A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Kabuki syndroom

 

Wat is het Kabuki syndroom?

Het Kabuki syndroom is een erfelijke aandoening waarbij kinderen typische uiterlijke kenmerken hebben in combinatie met een ontwikkelingsachterstand, kleine lengte en vaak ook epilepsie.

 

Hoe wordt het Kabuki syndroom ook wel genoemd?

Het Kabuki syndroom is genoemd naar Japanse theaterspelers vanwege de opvallende ogen die kinderen met dit syndroom hebben en die deze Japanse theaterspelers ook hebben. Zelden wordt gesproken van het Niikawa-Kuroki syndroom, genoemd naar de twee artsen die dit syndroom voor het eerst beschreven hebben.

Er zijn inmiddels twee foutjes in het erfelijk materiaal bekend die beiden het Kabuki syndroom kunnen veroorzaken. Daarom wordt wel onderscheid gemaakt tussen het Kabuki 1 syndroom veroorzaakt door het ene foutje en het Kabuki 2 syndroom veroorzaakt door het andere foutje.

 

Hoe vaak komt het Kabuki syndroom voor bij kinderen?

Het is niet goed bekend hoe vaak het Kabuki syndroom bij kinderen voorkomt. Het is een zeldzame aandoening, geschat wordt dat het bij één op de 30.000 kinderen voorkomt. Waarschijnlijk is ook bij lang niet alle kinderen de diagnose gesteld.

 

Bij wie komt het Kabuki syndroom voor?

Het Kabuki syndroom is al vanaf de geboorte aanwezig. Vaak wordt ook al kort na de geboorte duidelijk dat er sprake is van een syndroom. Het kan wel enige tijd duren voordat de juiste diagnose wordt gesteld.
Zowel jongens als meisjes kunnen het Kabuki syndroom krijgen.

 

Wat is de oorzaak van het Kabuki syndroom?

Fout in het erfelijk materiaal

Het Kabuki syndroom wordt veroorzaakt door een fout in het erfelijk materiaal. Er zijn tot nu toe twee foutjes bekend in het erfelijk materiaal die beide kunnen zorgen voor het ontstaan van het Kabuki syndroom.
Een deel (40-80%)van de kinderen heeft een verandering in het erfelijk materiaal op de plaats van het MLL2-gen op chromosoom 12. Het Kabuki syndroom veroorzaakt door een foutje in het MLL2-gen wordt ook wel het Kabuki syndroom type 1 genoemd.
Een ander deel van de kinderen heeft een foutje in het KDM6A-gen op het zogenaamde X-chromosoom. Dit gen is nog maar kort geleden ontdekt. Het Kabuki-syndroom veroorzaakt door een foutje in dit gen wordt ook wel Kabuki syndroom type 2 genoemd. Omdat dit gen nog maar kort geleden ontdekt is, is niet bekend hoe vaak een foutje in dit gen gevonden wordt bij kinderen met het Kabuki syndroom.

Bij het kind zelf ontstaan

Bij de meeste kinderen is de fout in het erfelijk materiaal bij het kind zelf ontstaan en niet overgeërfd van een van de ouders. In uitzonderingsgevallen is dat wel het geval. Vaak heeft deze ouder dan een milde vorm van het Kabuki syndroom.

Autosomaal dominant

De fout in het erfelijk materiaal van het MLL2-gen is een zogenaamd autosomaal dominante fout. Dit houdt in dat één fout op een van de twee chromosomen al voldoende is om symptomen te krijgen van het Kabuki syndroom. Dit in tegenstelling tot een autosomaal recessieve aandoening waarbij iemand past symptomen krijgt wanneer beide chromosomen op dezelfde plek een fout bevatten.

De fout in het erfelijk materiaal van het K6DMA-gen ligt op het X-chromosoom. Ook hier geldt dat een foutje in een X-chromosoom al voldoende is om het Kabuki syndroom te kunnen krijgen. Daarom wordt dit foutje X-dominant genoemd. Dit maakt ook dat zowel jongens als meisjes dit syndroom kunnen krijgen. Jongens hebben namelijk één X-chromosoom, meisjes hebben er twee. Vaak is het zo dat alleen jongens last hebben van aandoeningen die veroorzaakt worden door een foutje op het X-chromosoom. Meisjes hebben een tweede X-chromosoom wat kan compenseren voor de fout op het andere X-chromosoom. Voor het Kabuki-syndroom geldt dit dus niet. Het is niet goed bekend of het wel zo is dat meisjes minder klachten hebben dan jongens omdat zij nog een X-chromosoom zonder fout hebben.

Afwijkend eiwit

Als gevolg van de verandering in het erfelijk materiaal van het MLL2-gen wordt een bepaald eiwit niet goed aangemaakt. Dit eiwit speelt een belangrijke rol bij het beschermen van ons erfelijk materiaal. Hoe een tekort aan dit eiwit tot de symptomen van het Kabuki syndroom leidt is niet precies bekend.

 

Wat zijn de symptomen van het Kabuki syndroom?

Variatie

Er bestaat een grote variatie in hoeveelheid en in ernst van de symptomen die verschillende kinderen met het Kabuki syndroom hebben. Geen kind zal alle onderstaande symptomen hebben.

Veel afvallen na de geboorte

Kinderen met het Kabuki syndroom houden als baby vaak vocht vast. Dit vocht verliezen ze na de geboorte waardoor ze vaak meer afvallen dan mag (meer dan 10% van het geboortegewicht) in de eerste dagen na de geboorte.

Lage suikerwaardes in het bloed

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben als baby gemakkelijk een te lage suikerwaarde in het bloed. Het goed regelen van deze suikerwaardes blijkt lastiger te zijn voor baby’s met het Kabuki syndroom.

Geel zien

Veel baby’s met het Kabuki syndroom zien geel na de geboorte. Nu komt geelzien regelmatig voor bij pasgeborenen maar bij kinderen met het Kabuki syndroom houdt dit langer aan dan gebruikelijk.

Lage spierspanning

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben een lage spanning in hun spieren. Ze voelen daarom slapper aan en moeten goed gesteund worden wanneer ze opgetild worden. Door de slappere spieren is het moeilijk om het hoofdje op te tillen en verloopt de ontwikkeling van kinderen met het Kabuki syndroom ook langzamer. Ook kunnen de gewrichten gemakkelijk overstrekt worden door de lagere spierspanning. Veel kinderen hebben platvoetjes.

Ontwikkelingsachterstand

Kinderen met het Kabuki syndroom ontwikkelen zich langzamer dan hun leeftijdsgenoten. Ze gaat later rollen, zitten, staan en lopen. Een deel van de kinderen leert wel lopen, een ander deel van de kinderen niet.

Problemen met praten
Ook het praten verloopt bij kinderen met het Kabuki syndroom trager. Een deel van de kinderen leert wel praten, vaak in eenvoudige zinnen. Voor andere kinderen blijft praten erg moeilijk. Vaak begrijpen wel redelijk goed wat tegen heb gezegd wordt, veel meer dan ze zelf in staat zijn om te zeggen. De kinderen die wel praten, praten vaak met een nasale klank. Dit heeft te maken met de afwijkende vorm van het gehemelte en het al dan niet voorkomen van een gedeeltelijke gehemeltespleet. Hierdoor kan de neusholte tijdens het praten niet goed worden afgesloten waardoor er lucht uit de neus ontsnapt.

Problemen met eten

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben vaak problemen met drinken, kauwen en slikken. Soms gaat het eten en drinken zo moeizaam, dat kinderen hierdoor slecht groeien en licht van gewicht blijven. Op oudere leeftijd kunnen kinderen juist te veel gaan eten, de rem op het eten ontbreekt dan.

Reflux

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben vaker last van het terugstromen van voeding vanuit de maag naar de slokdarm. Dit wordt reflux genoemd. Omdat de maaginhoud zuur is, komt het zuur zo ook in de slokdarm, soms zelfs ook in de mond. Dit zuur kan zorgen voor pijnklachten, waardoor kinderen moeten huilen en soms ook niet willen eten. Ook kan het maken dat kinderen moeten spugen.

Kwijlen

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben gemakkelijk last van kwijlen. Dit komt door slapheid van de spieren in het gezicht en rondom de mond en door problemen met slikken.

Verstopping van de darmen

Kinderen met het Kabuki syndroom krijgen gemakkelijk last van verstopping van de darmen. De ontlasting komt maar moeizaam uit de darmen. Dit kan zorgen voor buikpijnklachten, slecht eten en spugen. Een klein deel van de kinderen heeft juist last van diarree.

Epilepsie

Een groot deel van de kinderen met het Kabuki syndroom krijgt last van epilepsie aanvallen. Verschillende type epilepsie aanvallen kunnen voorkomen.

Vatbaar voor infecties

Kinderen met het Kabuki syndroom zijn op jonge leeftijd vatbaar voor het krijgen van infecties. Regelmatig komen oorontsteking of infecties van de luchtwegen voor. Met het ouder worden, worden de infecties minder frequent.

Problemen met zien

Een deel van de kinderen met het Kabuki syndroom is slechtziend. Scheelzien komt regelmatig voor. Ook kunnen door het omgedraaid oogslijmvlies gemakkelijker infecties van het oog voorkomen. Bij sommige kinderen maken de ogen schokkende bewegingen zonder dat kinderen daar zelf last van hebben. Een deel van de kinderen heeft een gespleten iris, dit wordt een coloboom genoemd. Het oogwit heeft bij een deel van de kinderen een blauwachtige kleur. Sommige kinderen hebben last van hangende oogleden.

Problemen met horen

Een groot deel van de kinderen met het Kabuki syndroom heeft last van slechthorendheid of doofheid. Ook zijn kinderen gevoelig voor het krijgen voor oorinfecties.

Kleiner hoofdje

Het hoofdje groeit vaak minder goed bij kinderen met het Kabuki syndroom. Daardoor is hun hoofdje kleiner dan gebruikelijk.

Kleine lengte

Veel kinderen met het Kabuki syndroom zijn kleiner van lengte dan hun leeftijdsgenoten. Dit gaat vaak in de loop van het eerste levensjaar opvallen. Als pasgeboren baby valt dit nog helemaal niet op.

Typisch uiterlijk

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben vaak een typisch uiterlijk. Ze hebben vaak een kleinere hoofdomvang. De ogen zijn vaak mooi groot en lang en zijn opvallend doordat ze lange dikke wimpers hebben. De wenkbrauwen zijn vaak mooi rond van vorm. Aan de kant van de neus kunnen de wenkbrauwen dunner worden en minder haartjes bevatten. Bij een deel van de kinderen is het onderste ooglid aan de kant van de neus wat naar buiten toe geklapt waardoor de rode kleur van het oogslijmvlies goed zichtbaar is. Ook heeft het oogwit bij een deel van de kinderen een wat blauwige kleur. De neuspunt is meestal plat, de afstand tussen de neus en de bovenlip klein. De onderlip is vaak dikker dan de bovenlip. In de onderlip kan een putje zitten. De tanden staan vaak verder uit elkaar dan gebruikelijk. Soms komen bepaalde tanden of kiezen niet door. Ook kunnen de tanden een afwijkende vorm hebben. Vaak zijn de oren groot en staan ze wat lager op het hoofd dan gebruikelijk en staan ze af van het hoofd. De oren hebben weinig windingen, in het oorlelletje zit soms een putje. Vaak zijn de handjes klein, de duim staat laag op de hand, de pink is vaak extra kort en is vaak krom. Op de vingertopjes zitten kussentjes. De nagels kunnen gemakkelijk afbreken. Dit geldt ook voor de haren op het hoofd.

Gespleten gehemelte

Een deel van de kinderen met het Kabuki syndroom heeft een gespleten gehemelte. Soms is het gehemelte alleen maar hoger dan gebruikelijk.

Scoliose

Een deel van de kinderen krijgt last van een zijwaartse verkromming van de wervelkolom. Dit wordt een scoliose genoemd. Dit komt omdat de wervels niet goed aangelegd zijn, er kunnen stukjes van deze wervels ontbreken. Een scoliose kan zorgen voor problemen met zitten, staan en bewegen.

Heup uit de kom

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben gemakkelijker last van een heup die uit de kom gaat. Dit kan zorgen voor pijnklachten en voor problemen met lopen.
Ook andere gewrichten kunnen gemakkelijker uit de kom gaan zoals een schoudergewricht, een ellebooggewricht of de knieschijf. Dit heeft te maken met de lagere spierspanning die kinderen met het Kabuki syndroom hebben.

Liesbreuk en navelbreuk

Een liesbreuk of een navelbreuk worden vaker gezien bij kinderen met het Kabuki syndroom. Het komt ongeveer bij een op de tien kinderen met het Kabuki syndroom voor.

Aangeboren hartafwijking

Een op de drie kinderen met het Kabuki syndroom heeft een aangeboren hartafwijking. Vaak gaat het om een gaatje tussen de beide boezems of beide kamers van het hart, dit wordt een ASD of een VSD genoemd. Soms is er een probleem met de aanleg van de linkerhartkamer.

Afwijking aan de nieren en de plasbuis

Een op de vier kinderen heeft afwijkingen aan de nieren of aan de plasbuis. De nieren zijn onderontwikkeld of liggen op een verkeerde plek, zijn aan elkaar gegroeid (hoefijzernier) of er zijn twee urineleiders vanuit elke nier. Soms is er te veel vocht in de nieren aanwezig (hydronefrose) of stroomt de urine vanuit de plasbuis terug naar de nieren. Dit kan zorgen voor urineweginfecties en blaasontstekingen. Bij een op de vier jongentjes zijn de zaadballetjes niet goed ingedaald zijn. Soms eindigt de plasbuis bij jongens niet op de top van de piemel, maar meer aan de onder- of bovenkant. Dit wordt een hypospadie genoemd.

Vervroegde puberteit

Een klein deel van de kinderen komt vervroegd in de puberteit.

Aangeboren afwijking aan de galwegen

Bij een klein deel van de kinderen komt een aangeboren aanlegstoornis van de galwegen voor. De afvoer van de galblaas is dan niet goed aangelegd.

Aangeboren afwijking van de darmen

Bij een deel van de kinderen zijn de darmen niet goed aangelegd. De darmen liggen gedraaid (malrotatie), Ook kan de uitgang van de dikke darm niet goed aangelegd zijn. Een niet goed aangelegd middenrif komt ook bij een klein deel van de kinderen voor. (Hernia diafragmatica genoemd)

Huidafwijkingen

Een deel van de kinderen heeft ontkleurde plekken op de huid of juist licht bruin gekleurde plekken. Kinderen hebben een vergrote kans om op jonge leeftijd last te hebben van kale plekken op de hoofdhuid. De haren breken gemakkelijker af dan gebruikelijk.

Overgevoelig voor prikkels

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben vaak moeite om alle prikkels die op hen af komen te verwerken. Ze kunnen gemakkelijk overprikkeld raken.

Autistische kenmerken

Een deel van de kinderen met het Kabuki heeft autistiforme kenmerken. Vaak vinden kinderen het moeilijk om oogcontact te maken met andere mensen. Toch houden kinderen met het Kabuki syndroom vaak wel van contact met andere mensen en zijn ze graag in gezelschap van andere mensen.

Problemen met slapen

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben vaker problemen met slapen. Het kan gaan om problemen met inslaapvallen, met vaak wakker worden of met vroeg wakker worden. Door een infectie of door epilepsie aanvallen kunnen de problemen met slapen verergeren. Veel kinderen slapen met hun ogen open.

Auto-immuunziektes

Kinderen met het Kabuki syndroom blijken een grotere kans te hebben op het ontwikkelen van allerlei auto-immuunziektes. Dit zijn ziektes waarbij het afweersysteem van het lichaam overactief wordt en lichaamseigen weefsel gaat aanvallen. Zo hebben volwassen met dit syndroom een verhoogde kans op het krijgen van suikerziekte (diabetes mellitus). Ook bestaat er een licht verhoogde kans op het krijgen van de auto-immuunziekte coeliakie.

 

Hoe wordt de diagnose Kabuki syndroom gesteld?

Verhaal en onderzoek

Op grond van het verhaal van een kind met een ontwikkelingsachterstand, lage spierspanning, epilepsie en het omgeklapte onderooglid kan het Kabuki syndroom worden vermoed. Er bestaan echter zeer veel verschillende syndromen die allemaal soortgelijke symptomen kunnen geven. Het omgeklapte onderooglid is wel heel kenmerken voor het Kabuki syndroom, maar is lang niet bij alle kinderen aanwezig.
Syndromen die veel kunnen lijken op het Kabuki syndroom zijn het velocardiofaciaal syndroom en het CHARGE syndroom.

Bloedonderzoek

Oriënterend bloedonderzoek laat bij kinderen met het Kabuki syndroom geen bijzonderheden zien. Een deel van de kinderen heeft een tekort aan groeihormoon in het bloed.

Genetisch onderzoek

Wanneer aan de diagnose gedacht wordt, kan door middel van genetisch onderzoek de diagnose gesteld worden.

MRI van de hersenen

Wanneer de diagnose nog niet bekend is, zal bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand vaak een MRI scan gemaakt worden om te kijken of er bijzonderheden aan de hersenen te zien zijn. Vaak worden op deze MRI scan wel afwijkingen gezien, maar deze afwijkingen worden bij veel kinderen met een syndroom gezien en zijn niet kenmerkend voor het Kabuki syndroom. Afwijkingen die vaker gezien worden zijn wijdere holtes in de hersenen dan gebruikelijk, een kleiner hersenvolume dan gebruikelijk, een andere aanleg van de buitenkant van hersenen of cystes in de hersenen.

EEG

Kinderen met epilepsie-aanvallen zullen een EEG krijgen om te kijken of er sprake is van epileptische activiteit in de hersenen. Dit wordt regelmatig gezien bij kinderen met het Kabuki syndroom. De afwijkingen die gezien worden zijn niet specifiek voor het Kabuki syndroom, maar kunnen bij veel verschillende syndromen worden gezien.

KNO-arts

Kinderen met het Kabuki syndroom worden vaak gezien door de KNO-arts. Dit is aan de ene kant vanwege de terugkerende oorinfecties en aan de andere kant om te kijken of er sprake is van slechthorendheid wat vaak voorkomt bij kinderen met het Kabuki syndroom. Een deel van de kinderen krijgt van de KNO-arts trommelvliesbuisjes om zo minder snel last te hebben van middenoorontstekingen.

Schisisteam

Kinderen met een schisis worden vaak vervolgd door een schisisteam.

Oogarts

Kinderen met het Kabuki syndroom worden ook altijd een keer gezien door de oogarts om te kijken of er problemen zijn met zien.

Foto van het bekken

Kinderen met het Kabuki syndroom hebben een vergrote kans om de heup uit de kom te hebben. Met behulp van een röntgenfoto van het bekken kan bekeken worden of hier sprake van is.

ECHO van de buik

Kinderen met het Kabuki syndroom krijgen meestal een keer een ECHO van de buik om te kijken of er aangeboren afwijkingen zijn van de nieren.

Kindercardioloog

Kinderen met het Kabuki syndroom worden meestal een keer door de kindercardioloog gezien om te kijken of er sprake is van een aangeboren hartafwijking wat bij een op de drie kinderen voorkomt. Afhankelijk van het type hartafwijking zal bekeken moeten worden of hiervoor een behandeling nodig is.

Kinderuroloog

Kinderen met afwijking aan de nieren of plasbuis worden meestal gezien door de kinderuroloog die kan bekijken of hiervoor een behandeling nodig is.

 

Hoe worden kinderen met het Kabuki syndroom behandeld ?

Omgaan met de gevolgen

Er bestaat geen behandeling die het Kabuki syndroom kan genezen. De behandeling is er op gericht om kinderen en hun ouders zo goed mogelijk te leren omgaan met de gevolgen van het hebben van het Kabuki syndroom.

Epilepsie

Er bestaan verschillende soorten medicijnen die er voor kunnen zorgen dat kinderen met het Kabuki syndroom minder last hebben van epilepsie aanvallen. Er bestaat geen duidelijk voorkeursmedicijn.

Kinderfysiotherapie

Een fysiotherapeut kan ouders tips en adviezen geven hoe ze hun kindje zo goed mogelijk kunnen stimuleren om er voor te zorgen dat de ontwikkeling zo optimaal als mogelijk verloopt.

Kinderlogopedie

Een logopediste kan tips en adviezen geven indien er problemen zijn met zuigen, drinken, kauwen of slikken. Ook kan de logopediste helpen om de spraakontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Praten kan ook ondersteund worden door middel van gebaren of pictogrammen.

Reflux

Reflux kan er ook voor zorgen dat kinderen slecht eten. Door de voeding in te dikken met johannesbroodpitmeel kan de voeding minder gemakkelijk terug stromen van de maag naar de slokdarm. Ook zijn er medicijnen die de maaginhoud minder zuur kunnen maken waardoor de slokdarm minder geprikkeld wordt bij terugstromen van de maaginhoud. Medicijnen die hiervoor gebruikt worden zijn ranitidine en omeprazol, soms esomeprazol. Indien dit allemaal niet voldoende is, kan een operatie nodig zijn waarbij de overgang van de slokdarm naar de maag nauwer wordt gemaakt, waardoor de voeding ook minder gemakkelijk terug kan stromen.

Verstopping van de darmen

Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt.

Sondevoeding

Een deel van de kinderen eet zelf onvoldoende om goed te kunnen groeien. Zij hebben daarom (aanvullende) sondevoeding nodig. Dit kan via een slangetje via de neus naar de maag toe. Wanneer langere tijd een sonde nodig is, dan wordt er vaak voor gekozen om het slangetje via de huid rechtstreeks naar de maag te laten lopen. Dit wordt een PEG-sonde genoemd. Later kan deze vervangen worden door een zogenaamde mickeybutton.

Kwijlen

Er bestaan medicijnen die het kwijlen minder kunnen maken. Het meest gebruikte medicijn hierdoor is glycopyrhonium. Ook kan een behandeling van de speekselklieren door middel van botox of door middel van een operatie er voor zorgen dat kinderen minder kwijlen.

Ergotherapie

Een ergotherapeut kan tips en adviezen geven hoe de verzorging en de dagelijks activiteiten van een kind zo soepel mogelijk kunnen verlopen. De ergotherapeut kan ook advies geven over hulpmiddelen.

Revalidatiearts

Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën en adviseert ook over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een aangepaste buggy of een rolstoel.
Ook is het mogelijk via een revalidatie centrum naar een aangepaste peutergroep te gaan en daar ook therapie te krijgen en later op dezelfde manier onderwijs te gaan volgen.

School

De meeste kinderen met het Kabuki syndroom volgen speciaal onderwijs. In het speciaal onderwijs zijn de klassen kleiner en kan het lesprogramma meer afgestemd worden op de mogelijkheden van het kind.

Antibiotica

Een deel van de kinderen die vaak terugkerende infecties heeft, heeft baat bij een lage dosering antibiotica om nieuwe infecties te voorkomen. Per kind moeten de voordelen van het geven van de antibiotica worden afgewogen tegen de nadelen ervan (antibiotica doden ook nuttige bacteriën in de darmen).

Gehoorapparaatjes

Een deel van de kinderen met slechthorendheid kan baat hebben bij gehoorapparaatjes om beter te kunnen horen.

Tandarts

Kinderen met het Kabuki syndroom worden vaak extra gecontroleerd door de tandarts. Er bestaan speciale tandartsen die zich gespecialiseerd hebben in de tandheelkundige zorg van kinderen met een ontwikkelingsachterstand omdat dit vaak speciale aanpak en extra tijd vraagt.

Immunoloog

Wanneer kinderen vaak last hebben van infecties, dan kan het zinvol zijn om de immunoloog mee te laten kijken of er een verstoorde functie is van de afweer.

Orthopeed

Een zijwaartse verkromming van de rug of een heup die uit de kom is wordt meestal behandeld door de orthopeed. Soms is een gipscorset nodig, soms een operatie.

Begeleiding

Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze ziekte een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven.

Contact met andere ouders

Door middel van een oproepje op het forum van deze site kunt u in contact komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met het Kabuki syndroom.

 

Wat betekent het hebben van het Kabuki syndroom voor de toekomst?

Blijvende beperking

De meeste kinderen houden last van beperkingen in het dagelijks leven als gevolg van het hebben van het Kabuki syndroom.

Levensverwachting

Kinderen met het Kabuki syndroom lijken een normale levensverwachting te hebben.

Overgewicht

Een deel van de kinderen krijgt op volwassen leeftijd juist last van overgewicht.

Kinderen

Wanneer kinderen met het Kabuki syndroom op latere leeftijd zelf kinderen willen krijgen, dan hebben deze kinderen 50% kans om zelf ook het Kabuki syndroom te krijgen.

 

Hebben broertjes en zusjes een verhoogde kans om ook het Kabuki syndroom te krijgen?

Bij de meeste kinderen is de fout in het erfelijk materiaal bij het kind zelf ontstaan en niet overgeërfd van de vader of van de moeder. Broertjes en zusjes hebben dan nauwelijks een verhoogde kans om zelf het Kabuki syndroom te krijgen.
Een enkele keer is het foutje wel overgeërfd van de vader of van de moeder, die dan zelf ook een milde vorm van het Kabuki syndroom heeft.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek

Wanneer bekend is welk foutje in een familie heeft gezorgd voor het ontstaan van het Kabuki syndroom, dan is het mogelijk om tijdens een zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten.

 

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

 

Links
www.kabukisyndroom.nl
(Netwerk Kabuki syndroom)

Referenties
1. Congenital heart defects in Kabuki syndrome. Yuan SM. Cardiol J. 2013;20:121-4
2. Unmasking Kabuki syndrome. Bögershausen N, Wollnik B. Clin Genet. 2013;83:201-11
3. KDM6A point mutations cause Kabuki syndrome. Miyake N, Mizuno S, Okamoto N, Ohashi H, Shiina M, Ogata K, Tsurusaki Y, Nakashima M, Saitsu H, Niikawa N, Matsumoto N. Hum Mutat. 2013 34:108-10

Laatst bijgewerkt: 4juli 2013

Auteur: JH Schieving

 

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.