherapie

Een ergotherapeut kan tips en adviezen geven hoe de verzorging en de dagelijks activiteiten van een kind zo soepel mogelijk kunnen verlopen. De ergotherapeut kan ook advies geven over hulpmiddelen.

Revalidatiearts

Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën en adviseert ook over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een aangepaste buggy, een rolstoel, steunzolen , beugels of aangepaste schoenen.

Ook is het mogelijk via een revalidatie centrum naar een aangepaste peutergroep te gaan en daar ook therapie te krijgen en later op dezelfde manier onderwijs te gaan volgen.

School

De meeste kinderen met het Coffin-Siris syndroom volgen speciaal onderwijs. In het speciaal onderwijs zijn de klassen kleiner en kan het lesprogramma meer afgestemd worden op de mogelijkheden van het kind. Vaak volgen kinderen SBO (speciaal basisonderwijs), MLK (moeilijk lerend) of ZMLK (zeer moeilijk lerend) onderwijs.

Voor een deel van de kinderen is het niet haalbaar om onderwijs te volgen. Zij gaan naar een dagcentrum waar kinderen een dagprogramma volgen.

Orthopedagoog

Een orthopedagoog kan ouders tips en adviezen geven hoe om gaan met problemen met bijvoorbeeld boos worden.

Kinder- en jeugdpsychiater

Een kinder- en jeugdpsychiater kan advies geven hoe om te gaan met gedragsproblemen zoals ADHD of autisme. Soms is het nodig om gedragsregulerende medicatie zoals methylfenidaat voor ADHD of risperidon voor prikkelovergevoeligheid te geven.

Epilepsie

Er bestaan verschillende soorten medicijnen die er voor kunnen zorgen dat kinderen met het Coffin-Siris syndroom minder last hebben van epilepsie aanvallen. Er bestaat geen duidelijk voorkeursmedicijn. Medicijnen die vaak gebruikt worden zijn natriumvalproaat (Depakine ®), levetiracetam (Keppra ®), clobazam (Frisium ®) en topiramaat (Topamax®). Het kan moeilijk zijn om de epilepsie onder controle te krijgen met medicijnen. Bij een deel van de kinderen lukt het niet om nieuwe epilepsieaanvallen te voorkomen met medicijnen. Vaak worden dan andere behandeling ingezet zoals het ketogeen dieet, een nervus vagus stimulator of een behandeling met methylprednisolon.

Reflux

Reflux kan er ook voor zorgen dat kinderen slecht eten. Door de voeding in te dikken met johannesbroodpitmeel kan de voeding minder gemakkelijk terug stromen van de maag naar de slokdarm. Ook zijn er medicijnen die de maaginhoud minder zuur kunnen maken waardoor de slokdarm minder geprikkeld wordt bij terugstromen van de maaginhoud. Medicijnen die hiervoor gebruikt worden zijn ranitidine en omeprazol, soms esomeprazol. Indien dit allemaal niet voldoende is, kan een operatie nodig zijn waarbij de overgang van de slokdarm naar de maag nauwer wordt gemaakt, waardoor de voeding ook minder gemakkelijk terug kan stromen.

Verstopping van de darmen

Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt.

Kwijlen

Er bestaan medicijnen die het kwijlen minder kunnen maken. Het meest gebruikte medicijn hierdoor is glycopyrrhonium. Ook kan een behandeling van de speekselklieren door middel van botox of door middel van een operatie er voor zorgen dat kinderen minder kwijlen.

Tandarts

Het is belangrijke dat kinderen met het Coffin-Siris syndroom regelmatig gezien worden voor de tandarts om te kijken of de tanden goed doorkomen en om een fluor behandeling te geven om gaatjes in de tanden en kiezen te voorkomen. Soms is een behandeling door de orthodontist nodig.

Oogarts

Een deel van de kinderen heeft een bril nodig om goed te kunnen zien. Wanneer kinderen scheel kijken, dan kan het nodig zijn om een oog een aantal uur per dag af te plakken, om op die manier te voorkomen dat kinderen een lui oog ontwikkelen.

KNO/audioloog

De KNO-arts of audioloog kan bepalen of gehoorapparaatjes kunnen helpen om beter te kunnen horen.

Kindercardioloog

De cardioloog kan bekijken of het nodig is om een behandeling in te stellen voor een aangeboren hartafwijking. Soms is het nodig dat kinderen antibiotica krijgen wanneer ze een kleine operatie moeten ondergaan omdat er anders een kans bestaat dat er bacteriën in het hartzakje zorgen voor een ontsteking wat kan zorgen voor extra problemen.

Kinderuroloog

Kinderen met afwijking aan de nieren of plasbuis worden meestal gezien door de kinderuroloog die kan bekijken of hiervoor een behandeling nodig is. Soms is het nodig om een lage dosering antibiotica te gebruiken om steeds terugkerende urineweginfecties te voorkomen. Wanneer de balletjes niet goed indalen, dan kan de kinderuroloog door middel van een operatie er voor zorgen dat de balletjes wel in het balzakje komen te liggen.

Kinderchirurg

De kinderchirurg kan indien nodig een operatie verrichten om een liesbreuk of afwijkingen aan de maag en darmen te corrigeren. Wanneer voor langere tijd een sonde nodig is, kan de chirurg een rechtstreekse sonde naar de maag toe inbrengen. Dit wordt een PEG-sonde genoemd.

Neurochirurg

Wanneer er sprake is van een tethered cord syndroom, dan kan de neurochirurg door middel van een operatie zorgen dat het ruggenmerg niet meer vast zit aan de wervels en daardoor weer vrij kan bewegen.

Antibiotica

Een deel van de kinderen die vaak terugkerende infecties heeft, heeft baat bij een lage dosering antibiotica om nieuwe infecties te voorkomen. Per kind moeten de voordelen van het geven van de antibiotica worden afgewogen tegen de nadelen ervan (antibiotica doden ook nuttige bacteriën in de darmen).

Botontkalking

Om botontkalking te voorkomen wordt geadviseerd om kinderen met dit syndroom dagelijks 400IE vitamine D te geven en 500 mg calcium.

Melatonine

Wanneer inslapen erg moeilijk is kan het medicijn melatonine helpen om het inslapen beter te laten verlopen. Ook kan dit zorgen voor een algeheel beter slaappatroon gedurende de hele nacht. Wanneer doorslapen een probleem is, kan gekozen worden voor melatonine retard vorm.

Begeleiding

Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak even tijd voor ouders om te verwerken dat de toekomstverwachtingen van hun kind er anders uit zien dan mogelijk verwacht is.

Contact met andere ouders

Door middel van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met het Coffin-Siris syndroom.

 

Wat betekent het hebben van het Coffin-Siris syndroom voor de toekomst?

Blijvende beperking

Kinderen en volwassenen blijven last houden van beperkingen in het dagelijks leven als gevolg van het hebben van het Coffin-Siris syndroom. Zij kunnen een deel van de taken zelf, maar zijn bij andere taken afhankelijk van de hulp van anderen. Sommige volwassenen kunnen later zelfstandig functioneren al dan niet met wat hulp op afstand (voorbijvoorbeeld geldzaken), anderen gaan in een begeleide omgeving wonen.

Levensverwachting

Het is niet goed bekend of de levensverwachting van kinderen met dit syndroom anders is dan van kinderen zonder dit syndroom. Bij kinderen met weinig problemen is dit ook niet waarschijnlijk. Naarmate er meer volwassenen met dit syndroom bekend zullen zijn, zal hier ook meer over mede te delen zijn.

Kinderen

Er bestaat ook nog geen duidelijkheid of volwassenen met dit syndroom een normale vruchtbaarheid hebben of niet. Kinderen van een volwassene met het Coffin-Siris syndroom hebben 50% kans om zelf ook het Coffin-Siris syndroom te krijgen.

 

Hebben broertjes en zusjes een verhoogde kans om ook het Coffin-Siris syndroom te krijgen?

Het Coffin-Siris syndroom is een erfelijke aandoening. Vaak is de aandoening bij het kind zelf ontstaan. Broertjes en zusjes hebben dan nauwelijks een verhoogde kans om zelf ook dit syndroom te krijgen. Dit zou alleen kunnen wanneer de ouder het foutje in de eicel of in de zaadcel heeft zonder dat dit in andere lichaamscellen voorkomt. Dit maakt dat de kans dat een broertje of zusje ook het Coffin-Siris syndroom krijgt licht verhoogd is.

Wanneer een ouder zelf het Coffin-Siris syndroom heeft dan hebben broertjes en zusjes tot 50% kans om zelf ook dit syndroom te krijgen.Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek

Wanneer bekend is welk foutje in een familie heeft gezorgd voor het ontstaan van het Coffin-Siris syndroom, dan is het mogelijk om tijdens een zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten in de vorm van een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie.

 

Referenties

 

Links
www.bosk.nl

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

 

 

Laatst bijgewerkt: 3 april 2015

 

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.