A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Tubulinopathie

Wat is een tubulinopathie?
Een tubulinopathie is een erfelijke aangeboren aandoening waarbij kinderen een aanlegstoornis van de hersenen hebben waardoor deze kinderen een ontwikkelingsachterstand in combinatie met autistiforme kenmerken en/of epilepsie krijgen.

Hoe wordt het tubulinopathie ook wel genoemd?
Tubulinopathie is een verzamelnaam voor een groep aandoeningen waarbij het eiwit tubuline niet goed wordt aangemaakt. Pathie betekent ziekte, in dit geval een ziekte door een afwijking in tubuline-eiwit.

Tubuline-related cortical dysgenesie
Een andere term die ook wel gebruikt wordt is tubuline related cortical dysgenesie. Het Engelse woord related betekent in relatie tot, in dit geval het eiwit tubuline. Cortical dysgenesie is het medische woord voor een aanlegstoornis van de hersenen.

Hoe vaak komt een tubulinopathie voor bij kinderen?
Een tubulinopathie is een zeldzaam voorkomende aandoening. De aandoening is sinds 2008 beschreven. Het is niet goed bekend hoe vaak deze aandoening bij kinderen voorkomt. Geschat wordt dat deze aandoening bij minder dan één op de 100.000 kinderen voorkomt. Dankzij nieuwe genetische technieken kan deze diagnose tegenwoordig beter en sneller gesteld worden dan vroeger, de verwachting is dat dan ook beter duidelijk zal worden hoe vaak dit syndroom nu daadwerkelijk voorkomt.

Bij wie komt een tubulinopathie voor?
Een tubulinopathie is al voor de geboorte aanwezig. Meestal wordt in de eerste levensjaren duidelijk dat er sprake is van een tubulinopathie.
Zowel jongens als meisjes kunnen het tubulinopathie krijgen.

Wat is de oorzaak van het ontstaan van een tubulinopathie?
Fout in erfelijk materiaal
Een tubulinopathie wordt veroorzaakt door een fout in het erfelijk materiaal (het DNA). Inmidels zijn er 7 fouten in het DNA ontdekt die allemaal kunnen zorgen voor het ontstaan van een tubulinopathie. Deze fouten zitten in het TUBA1A-gen, het TUBB2B-gen, het TUBB3-gen, het TUBB5-gen, het TUBG1-gen, het TUBA9-gen of het TUBB2A-gen.

Autosomaal dominant
De meeste vormen van tubulinopathie erven op zogenaamd autosomaal dominante manier over. Dit houdt in dat kinderen al klachten krijgen wanneer een van de twee chromosomen een fout bevat. Alleen tubulinopathie als gevolg van een fout in het TUBA8-gen erft op zogenaamd autosomaal recessieve manier over. Kinderen krijgen dan pas klachten wanneer beide chromsomen 22 een fout bevatten en niet als een van de twee chromosomen 22 een fout bevat in het TUBA8-gen.

Bij het kind zelf ontstaan
Vaak is de fout in het DNA bij het kind zelf ontstaan bij de bevruchting van de eicel door de zaadcel. De ouders hebben dan zelf geen tubulinopathie. Dit wordt ook wel de novo genoemd, wat nieuw bij het kind ontstaan betekent.

Overgeërfd van een ouder
De fout in het TUBA8-gen kan wel overgeerfd zijn van de ouders. Vaak hebben beide ouders een fout in het TUBA8-gen waar zij zelf geen last van hebben, omdat zij nog een chromosoom 22 zonder fout hebben. Wanneer beide ouders chromosoom 22 met de fout in het TUBA8-gen doorgeven aan het kind, dan krijgt het kind een tubulinopathie.
Heel zelden heeft het kind bij de autosomaal dominante vormen van tubulinopathie de fout toch geerfd van een ouder. Een van de ouders blijkt dan in een deel van zijn lichaamscellen de fout te heben in het DNA en niet in andere lichaamcellen. Wanneer de fout wel voorkomt in de eicellen of zaadcellen, maar niet in de hersencellen van de ouder, dan heeft de ouder geen klachten, maar kan de ouder de fout wel doorgeven aan de kinderen. Dit wordt ouderlijk mocaisisme genoemd.

Afwijkend eiwit
Als gevolg van de fout in het erfelijk materiaal wordt een bepaald eiwit niet goed aangemaakt. Dit eiwit wordt tubuline genoemd. Tubuline bestaat uit drie verschillende onderdelen die a-tubuline, b-tubuline en y-tubuline worden genoemd. Het TUBA1A-gen en het TUBA8-gen bevatten informatie voor de aanmaak van a-tubuline. Het TUBB2A, TUBB2b, TUBB3-gen en het TUBB5-gen bevatten informatie voor de aanmaak van b-tubuline. TUBG1bevat informatie voor de aanmaak van y-tubuline. Alle drie de onderdelen zijn nodig voor een goede werking van het eiwit tubuline. Dit eiwit speelt een belangrijke rol bij de aanleg van de hersenen. Het zorgt voor vermeerdering van hersencellen, het bewegen van de hersencellen naar de juiste plaats in de hersenen langs microtubuli en de ontwikkelen van voorloper hersencel tot definitieve hersencel en de uitgroei van uitlopers van een hersencel. Zonder goed werkend tubuline worden de hersenen anders aangelegd dan gebruikelijk, waardoor de hersenen hun werk niet goed kunnen doen.

Aanlegstoornis van de hersenen
Door een tekort aan tubuline kunnen er verschillende problemen ontstaan die er voor zorgen dat de hersenen anders aangelegd worden. Er kan sprake zijn van een tekort aan hersencellen omdat de celdeling niet goed verloopt. De hersencellen kunnen niet op de juiste plek komen te liggen omdat de het bewegen van de hersencellen niet goed verloopt. Ook kan de uitrijping van de hersencellen niet goed verlopen. De hersencellen kunnen minder uitlopers hebben dan gebruikelijk of kortere uitlopers dan gebruikelijk. Het aangaan van verbindingen met andere hersencellen kan minder goed verlopen. Er kan sprake zijn van een probleem of van meerdere problemen tegelijkertijd.

Op deze manier kunnen verschillende aanlegstoornissen van de hersenen ontstaan. Elke aanlegstoornis heeft zijn eigen naam gekregen. Vaak bevatten de hersenen minder hersencellen dan gebruikelijk, waardoor de hersenen te klein zijn. Dit wordt en microcefalie genoemd. Soms bevatten de hersenen helemaal geen windingen, dit wordt een lissencefalie genoemd. Wanneer de hersenen minder windingen dan gebruikelijk bevatten wordt gesproken van een pachygyrie. Een milde variant waarin de hersenen iets minder windingen bevatten dan gebruikelijk wordt een simplified gyral pattern genoemd. Soms bestaat de hersenschors uit twee delen, dit wordt subcorticale bandheterotopie genoemd. De hersenen kunnen ook meer windingen bevatten dan gebruikelijk. Dan wordt gesproken van een polymicrogyrie.
Naast afwijkingen van de grote hersenen, kunnen ook afwijkingen van de kleine hersenen voorkomen.

Wat zijn de symptomen van een tubulinopathie?
Variatie
Er bestaat een grote variatie in hoeveelheid en in de mate van ernst van de symptomen die verschillende kinderen met een tubulinopathie hebben. Dit hangt sterk samen met de ernst van de hersenafwijking. Kinderen met een ernstige hersenafwijking hebben meer en ernstigere symptomen dan kinderen met een minder ernstige hersenafwijking.

Lagere spierspanning
Kinderen met een tubulinopathie hebben vaak een lagere spierspanning. Hierdoor voelen baby's slapper aan dan andere kinderen. Wanneer kinderen opgetild worden, moeten ze goed ondersteund worden. Door de lagere spierspanning kunnen bijvoorbeeld de gewrichten van de ellebogen en de knieën gemakkelijk overstrekt worden. Dit wordt hypermobiliteit genoemd.

Problemen met drinken
Een deel van de baby’s heeft problemen met drinken. Zij pakken de borst of de fles niet goed en laten deze gemakkelijk weer los. Het voeden van baby’s met dit syndroom kost vaak meer tijd. Vaak spugen kinderen met een tubulinopathie gemakkelijker. Een deel van de kinderen heeft sondevoeding nodig om voldoende voeding binnen te krijgen.

Ontwikkelingsachterstand
Kinderen met een tubulinopathie ontwikkelen zich vaak langzamer dan hun leeftijdsgenoten. Kinderen gaan later rollen, zitten, staan en lopen. Voor een deel van de kinderen is het te moeilijk om te leren staan en lopen, voor een ander deel van de kinderen is dit wel haalbaar, maar vaak op een latere leeftijd dan gebruikelijk. Het lopen gaat vaak houterig, kinderen kunnen gemakkelijker vallen.

Problemen met praten
Het leren praten is vaak lastig voor kinderen met een tubulinopathie. Een deel van de kinderen is in staat om losse woorden of korte zinnen te maken, voor een ander deel van de kinderen is dit niet haalbaar. Kinderen kunnen vaak met hun lichaamstaal duidelijk maken wat zij graag willen. Een deel van de kinderen is in staat om gebaren te leren of een spraakcomputer met afbeeldingen te gebruiken. Het begrijpen van wat anderen zeggen gaat vaak beter dan het zelf praten.

Problemen met leren
Kinderen met een tubulinopathie hebben vaak problemen met leren. De mate van problemen met leren kan verschillen van mild tot ernstig. Een deel van de kinderen is ook niet leerbaar.

Epilepsie
Een groot deel van de kinderen met een tubulinopathie krijgt last van epilepsie aanvallen.De epilepsie kan op verschillende leeftijden ontstaan. Epilepsie die op jonge leeftijd ontstaat is vaak ernstiger en moeilijker te behandelen dan epilepsie die op oudere leeftijd pas voor het eerst ontstaat. Verschillende soorten epilepsie aanvallen kunnen voorkomen: aanvallen waarbij de armen en benen kortdurend aanspannen en ontspannen (salaamkrampen), aanvallen met verstijven (tonische aanvallen), aanvallen met verstijven en daarna schokken (tonisch-clonische aanvallen),aanvallen met verslappen (atone aanvallen of drop attacks), aanvallen met kleine schokjes op verschillende plaatsen in het lichaam (myoclonieën), aanvallen met staren (absences) en aanvallen met verslappen van de nekspieren gevolgd door staren en schoksgewijs aanspannen van de armen (atone-myoclone aanval). Vaak hebben kinderen verschillende soorten aanvallen. Met het ouder worden kunnen er andere aanvallen bijkomen.

Status epilepticus
Wanneer een epilepsieaanval lang aanhoudt, wordt gesproken van een status epilepticus. Dit komt vaker voor bij kinderen met een tubulinopathie.

Spasticiteit
Met het ouder worden, neemt de spierspanning in de benen en in de armen vaak toe. Een te hoge spierspanning wordt spasticiteit genoemd. Door de verhoogde spierspanning kunnen de armen en benen moeilijker bewogen worden. De benen worden gestrekt gehouden en hebben de neiging om voor elkaar langs te kruizen. Kinderen die kunnen lopen krijgen de neiging om op hun tenen te gaan lopen. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker vallen. Spasticiteit in de handen kan er voor zorgen dat kinderen hun hand in een vuistje houden, waardoor pakken met de handen lastig is.

Dystonie
Naast spasticiteit kan ook dystonie voorkomen. Dystonie is een afwijkende stand van een lichaamsdeel doordat strekkers en buigers tegelijkertijd onbedoeld aanspannen. De dystonie kan in allerlie lichaamsdelen voorkomen zoals in de arm of in een been die in een afwijkende stand gaan staan. Ook kan dystonie in de nek of in de rug voorkomen waardoor kinderen hun nek of rug in een vreemde stand hebben staan, vaak wordt de rug overstrekt als gevolg van de dystonie. De dystonie kan ook zorgen voor problemen met bewegen of met zitten.



Problemen met de balans
Balansproblemen komen vaak voor bij kinderen met een tubulinopathie. Kinderen vallen gemakkelijk om wanneer ze aangeraakt worden. Om dit te voorkomen zetten kinderen hun voeten verder uit elkaar. Dit wordt een breedbasisch looppatroon genoemd.


Problemen met praten
Het leren praten, gaat ook in een wat langzamer tempo dan bij kinderen zonder dit syndroom. Sommige kinderen zijn alleen in staat om losse woorden te zeggen, anderen zijn in staat om zinnen te maken. Ook dit hangt samen met het wel of niet optreden van epilepsie en de ernst van de epilepsie aanvallen.

Problemen met leren
Een groot deel van dekinderen met dit syndroom heeft problemen met leren. De problemen met leren kunnen mild zijn of meer duidelijk aanwezig zijn. Een deel van de kinderen heeft een milde verstandelijke beperking, een ander deel van de kinderen een ernstige verstandelijke beperking. Ook hier geldt dat kinderen met een moeilijk behandelbare vorm van epilepsie meer problemen hebben met leren dan kinderen die geen epilepsie hebben.

ADHD
AD(H)D komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Kinderen met ADHD hebben moeite om bij een taakje langere tijd de aandacht te houden. Ze spelen maar kort met een bepaald speelgoed en gaan dan weer naar een ander stukje speelgoed. Kinderen zijn snel afgeleid door een geluid of een beweging in de kamer. Op school hebben kinderen moeite langer tijd hun aandacht bij het schoolwerk te houden.
Kinderen kunnen moeite hebben met stil zitten en bewegen het liefst de hele dag.

Autistiforme kenmerken
Kinderen met dit syndroom hebben vaker autistiforme kenmerken. Ze zijn meer op zichzelf en hebben niet zo’n behoefte aan contact met andere mensen. Het maken van oogcontact vinden kinderen vaak moeilijk.
Kinderen met autistiforme kenmerken houden vaak van een vaste voorspelbare structuur in de dag. Zij vinden het lastig wanneer hiervan wordt afgeweken. Ook onverwachte gebeurtenissen zijn moeilijk. Kinderen kunnen door onverwachte gebeurtenissen heel boos of juist heel verdrietig worden, omdat ze niet goed weten hoe ze hier mee om moeten gaan.
Ook hebben kinderen vaak voorkeur voor bepaald speelgoed of een bepaalde hobby waar ze zich heel lang mee kunnen vermaken.



Problemen met slapen
Slaapproblemen komen vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Sommige kinderen hebben moeite met het inslapen. Een groot deel van de kinderen wordt ’s nachts regelmatig wakker en komt dan maar moeilijk weer in slaap. Ook zijn kinderen vaak vroeg in de ochtend wakker.
Bij een deel van de kinderen worden deze slaapproblemen veroorzaakt door epilepsie gedurende de nacht.

Uiterlijke kenmerken
Bij veel syndromen hebben kinderen vaak enkele veranderde uiterlijke kenmerken. Hier hebben kinderen zelf geen last van, maar het kan de dokters helpen om te herkennen dat er sprake is van een syndroom en mogelijk ook van welk syndroom. Ook maakt dit vaak dat kinderen met hetzelfde syndroom vaak meer op elkaar lijken dan op hun eigen broertjes en zusjes, terwijl de kinderen toch niet familie van elkaar zijn.

Kleine hoofdomtrek
Kinderen met een tubulinopathie hebben vaak een kleiner hoofdomtrek. Dit wordt microcefalie genoemd.

Problemen met zien
Een deel van de kinderen met heen tubulinopathie is slechtziend, zij zien wazig. Dit komt meestal niet door een probleem van de ogen zelf, maar door het niet goed functioneren van de hersenen. De hersenen verwerken de prikkel die de ogen doorgeven niet of niet goed, waardoor kinderen slecht kunnen zien. Kinderen zijn daardoor slechtziend of soms zelfs blind, terwijl er met hun ogen niets aan de hand is. Dit wordt daarom een cerebrale visusstoornis genoemd, het probleem zit in de hersenen (cerebrum), het wordt ook wel afgekort als CVI ( naar de Engelse termen cerebral visual impairment, impairment is beperking). Scheelzien komt vaker voor bij kinderen met een tubulinopathie. Een deel van de kinderen kan de ogen minder goed bewegen. Dit wordt een externe ophtalmoplegie genoemd.

Problemen met ruiken
Kinderen met een fout in het TUBB3-gen zijn vaak niet goed in staat om te kunnen ruiken. Het niet goed kunnen ruiken zorgt er voor dat het eten allemaal het zelfde smaakt en kan op deze manier zorgen voor problemen met eten.

Reflux
Kinderen met dit syndroom hebben vaak last van het terugstromen van voeding vanuit de maag naar de slokdarm. Dit wordt reflux genoemd. Omdat de maaginhoud zuur is, komt het zuur zo ook in de slokdarm, soms zelfs ook in de mond. Dit zuur kan zorgen voor pijnklachten, waardoor kinderen moeten huilen en soms ook niet willen eten. Ook kan het maken dat kinderen moeten spugen.
Door het zuur kan de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raken. Wanneer dit niet tijdige ontdekt en behandeld wordt, kan dit zorgen voor het spuug met daarin bloedsliertjes.

Kwijlen
Kinderen met dit syndroom hebben gemakkelijk last van kwijlen. Dit komt door slapheid van de spieren in het gezicht en rondom de mond, waardoor het speeksel gemakkelijk uit de mond loopt.

Verstopping van de darmen
Verstopping van de darmen komt vaak voor bij kinderen met dit syndroom. De ontlasting komt dan niet elke dag en is vaak hard waardoor kinderen moeite hebben met poepen. Dit kan buikpijnklachten geven.

Scoliose
Een deel van de kinderen krijgt een verkromming van de rug. Dit wordt een scoliose genoemd. Te sterke verkrommingen van de rug kunnen problemen geven met zitten en staan en zorgen voor het ontstaan van rugklachten.

Vatbaarder voor infecties
Kinderen met een tubulinopathie zijn op jonge leeftijd vatbaarder voor het krijgen van infecties. Regelmatig komen luchtweginfecties of oorontstekingen voor.

Hoe wordt de diagnose tubulinopathie gesteld?
Verhaal en onderzoek
Op grond van het verhaal van een kind met ontwikkelingsproblemen in combinatie met epilepsie kan gedacht worden aan een syndroom. Vaak zal aanvullend onderzoek nodig zijn om de juiste diagnose te stellen, aangezien veel verschillende syndromen dezelfde klachten kunnen geven.

DNA-onderzoek
Door middel van een buisje bloed kan DNA-onderzoek verricht worden. Wanneer de aandoening in de familie voorkomt, kan gericht naar de fout die de tubulinopathie veroorzaakt worden gezocht. Vaak is dit niet het geval en zal door middel van een breed genetisch onderzoek, whole exome sequencing, naar het DNA worden gekeken. Op deze manier kan de fout in het DNA die de tubulinopathie veroorzaakt, worden ontdekt zonder dat er van te voren specifiek aangedacht was.

Bloedonderzoek
Standaard bloedonderzoek laat bij kinderen met tubulinopathie geen afwijkingen zien.

MRI van de hersenen
Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand zal vaak een MRI scan gemaakt worden om te kijken wat de oorzaak is van deze ontwikkelingsachterstand. Bij kinderen met een tubulinopathie zijn vaak een of meerdere aanlegstoornissen van de hersenen te zien. Vaak bevatten de grote hersenen minder of meer windingen dan gebruikelijk. Ook kunnen afwijkingen aan de kleine hersenen, hersenstam of basale kernen gevonden worden.

Stofwisselingsonderzoek
Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand wordt vaak stofwisselingsonderzoek verricht op bloed en urine. Deze onderzoeken laten bij kinderen met dit syndroom geen afwijkingen zien.

EEG
Op het EEG worden vaak epileptiforme afwijkingen gezien. Soms kan op grond van het EEG een epilepsiesyndroomdiagnose gesteld worden.

Oogarts
Kinderen met tubulinopathie worden een keer gezien door de oogarts om te beoordelen of er problemen zijn met zien.

Foto van de rug
Wanneer kinderen met een tubulinopathie een zijwaartse verkromming van de rug krijgen, dan zal een foto van de rug gemaakt worden om te bepalen wat de mate van scheefstand is (de scoliosehoek). Dit bepaalt namelijk wat de beste behandeling voor de scoliose is.

Hoe wordt een tubulinopathie behandeld?
Geen genezing
Er bestaat geen behandeling om een tubulinopathie te genezen. De behandeling is er op gericht om de ontwikkeling van kinderen met een tubulinopathie zo goed mogelijk te laten verlopen, de epilepsie zo goed mogelijk onder controle te krijgen en bijkomende problemen zo vroeg mogelijk op te sporen en waar mogelijk te behandelen.

Fysiotherapie
Een fysiotherapeut kan ouders tips en adviezen geven hoe ze hun kindje zo goed mogelijk kunnen stimuleren om er voor te zorgen dat de ontwikkeling zo optimaal als mogelijk verloopt. De fysiotherapeut kan oefeningen geven om de balans zo goed mogelijk te oefenen.

balans

Logopedie
Een logopediste kan tips en adviezen geven indien er problemen zijn met zuigen, drinken, kauwen of slikken. Sommige kinderen hebben baat bij een speciale speen (special need speen) waardoor het drinken uit de fles beter verloopt. Moeders kunnen borstvoeding kolven, zodat kinderen op deze manier toch borstvoeding als voeding kunnen krijgen via de fles.
Ook kan de logopediste helpen om de spraakontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Praten kan ook ondersteund worden door middel van gebaren of pictogrammen. Op die manier kunnen kinderen zich leren uitdrukken ook als ze nog geen woorden kunnen gebruiken. Sommige kinderen hebben baat bij een spraakcomputer.

spraakcomputer

Ergotherapie
Een ergotherapeut kan tips en adviezen geven hoe de verzorging en de dagelijks activiteiten van een kind zo soepel mogelijk kunnen verlopen. Ook kan de ergotherapeut advies geven over materialen die de ontwikkeling van een kind kunnen stimuleren.

Revalidatiearts
Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën en adviseert ook over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een aangepaste buggy, steunzolen of aangepaste schoenen.
Ook is het mogelijk via een revalidatie centrum naar een aangepaste peutergroep te gaan en daar ook therapie te krijgen en later op dezelfde manier onderwijs te gaan volgen.

School
De meeste kinderen met een tubulinopathie hebben extra begeleiding bij het leren nodig. Een klein deel van de kinderen gaat naar het regulier onderwijs al dan niet met extra ondersteuning. Een ander deel van de kinderen gaat naar het speciaal onderwijs van cluster 3 of 4 omdat zij daar in kleinere klassen zitten en meer hulp en ook therapie kunnen krijgen. Een deel van de kinderen is niet leerbaar en gaat naar een dagcentrum.

mogelijkheden

Kinder- en jeugdpsychiater
Een kinder- en jeugdpsychiater kan advies geven hoe om te gaan met gedragsproblemen zoals ADHD of autisme. Soms is het nodig om gedragsregulerende medicatie zoals methylfenidaat voor ADHD of risperidon of aripiprazol voor prikkelovergevoeligheid te geven.

Aanvalsbehandeling epilepsie
De meeste epilepsieaanvallen gaan vanzelf over binnen enkele minuten. Omstanders hoeven dan niets te doen om de aanval te doen stoppen. Het is belangrijk om zo rustig mogelijk te blijven en het kind zo veel mogelijk met rust te laten.
Wanneer een aanval na 5 minuten nog niet vanzelf gestopt is, dan zal vaak geadviseerd worden om medicijnen te geven om een aanval te doen stoppen. De behandelende arts zal altijd aangeven welk tijdstip voor een bepaald kind het beste is. Medicijnen die gebruikt kunnen worden voor het stoppen van een aanval zijn diazepam rectiole (Stesolid®), midazolam neusspray, midazolam rectiole, lorazepam of clonazepam druppels.
Het effect van deze medicijnen ontstaat na enkele minuten. Nadien zal het kind meestal in slaap vallen, soms ook niet.

Behandeling epilepsie
Met behulp van medicijnen wordt geprobeerd om de epilepsieaanvallen zo veel mogelijk te voorkomen en het liefst er voor te zorgen dat er helemaal geen epilepsieaanvallen meer voorkomen. Het is vaak moeilijk om de epilepsie bij kinderen met het een tubulinopathie onder controle te krijgen. Vaak zijn combinaties van medicijnen nodig om de epilepsie aanvallen zo min mogelijk te laten voorkomen. Volledige aanvalsvrijheid is meestal niet haalbaar, het doel van de epilepsie behandeling is zo min mogelijk aanvallen, maar tegelijkertijd ook zo min mogelijk bijwerkingen van de medicijnen.
Verschillende soorten medicijnen kunnen gebruikt worden om de epilepsie onder controle te krijgen. Er bestaat geen duidelijk voorkeursmedicijn. Medicijnen die vaak gebruikt worden zijn natriumvalproaat (Depakine ®), levetiracetam (Keppra ®), clobazam (Frisium ®) en zonisamide (Zonegran®).

Er bestaan ook andere behandelingen die een goed effect kunnen hebben op de epilepsie, zoals een ketogeen dieet, een nervus vagusstimulator, of een behandeling met methylprednisolon. Ook een combinatie van deze behandelingen met medicijnen die epilepsie onderdrukken is goed mogelijk.

Behandeling slaapproblemen
Een vast slaapritueel en een vast slaappatroon kunnen kinderen helpen om beter te kunnen slapen. Het medicijn melatonine kan helpen om beter in slaap te kunnen vallen. Er bestaan ook vormen van melatonine met vertraagde afgifte die ook kunnen helpen om weer in slaap te vallen wanneer kinderen in de nacht wakker worden. Slaapmiddelen worden liever niet gegeven aan kinderen omdat kinderen hier aangewend raken en niet meer zonder deze medicatie kunnen. Soms wordt het medicijn promethazine gebruikt om kinderen beter te kunnen laten slapen. Het is altijd belangrijk om uit te sluiten dat epilepsie de oorzaak is van de slaapproblemen, in geval van epilepsie is epilepsie behandeling nodig.

Reflux
Reflux kan er ook voor zorgen dat kinderen slecht eten. Door de voeding in te dikken met johannesbroodpitmeel kan de voeding minder gemakkelijk terug stromen van de maag naar de slokdarm. Ook zijn er medicijnen die de maaginhoud minder zuur kunnen maken waardoor de slokdarm minder geprikkeld wordt bij terugstromen van de maaginhoud. Medicijnen die hiervoor gebruikt worden zijn ranitidine, omeprazol of esomeprazol. Indien dit allemaal niet voldoende is, kan een operatie nodig zijn waarbij de overgang van de slokdarm naar de maag nauwer wordt gemaakt, waardoor de voeding ook minder gemakkelijk terug kan stromen. Dit wordt een Nissen-operatie genoemd.

q

Kwijlen
Kwijlen kan verminderen door kinderen er bewust van te maken dat ze hun speeksel moeten doorslikken. Ook kunnen oefeningen waarbij geoefend wordt om de mond te sluiten helpen. Er bestaan moderne halsdoekjes die kwijl kunnen opvangen, zodat de kleding niet vies en nat wordt.
Er bestaan medicijnen die het kwijlen minder kunnen maken. Het meest gebruikte medicijn hierdoor is glycopyrrhonium. Soms kan een behandeling van de speekselklieren door middel van botox of door middel van een operatie nodig zijn om er voor zorgen dat kinderen minder kwijlen. Per kind zullen de voor- en nadelen van elke behandeling moeten worden afgewogen.

q

Verstopping van de darmen
Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt. Verder blijft het belangrijk om te zorgen dat kinderen voldoende vocht en vezels binnen krijgen en zo veel als kan bewegen. Soms zijn zetpillen nodig om de ontlasting op gang te krijgen.

q

Scoliose
Lichte vormen van verkromming van de wervelkolom hebben meestal geen behandeling nodig en alleen controle om te kijken of de verkromming toeneemt. Bij toename kan een behandeling met een gipscorset nodig zijn om verdergaande verkromming van de wervelkolom te voorkomen. Wanneer een gipscorset onvoldoende effect heeft, kan een operatie nodig zijn waarbij de wervels vastgezet. Deze behandeling wordt uitgevoerd door een orthopeed.

q

Financiële kant van zorg voor een kind met een beperking
De zorg voor een kind met een beperking brengt vaak extra kosten met zich mee. Er bestaan verschillende wetten die zorg voor kinderen met een beperking vergoeden.
Daarnaast bestaan regelingen waar ouders een beroep op kunnen doen, om een tegemoetkoming te krijgen voor deze extra kosten. Meer informatie hierover vindt u in de folder financiën kind met een beperking.

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kunnen kinderen en hun ouders helpen hoe het hebben van deze aandoening een plaats kan krijgen in hun leven. Het kost vaak tijd om het krijgen van deze diagnose een plaats te geven in het dagelijks leven.

Contact met andere ouders
Door het plaats van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact komen met andere kinderen en hun ouders die ook te maken hebben met een tubulinopathie.

Wat betekent het hebben van een tubulinopathie voor de toekomst?
Blijvende beperking
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand, een moeilijk behandelbare vorm van epilepsie en/of autistiforme kenmerken blijven op volwassen leeftijd vaak beperkingen houden. Soms zijn deze beperkingen mild en kunnen volwassenen een zelfstandig leven leiden. Vaak zijn deze beperkingen ernstiger zijn waardoor volwassenen in hun dagelijks leven in meer of mindere mate ondersteuning van een andere volwassene zonder beperking nodig hebben.

Transitie van zorg
Tussen de leeftijd van 16 en 18 jaar wordt de zorg vaak overgedragen van kinderspecialisten naar specialisten die de zorg aan volwassenen geven. Het is belangrijk om tijdig hierover na te denken. Is er behoefte de zorg over te dragen naar specialisten voor volwassenen of kan de huisarts de zorg leveren die nodig is.En als er behoefte is aan overdragen van de zorg naar specialisten voor volwassenen, naar welke dokter(s) wordt de zorg dan overgedragen? In welk ziekenhuis kan de zorg het beste geleverd worden. Het proces van overdragen van de zorg wordt transitie genoemd. Het is belangrijk hier tijdig over na te denken en een plan voor te maken samen met de dokters die betrokken zijn bij de zorg op de kinderleeftijd.
Ook verandert er veel in de zorg wanneer een jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt. Voor meer informatie over deze veranderingen verwijzing wij u naar het artikel veranderingen in de zorg 18+.

Levensverwachting
Er is nog weinig bekend over de levensverwachting van kinderen met dit syndroom. Een moeilijk behandelbare vorm van epilepsie of terugkerende infecties kunnen van invloed zijn op de levensverwachting.

Kinderen krijgen
Het is niet bekend of het hebben van een tubulinopathie van invloed is op de vruchtbaarheid. Een groot deel van de kinderen met een tubulinopathie heeft te veel beperkingen om later zelf kinderen te gaan krijgen en opvoeden.
Kinderen van een volwassene met een tubulinopathie hebben zelf 50% kans om ook een tubulinopathie te krijgen. Hoeveel last deze kinderen van dit syndroom zullen krijgen valt van te voren niet te voorspellen. Kinderen kunnen minder, meer of in dezelfde mate klachten hebben als de ouder. Kinderen van een volwassene met een tubulinopathie als gevolg van fout in het TUBA8-gen hebben nauwelijks kans om zelf een tubulinopathie te krijgen. Dit kan alleen wanneer de partners drager is van een fout in het TUBA8-gen of wanneer de partner zelf een tubulinopathie heeft. De kans hierop is klein.

Hebben broertjes of zusjes ook kans een tubulinopathie te krijgen?
Tubulinopathie is een erfelijke aandoening. Vaak is de fout in het DNA bij het kind zelf ontstaan, hebben broertjes en zusjes nauwelijks kans om ook een tubulinopathie te krijgen. Dit zou alleen kunnen wanneer de vader de fout in de zaadcellen of de moeder de fout in de eicellen heeft zitten. Dit wordt ouderlijk mocaisisme genoemd. De kans hierop is klein, ongeveer 1%.
Wanneer er sprake is van een tubulinopathie als gevolg van een fout in het TUBA8-gen, dan hebben broertjes en zusjes 25% kans om zelf ook deze aandoening te krijgen.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek
Wanneer het foutje in het erfelijk materiaal bekend is, dan is het mogelijk om tijdens een volgende zwangerschap door middel van een vlokkentest in de 12e zwangerschapsweek of een vruchtwaterpunctie in de 16e zwangerschapsweek na te gaan of een broertje of zusje ook de aandoening heeft. Beide ingrepen hebben een klein risico op het ontstaan van een miskraam (0,5% bij de vlokkentest en 0,3% bij de vruchtwaterpunctie). De uitslag van deze onderzoeken duurt twee weken. Voor prenatale diagnostiek kan een zwangere de 8ste week verwezen worden door de huisarts of verloskundige naar een afdeling klinische genetica. Meer informatie over prenatale diagnostiek kunt u vinden op de website: www.npdn.nl.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

Heeft u foto's die bepaalde kenmerken van deze aandoening duidelijk maken en die hier op de website mogen worden geplaatst, dan vernemen wij dit graag.

Referenties
1.Recognizable cerebellar dysplasia associated with mutations in multiple tubulin genes. Oegema R, Cushion TD, Phelps IG, Chung SK, Dempsey JC, Collins S, Mullins JG, Dudding T, Gill H, Green AJ, Dobyns WB, Ishak GE, Rees MI, Doherty D. Hum Mol Genet. 2015;24:5313-25
2. Epilepsy in Tubulinopathy: Personal Series and Literature Review. Romaniello R, Zucca C, Arrigoni F, Bonanni P, Panzeri E, Bassi MT, Borgatti R. Cells. 2019;8: 7
3. The mutational and phenotypic spectrum of TUBA1A-associated tubulinopathy. Hebebrand M, Hüffmeier U, Trollmann R, Hehr U, Uebe S, Ekici AB, Kraus C, Krumbiegel M, Reis A, Thiel CT, Popp B. Orphanet J Rare Dis. 2019;14:38

 

Laatst bijgewerkt: 9 februari 2020

 

Auteur: JH Schieving

 

 

 

 

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.