A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

SCN8A-epilepsie

Wat is SCN8A-epilepsie?
SCN8A-epilepsie is een aandoening waarbij kinderen last hebben van epilepsieaanvallen als gevolg een fout in een stukje erfelijk materiaal wat SCN8A-gen wordt genoemd

Hoe wordt SCN8A-epilepsie ook wel genoemd?
Het woord SCN8A komt van de plaats in het erfelijk materiaal waarbij kinderen met deze vorm van epilepsie een fout gevonden wordt. Deze plaats wordt SCN8A-gen genoemd.

Early infantile epileptic encefalopathy
Een foutje in het SCN8A-gen kan ook zorgen voor het ontstaan van het epilepsiesyndroom
Early Infantile Epileptic Encefalopathy ook wel afgekort met de letters EIEE. Dit is een vorm van epilepsie waarbij kinderen ook vanaf de babyleeftijd epilepsieaanvallen krijgen. Deze vorm van epilepsie is moeilijk onder controle te krijgen. Het lukt vaak niet om er voor te zorgen dat kinderen geen last meer hebben van epilepsieaanvallen. Frequente epilepsie aanvallen kunnen er voor zorgen dat kinderen met deze vorm van epilepsie achterblijven in hun ontwikkeling. Kinderen met deze vorm van epilepsie hebben meestal een ontwikkelingsachterstand. EIEE wordt ook wel het Otahara syndroom genoemd. Inmiddels zijn er veel verschillende foutjes ontdekt die allemaal EIEE kunnen veroorzaken. Elk foutje krijgt een eigen nummer. EIEE als gevolg van een fout in het SCN8A-gen wordt ook wel EIEE type 13 genoemd.

Spectrum
Aanvankelijk waren er alleen maar kinderen bekend met een ernstige en moeilijk behandelvorm van epilepsie als gevolg van een fout in het SCN8A-gen. Inmiddels zijn er ook kinderen bekend met een mildere vorm van epilepsie die ook minder grote gevolgen heeft op de ontwikkeling van het kind. Waarschijnlijk is SCN8A-epilepsie net als SCN1A- en SCN2A-epilepsie een aandoening die zowel tot een relatief milde vorm als tot een ernstige vorm van epilepsie kan leiden. Dit wordt het spectrum van SCN8A-epilepsie genoemd.
Hoe meer epilepsieaanvallen een kind heeft en hoe moeilijker deze te behandelen zijn, des te meer problemen er met de ontwikkeling te verwachten zijn.

Geen epilepsie
Inmiddels is ook ontdekt dat er kinderen zijn met een ontwikkelingsachterstand en/of autisme die een foutje in het SCN8A-gen hebben zonder dat er bij hen ooit sprake is geweest van epilepsie aanvallen. Ook blijken kinderen die op jonge leeftijd epilepsie aanvallen hebben gehad, maar daar overheen gegroeid zijn, op tienerleeftijd aanvallen van een bewegingsstoornis te kunnen krijgen zonder dat dit berust op epilepsie.  

Hoe vaak komt SCN8A-epilepsie voor bij kinderen?
SCN8A-epilepsie is een zeldzame aandoening. Het is niet goed bekend hoe vaak deze aandoening bij kinderen voorkomt. Door het toepassen van nieuwe genetische technieken wordt de diagnose SCN8A-epilepsie vaker gesteld bij kinderen met epilepsie, maar nog steeds zal bij lang niet alle kinderen die een SCN8A-epilepsie hebben de diagnose daadwerkelijk gesteld zijn.
Van alle kinderen met EIEE vorm van epilepsie blijkt één op de 100 kinderen een foutje in het SCN8A-gen te hebben.

Bij wie komt SCN8A-epilepsie voor?
De fout in het SCN8A-gen is al vanaf de geboorte aanwezig. De eerste klachten ontstaan vaak in de eerste levensmaanden, gemiddeld rond de leeftijd van 4 tot 5 maanden. Er zijn kinderen die al in de eerste levensweken last krijgen van epilepsieaanvallen en ook kinderen die pas op de kleuterleeftijd last krijgen van epilepsieaanvallen.
Zowel jongens als meisjes kunnen SCN8A-epilepsie krijgen.

Wat is de oorzaak van een SCN8A-epilepsie?
Foutje in erfelijk materiaal
SCN8A-epilepsie wordt veroorzaakt door een foutje in het erfelijk materiaal van chromosoom 12 op een plaats die het SCN8A-gen wordt genoemd.

Autosomaal dominant
Het foutje in het SCN8A-gen is een zogenaamde autosomaal dominant foutje, dat wil zeggen dat een foutje op één van de twee chromosomen 12 die een kind heeft in het SCN8A-gen al voldoende is om de aandoening te krijgen. Dit in tegenstelling tot een autosomaal recessief foutje waarbij kinderen pas klachten krijgen wanneer beide chromosomen een foutje bevatten.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij een groot deel van de kinderen met een SCN8A-epilepsie is het foutje bij het kind zelf ontstaan na de bevruchting van de eicel door de zaadcel. Het kind heeft het foutje dan niet geërfd van een van de ouders.

Geërfd van een ouder
Een klein deel van de kinderen heeft het foutje in het SCN8A-gen geërfd van een ouder die zelf ook het foutje in het SCN8A-gen heeft. Vaak hebben deze ouders zelf als kind ook epilepsie gehad, maar soms is dat niet het geval en heeft de ouder nooit last gehad van epilepsieaanvallen. Een klein deel van de ouders blijkt een zogenaamde mozaïek fout in het SCN8A-gen te hebben. Het foutje zit bij de ouders wel in de geslachtscellen en wellicht ook in andere cellen, maar niet in de hersencellen zodat deze volwassenen zelf geen klachten hebben.

Natriumkanaaltje
Het SCN8A-gen bevat informatie voor de bouw van een natriumkanaaltje in de hersencellen. Om precies te zijn van een speciaal onderdeel van dit natriumkanaaltje, namelijk type 8 natriumkanaaltje en dan in het onderdeel wat A-subunit wordt genoemd.
Dit natriumkanaaltje speelt een belangrijke rol bij de elektrische geleiding in de hersencellen. Foutjes in het SCN8A-gen die SCN8A-epilepsie veroorzaken zorgen er vaak voor dat het natriumkanaaltje te hard gaat werken. Wanneer dit natriumkanaal niet hard werkt, dan verloopt de elektrische geleiding in de hersencellen anders dan zou horen. Hierdoor kunnen gemakkelijker epilepsieaanvallen ontstaan. Ook verloopt de communicatie tussen verschillende hersencellen als gevolg van dit foutje minder goed.

Wat zijn de symptomen van een SCN8A-epilepsie?
Variatie
Er bestaat een grote variatie in hoeveelheid en in ernst van de symptomen die verschillende kinderen met een SCN8A-epilepsie hebben. Dit valt van te voren niet goed te voorspellen. Kinderen met heftige vormen van epilepsie die moeilijk onder controle te krijgen zijn, hebben vaker een vertraagde ontwikkeling dan kinderen waarbij de epilepsie vrij eenvoudig onder controle te krijgen is.

Epilepsie
De meeste kinderen krijgen last van epilepsieaanvallen in de eerste levensmaanden. Vaak gaat het om aanvallen waarbij een arm of been stijf wordt en/of schokkende bewegingen maakt. Vaak houden kinderen tijdens deze aanvallen hun adem in waardoor ze blauw verkleuren in het gezicht. Hoofd en ogen zijn vaak naar een kant gedraaid worden. Vaak komen langdurige series van deze aanvallen achter elkaar voor zonder dat kinderen tussendoor tijd hebben om bij te komen van deze aanvallen. Langdurige aanvallen worden ook wel status epilepticus genoemd. Met het ouder worden krijgen kinderen vaak ook andere type epilepsieaanvallen erbij. Bijvoorbeeld aanvallen met verstijven en schokken in de beide armen en benen, aanvallen met alleen verstijven, korte schokjes op verschillende plaatsen in het lichaam, salaamkrampen of aanvallen waarbij een lichaamsdeel ineens slap wordt.

Status epilepticus
Kinderen met SCN8A-epilepsie hebben vaak last van lang aanhoudende aanvallen die moeilijk onder controle te krijgen zijn met behulp van medicijnen. Deze langaanhoudende aanvallen worden ook wel status epilepticus genoemd.

Koorts
Kinderen met SCN8A-epilepsie krijgen gemakkelijk epilepsieaanvallen wanneer zij koorts ontwikkelen. Koorts kan het gevolg zijn van het doormaken van een infectie of het gevolg zijn van een het krijgen van een vaccinatie.

Stilstand of achteruitgang in de ontwikkeling
Kinderen met een SCN8A-epilepsie ontwikkelen zich meestal vrij normaal totdat de eerste epilepsieaanvallen optreden. Vanaf het moment dat de epilepsie aanvallen ontstaan en vooral wanneer het moeilijk is om deze epilepsieaanvallen onder controle te krijgen, gaan kinderen stilstaan in hun ontwikkeling. Kinderen leren geen nieuwe vaardigheden meer aan. Ook kunnen kinderen vaardigheden die zij al beheersten zoals rollen, zitten, brabbelen weer verliezen en weer opnieuw moeten aanleren.
Zolang het niet lukt om de epilepsieaanvallen voldoende te onderdrukken blijft de ontwikkeling vaak stil staan. Pas wanneer het lukt om de epilepsieaanvallen voldoende te onderdrukken, zal de ontwikkeling geleidelijk aan weer vooruit gaan. Wanneer kinderen lange tijd stil gestaan hebben in hun ontwikkeling, dan zal het voor kinderen heel moeilijk worden om deze achterstand weer in te halen. Vaak blijft er dan een achterstand bestaan.
Een deel van de kinderen is zelfstandig in staat om te lopen. Een ander deel van de kinderen heeft een rolstoel nodig om zich te verplaatsen.

Stilstand of achteruitgang in de spraaktaalontwikkeling
Frequente epilepsie aanvallen zorgen er vaak voor dat kinderen niet meer praten of geluidjes maken. Het is vaak heel moeilijk voor kinderen met een moeilijk behandelbare vorm van SCN8A-epilepsie om later alsnog te leren praten. Sommige kinderen zijn wel in staat om losse woorden of zinnetjes van 2 woorden te maken. Voor anderen is het te moeilijk om te leren praten.

Evenwichtsproblemen
Kinderen met SCN8A-epilepsie krijgen gemakkelijk last van problemen met het bewaren van het evenwicht. Zij hebben moeite hun balans te houden en vallen gemakkelijk om tijdens zitten of lopen. De evenwichtsproblemen kunnen het gevolg zijn van frequente epileptische activiteit in de hersenen, maar kunnen ook het gevolg zijn van gebruik van medicijnen die epilepsie aanvallen te onderdrukken.

Andere bewegingsstoornissen
Kinderen met een SCN8A-epilepsie hebben vaak last van onbedoelde extra bewegingen in hun lichaam. Deze bewegingen kunnen niet onderdrukt worden. Bewegingsstoornissen die vaak voorkomen zijn dystonie, chorea en myoclonieën. Dystonie is een onbedoeld afwijkende stand van een lichaamsdeel. Chorea zijn kleine springerige sierlijke bewegingen vooral in de handen en in de armen. Myoclonieën zijn schokjes die vaak in de romp of in de armen voorkomen.
Deze bewegingsproblemen kunnen ook in aanvallen voorkomen. Tussen de aanvallen in hebben kinderen dan geen last van deze bewegingsproblemen. Aanvallen worden vaak uitgelokt door plotselinge bewegingen, rek van spieren of emoties. Deze aanvallen komen vaker bij tieners die als jong kind epilepsie hebben gehad, maar nu geen epilepsieaanvallen meer hebben.  

Lage spierspanning
Kinderen met een SCN8A-epilepsie die frequent epilepsieaanvallen hebben, hebben vaak een lage spierspanning. Hierdoor hebben kinderen meer kracht nodig om hun gewrichten stabiel te houden tijdens het bewegen. Bewegen kost kinderen met een SCN8A-epilepsie daarom vaak meer energie dan kinderen zonder SCN8A-epilepsie. Kinderen zijn sneller vermoeid en hebben meer rust nodig.

Problemen met leren
Kinderen met SCN8A-epilepsie kunnen problemen met leren hebben. De mate van problemen met leren verschilt. Soms gaat het om milde problemen met leren lezen, soms zijn er grote problemen om te leren lezen en rekenen.

ADHD
AD(H)D komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Kinderen hebben moeite om langer ergens de aandacht bij te houden. Ze spelen maar kort met een bepaalde speelgoed en dan weer met een ander stukje speelgoed. Kinderen zijn snel afgeleid door een geluid of een beweging in de kamer.
Kinderen kunnen moeite hebben met stil zitten en bewegen het liefst de hele dag. Op school hebben kinderen moeite langer tijd hun aandacht bij het schoolwerk te houden.

Autistiforme kenmerken
Een deel van de kinderen met een SCN8A-epilepsie ontwikkelt in de periode na optreden van de epilepsieaanvallen autistiforme kenmerken. Kinderen krijgen vaak moeite met het maken van oogcontact. Ook houden kinderen vaak van een vast en voorspelbaar ritme in de dag. Kinderen kunnen erg overstuur of boos worden wanneer dit ritme onverwachts wordt doorbroken. Sommige kinderen hebben hele specifieke voorkeuren en spelen het liefst altijd met het zelfde speeltje.

Schrikachtig
Kinderen met een SCN8A-epilepsie schrikken vaak gemakkelijk van onverwachte bewegingen, geluiden of aanraking. Vaak maken ze van schrik een schokachtige beweging met het lichaam. Dit wordt ook wel een startle reflex genoemd.

Problemen met slapen
Kinderen met een SCN8A-epilepsie hebben vaak geen goed slaap-waak ritme. Vaak zijn deze kinderen lichte slapers die gemakkelijk wakker worden van geluiden of bewegingen in hun omgeving. Wanneer kinderen een keer wakker worden, dan lukt het ze vaak niet goed om opnieuw in slaap te vallen. De meeste kinderen vinden het hierdoor moeilijk om een nacht door te slapen. Door de onderbroken slaap in de nacht zijn kinderen overdag vermoeid. Ze kunnen spontaan overdag in slaap vallen.

Lichaamstemperatuur
Kinderen met SCN8A-epilepsie hebben vaak moeite om hun lichaamstemperatuur constant te houden. Sommige kinderen hebben altijd een lagere lichaamstemperatuur, andere kinderen een hogere lichaamstemperatuur.

Ademhaling
De regulatie van de ademhaling kan verstoord zijn bij kinderen met een SCN8A-epilepsie. Zij ademen sneller of juist langzamer dan het lichaam op dat moment nodig heeft. Meestal hebben kinderen hier zelf geen last van.

Problemen met zien
Een deel van de kinderen met SCN8A-epilepsie is slechtziend, zij zien wazig. Dit komt meestal niet door een probleem van de ogen zelf, maar door het niet goed functioneren van de hersenen. De hersenen verwerken de prikkel die de ogen doorgeven niet of niet goed, waardoor kinderen slecht kunnen zien. Kinderen zijn daardoor slechtziend of soms zelfs blind, terwijl er met hun ogen niets aan de hand is. Dit wordt daarom een cerebrale visusstoornis genoemd, het probleem zit in de hersenen (cerebrum), het wordt ook wel afgekort als CVI (naar de Engelse termen cerebral visual impairment, impairment is beperking).

Kleiner hoofdje
Kinderen met SCN8A-epilepsie worden vaak geboren met een normale hoofdgrootte. Na ontstaan van de epilepsieaanvallen kan opvallen dat het hoofdje niet meer goed meegroeit en daardoor verhoudingsgewijs kleiner wordt. Zo’n kleiner hoofdje wordt ook wel microcefalie genoemd.

Reflux
Kinderen met ernstige vorm van SCN8A-epilepsie hebben gemakkelijker last van het terugstromen van voeding vanuit de maag naar de slokdarm. Dit wordt reflux genoemd. Omdat de maaginhoud zuur is, komt het zuur zo ook in de slokdarm, soms zelfs ook in de mond. Dit zuur kan zorgen voor pijnklachten, waardoor kinderen moeten huilen en soms ook niet willen eten. Ook kan het maken dat kinderen moeten spugen.
Door het zuur kan de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raken. Wanneer dit niet tijdige ontdekt en behandeld wordt, kan dit zorgen voor het spuug met daarin bloedsliertjes.

Kwijlen
Kinderen met ernstige vorm van SCN8A-epilepsie hebben gemakkelijk last van kwijlen. Dit komt door slapheid van de spieren in het gezicht en rondom de mond, waardoor het speeksel gemakkelijk uit de mond loopt.

Verstopping
Verstopping van de darmen komt vaak voor bij kinderen met ernstige vorm van SCN8A-epilepsie. De ontlasting komt dan niet elke dag en is vaak hard waardoor kinderen moeite hebben met poepen.

Vatbaar voor infecties
Kinderen met een ernstige vorm van SCN8A-epilepsie zijn vaak vatbaarder om infecties te krijgen. Vooral luchtweginfecties en oorontstekingen. Reflux kan ook de oorzaak zijn van het ontstaan van deze infecties.

Botontkalking
Verschillende medicijnen die gebruikt worden bij de behandeling van epilepsie kunnen er voor zorgen dat de botten van kinderen met een SCN8A-epilepsie van minder goede kwaliteit worden, minder kalk bevatten en hierdoor minder stevig zijn. Kinderen met een SCN8A-epilepsie kunnen gemakkelijker een botbreuk oplopen als gevolg van een val.

Scoliose
Een deel van de kinderen met SCN8A-epilepsie krijgt een zijwaartse verkromming van de rug. Dit wordt een scoliose genoemd. Dit komt vooral voor bij kinderen die niet zelfstandig kunnen lopen.

 

Hoe wordt de diagnose SCN8A-epilepsie gesteld?
Verhaal en onderzoek
Aan de hand van het verhaal van een baby die last krijgt van frequente epilepsie aanvallen in de eerste maanden na de geboorte kan aan een SCN8A-epilepsie worden gedacht. Er bestaan echter nog veel andere verschillende aandoeningen die allemaal soortgelijke klachten kunnen geven. Er zal dus aanvullend onderzoek nodig zijn om de diagnose te stellen.

Erfelijk materiaal
Door middel van bloedonderzoek kan gekeken worden naar een foutje in het erfelijk materiaal van het SCN8A-gen. Dit kan gericht gebeuren wanneer er aan gedacht wordt.
Tegenwoordig bestaan er ook zogenaamde gecombineerde DNA testen met daarin alle bekende veranderingen in het DNA waarvan bekend is dat ze epilepsie kunnen veroorzaken, dit wordt een epilepsie-panel of epilepsie-exome sequencing genoemd. Op deze manier kan ook ontdekt worden dat er sprake is van een SCN8A-epilepsie.

MRI cerebrum
Bij kinderen met epilepsie wordt vaak een MRI van de hersenen gemaakt om te kijken of door middel van deze MRI-scan een verklaring gevonden kan worden waarom het kind last heeft van epilepsie. De MRI laat bij kinderen met SCN8A-epilepsie meestal geen bijzonderheden zien. Soms is de hersenbalk dunner dan gebruikelijk. Bij een deel van de kinderen laat herhaling van de MRI scan ziet dat het hersenvolume van de grote en/of kleine hersenen afneemt in de loop van de tijd.

Stofwisselingsonderzoek
Door middel van bloed- en urineonderzoek kan bij kinderen met epilepsie gekeken worden of er sprake is van een stofwisselingsziekte als oorzaak van de epilepsie. Bij dit onderzoek worden bij kinderen met een SCN8A-epilepsie geen bijzonderheden gevonden.

EEG
Het EEG kan bij kinderen met een SCN8A-epilepsie hele verschillende beelden laten zien. Het EEG-beeld hangt ook sterk samen met de leeftijd van het kind op moment dat het EEG gemaakt wordt. Het EEG kan in de eerste periode na ontstaan van epilepsieaanvallen normaal zijn, wanneer het kind tijdens het EEG geen aanval krijgt. Later in het ziektebeloop is vaak te zien dat op meerdere plekken in de hersenen onafhankelijk van elkaar epileptische activiteit ontstaat. Deze activiteit kan zich tijdens een aanval uitbreiden naar andere delen van de hersenen. Dit wordt ook wel multifocaal epileptiforme activiteit genoemd.

Hoe wordt SCN8A-epilepsie behandeld?
Geen genezing
Er is geen behandeling die SCN8A-epilepsie kan genezen. De behandeling is er op gericht om de epilepsieaanvallen zo veel mogelijk te onderdrukken en om de ontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren.

Behandeling epilepsie
Met behulp van medicijnen wordt geprobeerd om de epilepsieaanvallen zo veel mogelijk te voorkomen en het liefst er voor te zorgen dat er helemaal geen epilepsieaanvallen meer voorkomen. Bij het merendeel van de kinderen met SCN8A-epilepsie zijn combinaties van medicijnen nodig om de epilepsie aanvallen zo veel mogelijk te onderdrukken.
Verschillende soorten medicijnen kunnen gebruikt worden om de epilepsie onder controle te krijgen. Er zijn aanwijzingen dat medicijnen die natriumkanalen blokkeren zoals carbamazepine, oxcarbazepine, lamotrigine, fenytoïne, rufinamide en lacosamide vaker in staat zijn om te voorkomen dat er nieuwe epilepsie aanvallen komen dan andere medicijnen en hierdoor de voorkeur hebben. Ook valproaat en clobazam hebben vaak een goed effect.
Bij een deel van de kinderen blijkt levetiracetam juist te zorgen voor een toename van aanvallen.

Status epilepticus
Langdurige aanvallen, status epilepticus, worden vaak behandeld met het medicijn fenytoïne per infuus of met het medicijn midazolam per infuus. Vaak zijn hoge doseringen van het medicijn midazolam nodig. Hoge doseringen midazolam kunnen er voor zorgen dat kinderen niet goed doorademen. Daarom moet deze behandeling vaak gegeven worden op een high care of intensive care afdeling.

Andere behandelingen
Bij een deel van de kinderen zal het niet lukken om de epilepsieaanvallen met medicijnen onder controle te krijgen. Er bestaan ook andere behandelingen die een goed effect kunnen hebben op de epilepsie, zoals een ketogeen dieet, een nervus vagusstimulator of een behandeling met methylprednisolon. Ook een combinatie van deze behandelingen met medicijnen die epilepsie onderdrukken kan een goede optie zijn.

Medicijnen bij bewegingsstoornissen
Er bestaan ook medicijnen die kunnen maken dat kinderen minder last hebben van bewegingsstoornissen. Per kind zal gekeken moeten worden of de voordelen van het effect van het medicijn opwegen tegen het nadeel van eventuele bijwerkingen als gevolg van het medicijn. Het type bewegingsstoornis bepaalt welk medicijn het meest geschikt is, voor spasticiteit kunnen medicijnen zoals baclofen, botuline toxine injecties of dantroleen geschikt zijn, voor dystonie baclofen, trihexyfenidyl, clonazepam of L-dopa. Tegen aanvallen van ataxie kunnen medicijnen zoals acetozolamide of carbamazepine behulpzaam zijn.

Fysiotherapie
Een fysiotherapeut kan adviezen geven aan de ouders hoe zij hun kindje zo goed mogelijk kunnen helpen bij het stimuleren van de ontwikkeling.
 
Logopedie
Een logopediste kan adviezen geven wanneer er problemen zijn met drinken of eten als gevolg van de lage spierspanning. Ook kan de logopediste adviezen geven wanneer de spraaktaalontwikkeling later op gang komt, hoe deze ontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Communicatie kan ondersteund worden door middel van gebaren of door middel van plaatjes (pictogrammen) of door middel van muziek.

Ergotherapie
Een ergotherapeut kan advies geven over hulpmiddelen die de verzorging van een kindje met een lage spierspanning gemakkelijker kan maken. Ook kan de ergotherapeut advies geven over materialen die de ontwikkeling van een kind kunnen stimuleren.

Revalidatiearts
Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën die kinderen krijgen en houdt de ontwikkeling van kinderen in de gaten. Ook is het vaak mogelijk om via het revalidatiecentrum deel te nemen aan en therapeutische peutergroep waar ook therapie gegeven wordt.

Orthopedagoog
Een orthopedagoog kan ouders tips en adviezen geven hoe om gaan met problemen met bijvoorbeeld boos worden of het maken van contacten met andere kinderen.

Kinder- en jeugdpsychiater
Een kinder- en jeugdpsychiater kan advies geven hoe om te gaan met gedragsproblemen zoals ADHD, snel boos worden of autisme. Soms is het nodig om gedrag regulerende medicatie zoals methylfenidaat voor ADHD of risperidon voor prikkelovergevoeligheid te geven. Kinderen met SCN8A-epilepsie hebben gemakkelijker last van bewegingsstoornissen als bijwerkingen van medicatie in het kader van gedragsproblemen dan andere kinderen.

School
Een groot deel van de kinderen met SCN8A-epilepsie heeft extra begeleiding bij het leren nodig. Een deel van de kinderen met een milde vorm van epilepsie kan regulier onderwijs volgen al dan niet met behulp van ondersteuning. Een ander deel van de kinderen gaat uiteindelijk toch naar het speciaal onderwijs van cluster 3 of 4 omdat zij daar in kleinere klassen zitten en meer hulp en ook therapie kunnen krijgen.
Voor een deel van de kinderen is het niet haalbaar om onderwijs te volgen. Zij gaan naar een dagcentrum waar kinderen een dagprogramma volgen.

Sondevoeding
Een deel van de kinderen is onvoldoende in staat om zelfstandig te eten en heeft al dan niet tijdelijk sondevoeding nodig om voldoende voeding binnen te krijgen.

Reflux
Reflux kan er ook voor zorgen dat kinderen slecht eten. Door de voeding in te dikken met johannesbroodpitmeel kan de voeding minder gemakkelijk terug stromen van de maag naar de slokdarm. Ook zijn er medicijnen die de maaginhoud minder zuur kunnen maken waardoor de slokdarm minder geprikkeld wordt bij terugstromen van de maaginhoud. Medicijnen die hiervoor gebruikt worden zijn ranitidine en omeprazol, soms esomeprazol. Indien dit allemaal niet voldoende is, kan een operatie nodig zijn waarbij de overgang van de slokdarm naar de maag nauwer wordt gemaakt, waardoor de voeding ook minder gemakkelijk terug kan stromen.

Verstopping van de darmen
Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt.

Kwijlen
Er bestaan medicijnen die het kwijlen minder kunnen maken. Het meest gebruikte medicijn hierdoor is glycopyrrhonium. Ook kan een behandeling van de speekselklieren door middel van botulinetoxine of door middel van een operatie er voor zorgen dat kinderen minder kwijlen.

Antibiotica
Een deel van de kinderen die vaak terugkerende infecties heeft, heeft baat bij een lage dosering antibiotica om nieuwe infecties te voorkomen. Per kind moeten de voordelen van het geven van de antibiotica worden afgewogen tegen de nadelen ervan (antibiotica doden ook nuttige bacteriën in de darmen).

Botontkalking
Om botontkalking zo veel mogelijk te voorkomen wordt geadviseerd om kinderen met dit syndroom die veel epilepsieaanvallen hebben dagelijks 400IE vitamine D te geven en 500 mg calcium.

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak tijd voor ouders om te verwerken dat de toekomstverwachtingen van hun kind er anders uit zien dan mogelijk verwacht is.

Contact met andere ouders
Door het plaatsen van een oproep op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders met een SCN8A-epilepsie.

Wat betekent het hebben van een SCN8A-epilepsie voor de toekomst?
Aanhouden epilepsie
Het is vaak erg moeilijk om met behulp van medicijnen of andere behandeling er voor te zorgen dat kinderen met SCN8A-epilepsie geen aanvallen meer krijgen. Bij een deel van de kinderen is dit wel haalbaar, bij een ander deel van de kinderen niet. Een deel van de kinderen heeft een beloop waarbij ze gedurende een aantal maanden veel aanvallen hebben die moeilijk onder controle te krijgen zijn, gevolgd voor een episode van een aantal maanden waarin geen of nauwelijks aanvallen voorkomen, vervolgens weer gevolgd door een episode waarin juist weer veel aanvallen voorkomen.

Verdwijnen epilepsie
Bij een deel van de kinderen met SCN8A-epilepsie die een milde vorm van epilepsie hebben verdwijnen de epilepsieaanvallen met het ouder worden. Kinderen kunnen helemaal aanvalsvrij zijn.

Ontwikkelingsachterstand
Kinderen die een ontwikkelingsachterstand hebben als gevolg van een SCN8A-epilepsie blijven deze problemen vaak houden op volwassen leeftijd. Een groot deel van de jongeren heeft ondersteuning en begeleiding van een volwassene nodig bij dagelijkse bezigheden.

Levensverwachting
De levensverwachting van kinderen en volwassenen met SCN8A-epilepsie hangt sterk samen met de hoeveelheid epilepsieaanvallen waar kinderen en volwassenen last van hebben en de mate waarin zij in hun ontwikkeling beperkt zijn. Kinderen en volwassenen die vaak langdurige epilepsieaanvallen (status epilepticus) hebben kunnen een verkorte levensverwachting hebben. Ook komt onbegrepen dood in bed bij oudere kinderen en volwassenen met zeer moeilijk behandelbare vorm van SCN8A-epilepsie vaker voor. Dit wordt ook wel SUDEP genoemd.
 
Kinderen
De meeste volwassenen met SCN8A-epilepsie zullen als gevolg van hun beperkingen en epilepsie later niet zelf kinderen krijgen. Het is niet bekend of volwassenen met deze vorm van epilepsie verminderd vruchtbaar zijn. Volwassenen met een milde vorm van SCN8A-epilepsie gaan wellicht wel kinderen krijgen. Deze kinderen hebben dan zelf 50% kans om ook het foutje in het SCN8A-gen te krijgen. Hierdoor hebben deze kinderen een vergrote kans om zelf ook epilepsie te krijgen. Of dit dan in dezelfde mate als bij de ouder is niet goed bekend.

Hebben broertjes en zusjes een vergrote kans om een SCN8A-epilepsie te krijgen?
Dit hangt er vanaf of een van de ouders ook zelf een foutje in het SCN8A-gen heeft. Wanneer een van de ouders zelf ook een foutje heeft (bijvoorbeeld in mozaïek-vorm), dan hebben broertjes en zusjes tot 50% kans om zelf ook het foutje in het SCN8A-gen te krijgen. Niet alle kinderen die een foutje hebben in het SCN8A-gen krijgen ook daadwerkelijk last van epilepsie of van problemen met de ontwikkeling.
Wanneer de ouders zelf geen foutje in het SCN8A-gen hebben, dan is de kans erg klein dat een broertje of zusje ook een SCN8A-epilepsie gaat krijgen. Dit zou alleen kunnen als het foutje in de eicellen of zaadcellen aanwezig is, zonder dat het in de andere lichaamscellen van de ouder aanwezig is. De kans hierop is klein.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek
Wanneer ouders eerder een kindje hebben gekregen met SCN8A-epilepsie dan is het mogelijk om tijdens een volgende zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten in de vorm van een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie. Er kan dan getest worden of dit kindje ook een fout in het SCN8A-gen heeft. Het blijft wel moeilijk om te voorspellen of dit kindje dan ook daadwerkelijk last gaat krijgen van epilepsie en in welke mate dit zal zijn.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

Links en verwijzingen
www.scn2a.org
(Engelstalige site voor ouders van kinderen met SCN2A-epilepsie)
www.epilepsievereniging.nl
(site van epilepsievereniging Nederland)
www.epilepsie.nl
(site van het nationaal epilepsiefonds)
www.epilepsie.net
(site van stichting epilepsienetwerk)

Referenties
1. The phenotypic spectrum of SCN8A encephalopathy. Larsen J, Carvill GL, Gardella E, Kluger G, Schmiedel G et al Neurology. 2015;84:480-9
2. Spectrum of SCN8A-Related Epilepsy. Morgan LA, Millichap JJ. Pediatr Neurol Briefs. 2015;29:16
3. Benign infantile seizures and paroxysmal dyskinesia caused by an SCN8A mutation.
Gardella E, Becker F, Møller RS, Schubert J, Lemke JR, Larsen LH, Eiberg H, Nothnagel M, Thiele H, Altmüller J, Syrbe S, Merkenschlager A, Bast T, Steinhoff B, Nürnberg P, Mang Y, Bakke Møller L, Gellert P, Heron SE, Dibbens LM, Weckhuysen S, Dahl HA, Biskup S, Tommerup N, Hjalgrim H, Lerche H, Beniczky S, Weber YG. Ann Neurol. 2016;79:428-36
4. The Expanding SCN8A-Related Epilepsy Phenotype.  Poduri A. Epilepsy Curr. 2015;15:333-4
5. Precision Medicine: SCN8A Encephalopathy Treated with Sodium Channel Blockers.
Møller RS, Johannesen KM. Neurotherapeutics. 2016;13:190-1

 

Laatst bijgewerkt 5 juni 2016

 

Auteur:JH Schieving

 

 

 

 

 

 

 

 

 



 

Epi

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.