A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Het ARHGEF9-syndroom

 

Wat is het ARHGEF9-syndroom?
Het ARHGEF9 syndroom is een aandoening waarbij jongens meer dan meisjes een achterstand hebben in hun ontwikkeling al dan niet in combinatie met epilepsie.

Hoe wordt het ARHGEF9 syndroom ook wel genoemd?
ARHGEF9 is de plaats waar in het erfelijk materiaal een foutje zit bij kinderen met dit syndroom. Vroeger kregen syndromen vaak de naam van een dokter de dit syndroom voor het eerst beschreven had, lange tijd gebeurde dat niet meer, maar tegenwoordig weer wel omdat een naam als ARHGEF9-syndroom een niet uitspreekbare naam is. Het ARHGEF9-syndroom heeft nog geen andere naam gekregen op dit moment.

EIEE8
Toen deze aandoening net ontdekt werd in 2004 heeft deze aandoening de naam EIEE8 gekregen. EIEE is een afkorting voor de Engelse woorden Early Infantile Epileptic Encephalopathy. Het woord early infantile geeft aan dat de eerste klachten als gevolg van dit syndroom ontstaan op de babyleeftijd. Het woord epileptic verwijst naar het voorkomen van epilepsie. Het woord encefalopathy naar het niet goed functioneren van de hersenen als oorzaak en als gevolg van de epilepsie. Er bestaan veel verschillende vormen van EIEE. Dit type is als 8e type beschreven vandaar de naam EIEE53-syndroom. Inmiddels zijn er ook kinderen bekend die een ontwikkelingsachterstand hebben zonder dat zij ooit last hebben gekregen van epilepsie aanvallen. Daarom is deze naam niet geschikt voor alle kinderen met dit syndroom.

Xq11.1-11.2 deletie syndroom
Er is ook een groep kinderen die een klein stukje van het X-chromosoom mist. Het stukje wat mist wordt q11.1 en q11.2 genoemd. Op dit stukje erfelijke informatie ligt het ARHGEF9-gen. Daarnaast liggen er ook andere stukjes informatie op dit stukje van het X-chromosoom die kinderen ook missen. Daarom kunnen kinderen met het Xq11.1-11.2 deletie syndroom meer symptomen dan kinderen met het ARHGEF9-syndroom.

XLID
Het ARHGEF9-syndroom behoort tot een groep aandoeningen die XLID wordt genoemd. XLID staat voor X-linked intellectual disability. X-linked geeft aan dat er bij deze kinderen sprake is van een foutje op het zogenaamde X-chromosoom. Het woord intellectual disability is het Engelse woord voor een ontwikkelingsachterstand.

Hoe vaak komt het ARHGEF9-syndroom voor?
Het ARHGEF9-syndroom is een zeldzame ziekte. Het is niet precies bekend hoe vaak het ARHGEF9-syndroom voorkomt. Deze aandoening is sinds 2004 bekend als aandoening, inmiddels zijn er meerdere kinderen, maar ook volwassenen met dit syndroom ontdekt. Waarschijnlijk is bij een deel van de kinderen die ARHGEF9-syndroom heeft, de juiste diagnose ook niet gesteld, omdat het syndroom niet herkend is.
Door nieuwe genetische technieken zoals exome sequencing zal deze diagnose waarschijnlijk vaker gesteld gaan worden bij kinderen en volwassenen met dit syndroom. Dan zal ook pas duidelijk worden hoe vaak dit syndroom nu werkelijk voorkomt.

Bij wie komt het ARHGEF9 syndroom voor?
Het ARHGEF9 syndroom komt vooral bij jongens voor. Dit komt omdat jongens maar één X-chromosoom hebben. Als dit X-chromosoom een afwijking bevat, dan heeft deze jongen het ARHGEF9 syndroom. Meisjes hebben twee X-chromosomen. Wanneer één van deze X-chromosomen afwijkend is, kunnen meisjes wel enkele kenmerken van het ARHGEF9-syndroom krijgen. Vaak zijn de symptomen veel milr omdat meisjes ook nog een normaal X-chromosoom hebben wat voor een deel kan compenseren. Dit is echter niet altijd het geval, er zijn ook meisjes bekend die evenveel klachten hebben als jongend met dit syndroom.
Het ARHGEF9 syndroom is al voorde geboorte aanwezig, maar vaak duurt het wel enige tijd voordat deze diagnose gesteld wordt. Meestal wordt tijdens het eerste of het tweede jaar duidelijk dat de ontwikkeling van kinderen met dit syndroom anders verloopt dan van andere kinderen.

Wat is de oorzaak van het ARHGEF9 syndroom?
Fout in het erfelijk materiaal
Het ARHGEF9 syndroom wordt veroorzaakt door een foutje op een stukje materiaal op het
X-chromosoom. Om nog preciezer te zijn op het stukje van het X-chromosoom wat Xq11.1 wordt genoemd.
De plaats van dit foutje wordt het ARHGEF9-gen genoemd.

Afwijking op het X-chromosoom.
Ieder mens heeft 22 paar chromosomen en twee zogenaamde geslachtschromosomen.
Er bestaan twee typen geslachtschromosomen, een X en een Y chromosoom. Meisjes hebben normaal gesproken twee X-chromosomen, jongens hebben een X en een Y-chromosoom.
Het ARHGEF9-syndroom wordt veroorzaakt door een fout op het X-chromosoom. Jongens hebben maar één X-chromosoom, een fout op het X-chromosoom in het ARHGEF9-gen betekent dat zij de klachten zullen krijgen van het ARHGEF9 syndroom.
Meisjes met het ARHGEF9 syndroom hebben vaak één afwijkend X-chromosoom en een normaal X-chromosoom. Dit maakt dat zij helemaal geen of veel minder en minder ernstige klachten hebben in vergelijking met jongens.

 

Scheve X-inactivatie
Meisjes hebben 2 X-chromosomen. In elke cel wordt maar een X-chromosoom gebruikt om af te lezen. Het andere X-chromosoom wordt actief gemaakt. Normaal gesproken is in 50% van de cellen het ene X-chromosoom actief en in de andere 50% van de cellen het ander X-chromosoom. Wanneer een van beide X-chromosomen een foutje bevat, dan zal dit X-chromosoom vaker uitgeschakeld worden. In de meeste cellen is het dan normale X-chromosoom actief. Kinderen waarbij in 90% van de cellen het normale X-chromosoom actief is en in 10% van de cellen het afwijkende X-chromosoom zullen nauwelijks klachten hebben als gevolg van het hebben van een foutje in het X-chromosoom in het ARHGEF9-gen. Dit wordt scheve X-inactivatie genoemd.
Bij een deel van de meisjes wordt wel in 50% van de cellen het X-chromosoom met het foutje afgelezen. Deze meisjes zullen dan wel dus wel klachten hebben als gevolg van het hebben van een foutje in het ARHGEF9-gen. Het is mogelijk te onderzoeken hoe de verhouding is tussen cellen waarbij het normale X-chromosoom wordt afgelezen en cellen waarbij het X-chromosoom met de fout wordt afgelezen.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij een deel van de kinderen is het foutje in het ARHGEF9-gen bij het kind zelf ontstaan na de bevruchting van de eicel door de zaadcel en niet overgeërfd van een van de ouders. Dit wordt ook wel “de novo” genoemd wordt nieuw betekend.

Geërfd van een ouder
Een ander deel van de kinderen heeft het foutje geërfd van een van de ouders. Meestal van de moeder, omdat vrouwen geen of weinig last hebben van dit foutje op het X-chromosoom. Vaak wist de moeder zelf niet dat zij dit foutje had op het X-chromosoom.

Afwijkend eiwit
Als gevolg van het foutje in het erfelijk materiaal wordt een bepaald eiwit met de ingewikkelde naam Rho Guanine Nucleotide Exchange factor 9 (afgekort als ARHGEF9) niet goed aangemaakt. Dit eiwit speelt een belangrijke rol bij de aanleg van zogenaamde glycine en GABA receptoren op de hersencellen. Hersencellen “praten” met elkaar door middel van boodschapper stofjes. Het boodschapper stofje bindt aan een receptor (ontvangststation) en geeft op die manier een signaal door aan de volgende zenuw. Glycine en GABA zijn belangrijke boodschapperstofjes in de hersenen. Zij spelen op verschillende plaatsen in de hersenen een belangrijke rol. Glycine en GABA brengen de hersenen tot rust. Wanneer het foutje in het DNA er voor zorgt dat de boodschapperstofjes niet op een receptor terecht kunnen, dan kunnen deze boodschapperstofjes de hersenen niet tot rust brengen. Dit verstoort de aanleg van de hersenen. Ook kan hierdoor bijvoorbeeld gemakkelijker epilepsie ontstaan.

Wat zijn de symptomen van het ARHGEF9-syndroom?
Variatie in ernst
Er bestaat een grote variatie in de hoeveelheid en de ernst van de symptomen die kinderen met het ARHGEF9-syndroom hebben. Jongens hebben meestal meer klachten dan meisjes zoals hier boven uitgelegd is, dit is echter niet altijd het geval.
Geen kind heeft alle onderstaande symptomen tegelijkertijd. Hieronder staat weer gegeven welke symptomen zouden kunnen voorkomen.

Lage spierspanning
Jonge kinderen met het ARHGEF9-syndroom hebben vaak een lage spierspanning waardoor ze slapper aanvoelen. Baby’s moeten goed vastgehouden en ondersteund worden wanneer ze worden opgetild. Gewrichtjes kunnen gemakkelijk overstrekt worden. Door de lagere spierspanning is het voor kinderen lastig om hun hoofd op te tillen. Dit is een van de redenen waarom het langer duurt voordat kinderen goed kunnen rollen, zitten en staan.

Epilepsie
Een groot deel van de kinderen met het ARHGEF9-syndroom heeft epilepsie. De epilepsie kan op verschillende leeftijden ontstaan. Bij een deel van de kinderen ontstaat de epilepsie al in de eerste levensmaanden. Er kan dan sprake zijn van een zogenaamde epilepsiesyndroom zoals het syndroom van Otahara of het syndroom van West. Epilepsie kan na de eerste levensmaanden ontstaan. Verschillende soorten aanvallen kunnen voorkomen zoals aanvallen met verstijven van de armen en benen (tonische aanvallen), aanvallen met schokken in de armen en benen (clonische aanvallen), aanvallen waarbij de armen en benen verslappen (atone aanvallen), aanvallen met kleine schokjes in het lichaam (myoclonieën), aanvallen met schokken of verstijven van een arm of been (focale aanvallen) of aanvallen met staren en niet reageren (focale aanvallen met verlaagd bewustzijn). Een kind kan verschillende soorten aanvallen hebben. Koortsstuipen komen vaker voor bij kinderen met het het ARHGEF9-syndroom.

Ontwikkelingsachterstand
Kinderen met het ARHGEF9-syndroom ontwikkelen zich langzamer dan hun leeftijdsgenoten. Ze gaan later rollen, zitten en staan dan hun leeftijdsgenoten. Een deel van de kinderen is in staat om zelfstandig te leren lopen, voor andere kinderen is dit te moeilijk om te leren. Bij kinderen die lopen gaat het lopen gaat vaak houterig. Kinderen kunnen gemakkelijk vallen. Het kost kinderen met dit syndroom vaak meer tijd om vaardigheden zoals knippen en schrijven onder de knie te krijgen. Kinderen met epilepsie hebben vaker een ernstiger achterstand in hun ontwikkeling dan kinderen zonder epilepsie.

Evenwichtsproblemen
Een deel van de kinderen heeft ook last van evenwichtsproblemen waardoor zij gemakkelijker vallen. Om dit te voorkomen zetten kinderen hun voeten verder uit elkaar, waardoor zij minder snel vallen. Kinderen kunnen last hebben van trillen van de handen, vooral wanneer zij een voorwerp willen pakken. Daardoor wordt het bijvoorbeeld moeilijker om te schrijven, een kopje naar de mond te brengen of knoopjes dicht te maken.
Deze evenwichtsproblemen worden door dokters ataxie genoemd.

Taalontwikkeling
Ook het leren praten, verloopt bij kinderen met het ARHGEF9-syndroom vaak langzamer dan bij anderen kinderen. De eerste woordjes en zinnetjes komen op latere leeftijd dan bij leeftijdsgenoten. Voor een deel van de kinderen is het te moeilijk om te leren praten.
Kinderen met dit syndroom hebben ook vaak een lagere spierspanning in het gezicht, waardoor ze de woorden en zinnen minder duidelijk uitspraken en voor onbekende soms moeilijker verstaanbaar zijn.

Problemen met leren
Kinderen met het ARHGEF9-syndroom hebben allemaal problemen met leren. Deze problemen met leren kunnen variëren van mild tot ernstig. Bij een groot deel van de jongens ligt het IQ onder de 50.  Kinderen met epilepsie hebben meer problemen met leren dan kinderen zonder epilepsie.

Aandachts- en concentratieproblemen
Problemen met de aandacht- en concentratie komen vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Vaak kunnen zijn kinderen snel afgeleid en vinden ze het moeilijk om lang stil te zitten en meteen een werkje bezig te zijn. Kinderen kunnen heel impulsief zijn, eerst doen en dan pas nadenken. Veel kinderen met het ARHGEF9-syndroom krijgen ook de diagnose ADHD.

Autistiforme kenmerken
Kinderen met het ARHGEF9-syndroom hebben vaker autistiforme kenmerken. Een deel van de kinderen is meer in zich zelf gekeerd en heeft niet zo’n behoefte aan contact met andere mensen. Het maken van oogcontact vinden kinderen vaak moeilijk.
Kinderen met autistiforme kenmerken houden vaak van een vaste voorspelbare structuur in de dag. Zij vinden het lastig wanneer hiervan wordt afgeweken. Ook onverwachte gebeurtenissen zijn moeilijk. Kinderen kunnen door onverwachte gebeurtenissen heel boos of juist heel verdrietig worden, omdat ze niet goed weten hoe ze hier mee om moeten gaan.
Ook hebben kinderen vaak voorkeur voor bepaald speelgoed of een bepaalde hobby waar ze zich heel lang mee kunnen vermaken.

Stereotypieën
Veel kinderen met dit syndroom maken graag bewegingen met hun armen en hun handen die vaak terug keren. Zulke bewegingen worden stereotypieën genoemd. Sommige kinderen gaan wapperen met hun handen, anderen maken draaiende bewegingen of wrijvende bewegingen over de borst heen. Deze bewegingen komen vaak voor wanneer kinderen iets heel leuks of iets spannends gaan doen.

Omgaan met emoties
Kinderen met het ARHGEF9-syndroom hebben vaak moeite in het omgaan met emoties. Ze vinden het moeilijk om aan te geven dat ze verdriet hebben en waarom ze verdrietig zijn
Ook vinden veel kinderen het moeilijk om met boosheid om te gaan. Kinderen kunnen ineens heel boos worden en vinden het moeilijk om dan weer kalm te worden.

Uiterlijk
Bij veel syndromen hebben kinderen vaak wat veranderde uiterlijke kenmerken. Hier hebben kinderen zelf geen last van, maar het kan de dokters helpen om te herkennen dat er sprake is van een syndroom en mogelijk ook van welk syndroom. Ook maakt dit vaak dat kinderen met hetzelfde syndroom vaak meer op elkaar lijken dan op hun eigen broertjes en zusjes, terwijl de kinderen toch niet familie van elkaar zijn.
Jongens met het ARHGEF9-syndroom hebben vaak een vlak gezicht. De oren zijn vaak wat groter en hebben grote oorlellen, de kin staat vaak wat naar voren toe. Bij sommige kinderen loopt in de hand een lijn dwars van de rechter naar de linkerkant, een zogenaamde viervingerhandlijn. Een deel van de kinderen heeft zogenaamde kussentjes (fetal pads) op de vingertoppen. Bij een deel van de kinderen staat het borstbeen wat naar binnen toe, dit wordt een pectus excavatum genoemd.

Lengte en gewicht
Een deel van de jongens met het ARHGEF9-syndroom is langer en zwaarder dan leeftijdsgenoten. Een klein deel van de jongens is juist kleiner dan leeftijdsgenoten en bij een ander deel is er geen verschil.

Hoofdgrootte
Kinderen met het ARHGEF9-syndroom hebben vaker een grotere hoofdomtrek dan gemiddeld. Meestal zit de hoofdomtrek boven in de curve, zonder dat het hoofd daadwerkelijk te groot is.

Problemen met slapen
Slaapproblemen komen vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Sommige kinderen hebben moeite met het inslapen. Een groot deel van de kinderen wordt ’s nachts regelmatig wakker en komt dan maar moeilijk weer in slaap. Ook zijn kinderen vaak vroeg in de ochtend wakker.
Bij een deel van de kinderen worden deze slaapproblemen veroorzaakt door epilepsie gedurende de nacht.

Hoge pijngrens
Kinderen met dit syndroom hebben vaker een hoge pijngrens. Ze reageren niet of nauwelijks wanneer kinderen zich toch echt duidelijk pijn gedaan hebben.

Kwijlen
Kinderen met het ARHGEF9-syndroom hebben gemakkelijk last van kwijlen. Dit komt door slapheid van de spieren in het gezicht en rondom de mond, waardoor het speeksel gemakkelijk uit de mond loopt.

Reflux
Kinderen met dit syndroom hebben vaak last van het terugstromen van voeding vanuit de maag naar de slokdarm. Dit wordt reflux genoemd. Omdat de maaginhoud zuur is, komt het zuur zo ook in de slokdarm, soms zelfs ook in de mond. Dit zuur kan zorgen voor pijnklachten, waardoor kinderen moeten huilen en soms ook niet willen eten. Ook kan het maken dat kinderen moeten spugen.
Door het zuur kan de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raken. Wanneer dit niet tijdige ontdekt en behandeld wordt, kan dit zorgen voor het spuug met daarin bloedsliertjes.

Verstopping
Verstopping van de darmen komt vaak voor bij kinderen met het ARHGEF9-syndroom De ontlasting komt dan niet elke dag en is vaak hard waardoor kinderen moeite hebben met poepen.

Zindelijkheid
De meeste kinderen met dit syndroom worden op latere leeftijd zindelijk dan gebruikelijk.

Zaadballen
Een deel van de jongens met dit syndroom heeft grote zaadballen. Dit wordt macro-orchisme genoemd. De balletjes kunnen niet goed ingedaald zijn.

Scoliose
Een deel van de kinderen met het ARHGEF9-syndroom krijgt een zijwaartse verkromming van de rug. Dit wordt een scoliose genoemd. Een scoliose kan zorgen voor problemen met zitten en staan en zorgen voor het ontstaan van rugklachten.

Gevoeligheid voor infecties
Kinderen met het ARHGEF9-syndroom zijn gevoeliger voor het krijgen van infecties. Vooral oorontstekingen en luchtweginfecties komen vaker voor.

Snelle ademhaling
Een klein deel van de kinderen met dit syndroom heeft een versnelde ademhaling. Dit wordt tachypneu genoemd. De kinderen hebben hier zelf geen last van.

Bruine verkleuring van de huid
Bij een klein deel van de kinderen komen bruine verkleurde plekken op de huid voor. De huid bevat op deze plaats meer pigment. Kinderen hebben hier geen last van.

Hoe wordt de diagnose ARHGEF9-syndroom gesteld?
Verhaal en onderzoek
Op grond van het verhaal van een kind met een ontwikkelingsachterstand en enkele opvallende uiterlijke kenmerken kan vermoed worden dat er sprake is van een syndroom. Er zijn echter veel verschillende syndromen die allemaal voor deze symptomen kunnen zorgen. Wanneer dit syndroom voorkomt in de familie, dan zal het gemakkelijk zijn om de diagnose te stellen. Vaak zal aanvullend onderzoek nodig zijn om aan de diagnose ARHGEF9-syndroom te stellen.

Genetisch onderzoek
Wanneer aan de diagnose gedacht wordt omdat deze aandoening in de familie voorkomt, kan door middel van gericht genetisch onderzoek (DNA-onderzoek) op bloed naar het voorkomen van een foutje op het X-chromosoom in het ARHGEF9-gen. Soms wordt de diagnose gesteld door een onderzoek waarbij alle chromosomen in een keer worden bekeken (Array onderzoek), vaak wordt dan opgemerkt dat er een stukje van het X-chromosoom mist waarop het ARHGEF9-gen ligt. Het missen van een stukje van het X-chromosoom wordt het Xq11.1-11.2 deletie syndroom genoemd.
Tegenwoordig zal steeds vaker door middel van een nieuwe genetische techniek (exome sequencing genoemd) deze diagnose gesteld gaan worden zonder dat er specifiek aan gedacht was of naar gezocht is.

MRI-scan
Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand zal vaak een MRI-scan van de hersenen worden gemaakt om te kijken wat de oorzaak is van de ontwikkelingsachterstand. Op de MRI-scan bij kinderen met dit syndroom worden geen specifiek kenmerkende afwijkingen gezien. Soms zijn er wel kleine afwijkingen zichtbaar, maar deze kunnen ook bij allerlei andere syndromen worden gezien. Afwijkingen die gezien zijn, zijn een kleiner hersenvolume dan gebruikelijk, een vertraagde aanleg van het geleidingslaagje rondom de zenuwcellen (vertraagde myelinisatie), een te veel aan windingen in de hersenschors (polymicrogyrie) en wijde ruimtes rondom kleine bloedvaten in de hersenen (verwijde Virchow Robin-ruimte).

EEG
Bij kinderen met de verdenking op epilepsie zal vaak een EEG gemaakt worden. Op dit EEG kunnen epileptiforme afwijkingen worden gezien. Deze afwijkingen zijn niet specifiek voor dit syndroom en kunnen bij heel veel andere vormen van epilepsie ook worden gezien. Soms kan aan de hand van het EEG een specifiek epilepsie syndroom worden herkend zoals het syndroom van Otahara of het syndroom van West.

Kinderen jeugdpsychiater
Een kinderen jeugdpsychiater kan vast stellen of er sprake is van ADHD of van autistiforme kenmerken.

Foto van de botten
Wanneer er sprake is van een verkromming van de wervelkolom zal vaak een foto van de botten gemaakt worden om de mate van verkromming vast te leggen en om te kijken hoe de wervels van de rug zijn aangelegd.

Hoe wordt het ARHGEF9-syndroom behandeld?
Geen genezing
Er is geen behandeling die het ARHGEF9-syndroom kan genezen. De behandeling is er op gericht kinderen zo goed mogelijk te stimuleren in hun ontwikkeling en te leren omgaan met de problemen die bij dit syndroom horen.

Fysiotherapie
Een fysiotherapeut kan ouders tips en adviezen geven hoe ze hun kindje zo goed mogelijk kunnen stimuleren om er voor te zorgen dat de ontwikkeling zo optimaal als mogelijk verloopt. Een fysiotherapeut kan ook adviseren over hulpmiddelen die bewegen gemakkelijker kunnen maken.

Logopedie
De logopediste kan advies geven wanneer er problemen zijn met drinken, slikken of eten. Soms kan een speciale speen (special need speen) helpen om drinken gemakkelijker te maken. Een logopediste kan helpen om de spraakontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Praten kan ook ondersteund worden door middel van gebaren of pictogrammen. Op die manier kunnen kinderen zich leren uitdrukken ook als ze geen woorden kunnen gebruiken.

Ergotherapie
Een ergotherapeut kan tips en adviezen geven hoe de verzorging en de dagelijks activiteiten van een kind zo soepel mogelijk kunnen verlopen. Ook kan de ergotherapeut advies geven over materialen die de ontwikkeling van een kind kunnen stimuleren.

Revalidatiearts
Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën en adviseert ook over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een aangepaste buggy, rolstoel, steunzolen of aangepaste schoenen.
Ook is het mogelijk via een revalidatie centrum naar een aangepaste peutergroep te gaan en daar ook therapie te krijgen en later op dezelfde manier onderwijs te gaan volgen.

School
De meeste kinderen met het ARHGEF9 syndroom hebben problemen met leren. De meeste kinderen gaan naar speciaal onderwijs van cluster 2,3 of 4 omdat zij daar in kleinere klassen zitten en meer hulp en ook therapie kunnen krijgen.

Orthopedagoog
Een orthopedagoog kan ouders tips en adviezen geven hoe om gaan met problemen met de concentratie en de aandacht en met omgaan met emoties.

Kinder- en jeugdpsychiater
Een kinder- en jeugdpsychiater kan adviezen geven hoe kind en ouders het beste om kunnen gaan met ADHD. Soms kunnen medicijnen nodig zijn om er voor te zorgen dat kinderen voldoende aandacht en concentratie hebben om hun ontwikkeling voldoende vooruit te laten gaan. De kinder- en jeugdpsychiater behandeld ook kinderen met een autisme en ADHD.

Behandeling epilepsie
Met behulp van medicijnen wordt geprobeerd om de epilepsieaanvallen zo veel mogelijk te voorkomen en het liefst er voor te zorgen dat er helemaal geen epilepsieaanvallen meer voorkomen. Meestal is het niet eenvoudig om de epilepsie onder controle te krijgen en zijn combinaties van medicijnen nodig om de epilepsie aanvallen zo goed als te onderdrukken. Verschillende soorten medicijnen kunnen gebruikt worden om de epilepsie onder controle te krijgen. Er bestaan geen speciaal voorkeursmedicijn voor dit syndroom. Medicijnen die veel gebruikt worden zijn levetiracetam (Keppra®, valproaat (Depakine®) of zonisamide (Zonegran ®. Het is de vraag of medicijnen zoals clobazam en vigabatrine wel werken bij kinderen met deze aandoening, omdat zij vaak de receptor missen waarop deze medicijnen aangrijpen om effect te hebben (de GABA receptor).
Bij een deel van de kinderen zal het niet lukken om de epilepsieaanvallen met medicijnen onder controle te krijgen. Er bestaan ook andere behandelingen die een goed effect kunnen hebben op de epilepsie, zoals een ketogeen dieet, een nervus vagusstimulator, of een behandeling met methylprednisolon. Ook een combinatie van deze behandelingen met medicijnen die epilepsie onderdrukken is goed mogelijk.

Slaap
Een vast slaapritueel en een vast slaappatroon kunnen kinderen helpen om beter te kunnen slapen. Het medicijn melatonine kan helpen om beter in slaap te kunnen vallen. Er bestaan ook vormen van melatonine met vertraagde afgifte die ook kunnen helpen om weer in slaap te vallen wanneer kinderen in de nacht wakker worden. Slaapmiddelen worden liever niet gegeven aan kinderen omdat kinderen hier aangewend raken en niet meer zonder deze medicatie kunnen. Soms wordt het medicijn promethazine gebruikt om kinderen beter te kunnen laten slapen. Het is altijd belangrijk om uit te sluiten dat epilepsie de oorzaak is van de slaapproblemen, in geval van epilepsie is epilepsie behandeling nodig. Ook wordt het medicijn chloralhydrat wel gebruikt in geval van slaapproblemen.

Tandarts
Kinderen met het ARHGEF9- syndroom worden vaak extra gecontroleerd een speciale tandarts die zich gespecialiseerd hebben in de tandheelkundige zorg van kinderen met een ontwikkelingsachterstand omdat dit vaak speciale aanpak en extra tijd vraagt. De tandarts bekijkt of een fluor behandeling nodig is om gaatjes in de tanden en kiezen te voorkomen.

Kwijlen
Kwijlen kan verminderen door kinderen er bewust van te maken dat ze hun speeksel moeten doorslikken. Ook kunnen oefeningen waarbij geoefend wordt om de mond te sluiten helpen.
Er bestaan medicijnen die het kwijlen minder kunnen maken. Het meest gebruikte medicijn hierdoor is glycopyrrhonium. Soms kan een behandeling van de speekselklieren door middel van botox of door middel van een operatie nodig zijn om er voor zorgen dat kinderen minder kwijlen. Per kind zullen de voor- en nadelen van elke behandeling moeten worden afgewogen.

Reflux
Reflux kan er ook voor zorgen dat kinderen slecht eten. Door de voeding in te dikken met johannesbroodpitmeel kan de voeding minder gemakkelijk terug stromen van de maag naar de slokdarm. Ook zijn er medicijnen die de maaginhoud minder zuur kunnen maken waardoor de slokdarm minder geprikkeld wordt bij terugstromen van de maaginhoud. Medicijnen die hiervoor gebruikt worden zijn ranitidine, omeprazol of esomeprazol. Indien dit allemaal niet voldoende is, kan een operatie nodig zijn waarbij de overgang van de slokdarm naar de maag nauwer wordt gemaakt, waardoor de voeding ook minder gemakkelijk terug kan stromen. Dit wordt een Nissen-operatie genoemd.

Verstopping van de darmen
Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt. Verder blijft het belangrijk om te zorgen dat kinderen voldoende vocht en vezels binnen krijgen en zo veel als kan bewegen. Soms zijn zetpillen nodig om de ontlasting op gang te krijgen.

Uroloog
Wanneer de balletjes niet goed in het balzakje zijn ingedaald, dan kan de uroloog door middel van een operatie zorgen dat de balletjes wel in het balzakje komen te liggen.

Antibiotica
Een deel van de kinderen die vaak terugkerende infecties heeft, heeft baat bij een lage dosering antibiotica om nieuwe infecties te voorkomen. Per kind moeten de voordelen van het geven van de antibiotica worden afgewogen tegen de nadelen ervan (antibiotica doden ook nuttige bacteriën in de darmen).

Scoliose
De mate van zijwaartse kromming van de wervelkolom moet goed in de gaten gehouden worden. Wanneer de kromming te erg wordt, kan dit problemen geven voor het goed kunnen staan en zitten en de ademhaling beïnvloeden. Wanneer de verkromming te erg wordt, kan verdere verkromming tegengegaan worden door een korset. Indien een korset onvoldoende werkt, is soms een operatie nodig waarbij de wervelkolom wordt vastgezet zodat de verkromming niet meer toe zal kunnen nemen.

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak tijd voor ouders om te verwerken dat de toekomstverwachtingen van hun kind er anders uit zien dan mogelijk verwacht is.

Contact met andere ouders
Door het plaatsen van een oproepje op het forum van deze site kunt u in contact proberen te komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met het ARHGEF9-syndroom.

Wat betekent het hebben van het ARHGEF9-syndroom voor de toekomst?
Blijvende beperking
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand blijven vaak beperkingen houden in het dagelijks leven. De meeste jongeren zullen op volwassen leeftijd de hulp en ondersteuning van anderen nodig hebben voor dagelijkse begeleiding en ondersteuning.  

Levensverwachting
Er is weinig bekend over de levensverwachting van kinderen en volwassenen met dit syndroom. De levensverwachting zou verkort kunnen worden indien er sprake is van een moeilijk behandelbare vorm van epilepsie of terugkerende longontstekingen.
Er zijn inmiddels volwassenen bekend die de leeftijd van 57 jaar hebben bereikt.

Kinderen
Wanneer een volwassen vrouw met het ARHGEF9-syndroom zelf kinderen krijgt, dan hebben haar zoons en dochters 50% kans zelf ook het ARHGEF9 syndroom te krijgen. Het valt van te voren niet goed te voorspellen hoeveel klachten een kind hiervan zal gaan krijgen. Dit kunnen even goed minder als meer klachten zijn dan de ouder zelf heeft. Jongens hebben meestal meer klachten dan meisjes, die zelfs geen klachten kunnen hebben.
Wanneer een volwassen man met het ARHGEF9 syndroom zelf kinderen krijgt, dan zullen de zoons dit syndroom niet krijgen en de dochters allemaal wel. Maar ook hier geldt dat dochters er geen of maar heel weinig last van hoeven te hebben.
Het is niet bekend of het hebben van dit syndroom van invloed is op de vruchtbaarheid.

Hebben broertjes en zusjes ook een verhoogde kans om ook het ARHGEF9-syndroom te krijgen?
Het ARHGEF9-syndroom wordt veroorzaakt door een fout in het erfelijke materiaal van het X-chromosoom. Een vader met het ARHGEF9-syndroom kan deze fout doorgeven aan zijn dochters, maar niet aan zijn zoons omdat een zoon van zijn vader het Y-chromosoom krijgt.
Een moeder met het ARHGEF9-syndroom kan deze fout doorgeven aan haar zoons of aan haar dochters. Haar zoons en dochters hebben 50% kans om het afwijkend X-chromosoom en daarmee het ARHGEF9 syndroom te krijgen.
Broertjes of zusjes van een kind met het ARHGEF9 syndroom waarbij een van de ouders ook het ARHGEF9 syndroom heeft hebben 50% kans om zelf ook het ARHGEF9 syndroom te krijgen. In welke mate zij hier last van zullen hebben, valt niet te voorspellen.
Wanneer het foutje in het erfelijk materiaal bij het kind zelf ontstaan is, dan is de kans klein dat broertjes en zusjes ook het ARHGEF9 syndroom krijgen. Dit zou alleen kunnen wanneer het foutje in het ARHGEF9 -gen in de eicel van de moeder of de zaadcel van de vader aanwezig is zonder dat het in de andere lichaamscellen wordt terug gevonden. De kans hierop is klein, ongeveer 2-3%.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek
Wanneer bekend is welk foutje in een familie heeft gezorgd voor het ontstaan van ARHGEF9- syndroom, dan is het mogelijk om tijdens een zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten in de vorm van een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie om te kijken of dit kindje ook ARHGEF9-syndroom heeft.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

Referenties

  1. The phenotypic spectrum of ARHGEF9 includes intellectual disability, focal epilepsy and febrile seizures. Klein KM, Pendziwiat M, Eilam A, Gilad R, Blatt I, Rosenow F, Kanaan M, Helbig I, Afawi Z; Israeli-Palestinian Epilepsy Family Consortium. J Neurol. 2017;264:1421-1425.
  2. ARHGEF9mutations cause a specific recognizable X-linked intellectual disability syndrome. Striano P, Zara F. Neurol Genet. 2017;3:e159.
  3. ARHGEF9-disease: Phenotype clarification and genotype-phenotype correlation. Alber M, Kalscheuer VM, Marco E, Sherr E, Lesca G, Till M, Gradek G, Wiesener A, Korenke C, Mercier S, Becker F, Yamamoto T, Scherer SW, Marshall CR, Walker S, Dutta UR, Dalal AB, Suckow V, Jamali P, Kahrizi K, Najmabadi H, Minassian BA. Neurol Genet. 2017;3:e148
  4. Xq11.1-11.2 deletion involving ARHGEF9 in a girl with autism spectrum disorder. Bhat G, LaGrave D, Millson A, Herriges J, Lamb AN, Matalon R. Eur J Med Genet. 2016;59:470-3

Laatst bijgewerkt 1 november 2017

 

Auteur: JH Schieving

 

 

 

Referenties

  1. MECP2 mutations are an infrequent cause of mental retardation associated with neurological problems in male patients. Moog U, Van Roozendaal K, Smeets E, Tserpelis D, Devriendt K, Buggenhout GV, Frijns JP, Schrander-Stumpel C. Brain Dev;28:305-10
  2. MECP2 gene mutations in non-syndromic X-linked mental retardation: phenotype-genotype correlation. Gomot M, Gendrot C, Verloes A, Raynaud M, David A, Yntema HG, Dessay S, Kalscheuer V, Frints S, Couvert P, Briault S, Blesson S, Toutain A, Chelly J, Desportes V, Moraine C. Am J Med Genet A. 2003;123A:129-39.
  3. MECP2 is highly mutated in X-linked mental retardation. Couvert P, Bienvenu T, Aquaviva C, Poirier K, Moraine C, Gendrot C, Verloes A, Andrès C, Le Fevre AC, Souville I, Steffann J, des Portes V, Ropers HH, Yntema HG, Fryns JP, Briault S, Chelly J, Cherif B. Hum Mol Genet. 2001;10:941-6.

Laatst bijgewerkt 8 oktober 2017

 

 

 

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.