A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektenbeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Fahr syndroom

 

Wat is het Fahr syndroom?

Het Fahr syndroom is een aandoening waarbij er kalk gaat neerslaan in bepaalde gebieden diep in de hersenen, de zogenaamde basale kernen.

 

Hoe wordt Fahr syndroom ook wel genoemd?

Fahr syndroom is genoemd naar de arts die dit syndroom beschreven heeft.
Een andere naam voor dit syndroom is ideopatische basale ganglia calcification syndroom. De term ideopatisch geeft aan dat het lang niet bekend was, wat de oorzaak was van het ontstaan van kalk neerslag in de hersenen. Basale ganglia is de medische term voor de basale keren, de plek in de hersenen waar de kalk neerslaat. Calcification geeft aan dat dit onderdeel van de hersenen steeds meer kalk gaat bevatten. Fahr syndroom wordt ook wel afgekort met de letters IBGC.
Ook wordt de term familiare basale ganglia calcification syndroom met dystonie wel gebruikt.
De laatste tijd wordt ook de term primair familiare brain calcification ook wel gebruikt. Dit wordt afgekort met de letters PFBC. De term primair geeft aan dat de aandoening wordt veroorzaakt door een foutje in het erfelijk materiaal en niet door bijvoorbeeld een infectie of een ongeval. In dat laatste geval wordt gesproken van secundaire aandoening. Ook wordt nu gekozen voor de term brain calcification in plaats van basale ganglia calcification omdat de kalk neerslag niet alleen in de basale kernen zit, maar vaak op meerdere plekken in de hersenen.

Er worden vier types PFBC onderscheiden, genummerd 1 tot en met 4. Elke nummer stelt waarschijnlijk een foutje in het erfelijk materiaal voor. Van de nummers 3 en 4 is het foutje in het erfelijk materiaal bekend, van de nummers 1 en 2 (nog) niet.

 

Hoe vaak komt het Fahr syndroom voor bij kinderen?

Het is niet goed bekend hoe vaak het Fahr syndroom bij kinderen voorkomt. Het is een zeldzame aandoening. Ook is lang bij alle kinderen en volwassenen de diagnose niet gesteld, omdat het Fahr syndroom vaak niet voor klachten zorgt.
Geschat wordt dat bij een op de 50-200 mensen waarbij een CT-scan wordt gemaakt kalkneerslag te zien is in de hersenen, zij hebben niet allemaal het Fahr syndroom.

 

Bij wie komt het Fahr syndroom voor?

Het Fahr syndroom kan al op de kinderleeftijd ontstaan, maar wordt vaak pas ontdekt bij jong volwassenen tussen de 20 en 50 jaar omdat dan de eerste klachten ontstaan.
Zowel jongens als meisjes, mannen als vrouwen kunnen het Fahr syndroom krijgen.

 

Wat is de oorzaak van het Fahr syndroom?

Fout in erfelijk materiaal

Heel recent is ontdekt dat het Fahr syndroom wordt veroorzaakt door een foutje in het erfelijk materiaal. Inmiddels zijn er drie foutjes bekend die allebei kunnen zorgen voor het ontstaan van het Fahr syndroom. Het gaat om een foutje op chromosoom 8, de plaats van het foutje wordt het SLC20A2-gen genoemd, een foutje op chromosoom 5 op de plaats van het PDGFRB-gen en een foutje op chromosoom 22 op het PDGFB-gen . De vorm van het Fahr syndroom die veroorzaakt wordt door een foutje in het SLC20A2-gen wordt type 3 (PFBC-3) genoemd, de vorm door het foutje in het PDGFRB wordt type 4 (PFBC-4 genoemd) en de vorm door het foutje op PDGFB-gen type 5 (PFBC-5)

Nog niet alle foutjes die kunnen zorgen voor het ontstaan van het Fahr syndroom zijn bekend. Bij type 1 is er waarschijnlijk sprake van een foutje op chromosoom 14 en bij type 2 op chromosoom 2. Mogelijk dat type 1 eigenlijk hetzelfde is als type 3.

Overgeërfd

Een deel van de kinderen heeft deze aandoening geërfd van een ouder die zelf ook dit syndroom heeft. Veel foutjes erven namelijk op autosomaal dominante manier over, dat wil zeggen dat een foutje op een van de twee chromosomen al voldoende is om klachten te krijgen
Niet alle foutjes erven op deze manier over.

Bij het kind zelf ontstaan

Bij een deel van de kinderen en volwassenen met het syndroom van Fahr is het foutje in het erfelijk materiaal bij de persoon zelf ontstaan.

Afwijkend eiwit

Als gevolg van het foutje in het erfelijk materiaal wordt een bepaald eiwit niet goed aangemaakt. In geval van het foutje op het SLC20A2-gen, gaat het om een kanaaltje wat er voor zorgt dat er fosfaat de cellen in of uit gaat. Dit kanaaltje werkt bij deze kinderen niet goed.
In geval van heet een foutje in PDGFRB-gen werkt het eiwit platelet-derived-growth-factor receptor beta niet goed. Dit eiwit speelt in de hersenen een belangrijke rol bij de aanleg van bloedvaten en het in stand houden van de bloedhersenbarrière.

Neerslag van kalk

In de hersenen van kinderen en volwassenen met het Fahr syndroom blijken rondom de kleine bloedvaatjes in de hersenen kalkzouten neer te slaan. Deze kalkzouten bestaan uit calcium en fosfaat of uit calcium en gluconaat. Ook komen in deze neerslag metaalzouten die normaal in kleine hoeveelheid in ons bloed zitten terecht.

Te kort schieten van de bloedvoorziening

Door het neerslaan van kalk, kunnen de hersenen minder goed van bloed worden voorzien. Hierdoor komen de hersenen in toenemende mate in de problemen.

 

Wat zijn de symptomen van het Fahr syndroom?

Geen symptomen

Een groot deel van de mensen met verkalking in de hersenen heeft hiervan helemaal geen symptomen, zeker niet op jonge leeftijd.

Problemen met leren

Een deel van de kinderen met het Fahr syndroom heeft problemen met leren. Op kinderleeftijd worden deze vaak niet in verband met het Fahr syndroom gebracht.

Eerste symptomen

De eerste symptomen ontstaan meestal pas op volwassen leeftijd tussen de leeftijd van 30 en 50 jaar, maar kunnen ook op jongere of oudere leeftijd ontstaan.

Onhandigheid

De eerste symptomen zijn vaak wat vaag en niet meteen duidelijk. Onhandigheid is vaak een van de eerste symptomen. Het lopen gaat minder soepel en vlot, iemand stoot gemakkelijker wat om. Vaak wordt pas als de diagnose gesteld is duidelijk dat dit eerste symptomen van deze aandoening waren.

Moeheid

Moeheid is vaak ook een van de eerste symptomen. Dit omdat bewegen meer energie kost.

Problemen met praten

Mensen met het Fahr syndroom gaan vaak geleidelijk aan minder duidelijk praten. Het praten wordt zachter, de woorden worden minder goed uitgesproken, waardoor mensen met het Fahr syndroom moeilijker te verstaan zijn. Ook gaan mensen met dit syndroom vaak in een langzamer tempo praten. Sommige mensen krijgen de neiging om na te zeggen wat andere mensen zeggen. Dit wordt pallilalie genoemd.

Problemen met slikken

Ook ontstaan geleidelijk probleem met slikken. Mensen gaan zich verslikken in het eten en drinken. Hierdoor moeten ze hoesten tijdens het eten.

Spierkrampen

Een ander symptoom is het ontstaan van krampen in de spieren.

Parkinsonisme

Geleidelijk aan ontstaan in toenemende mate problemen met bewegen. De spieren worden steeds stijver en de bewegingen worden trager en steeds kleiner. Lopen gaat lastiger, met kleine pasjes, de armen worden niet meer goed meebewogen. Opstaan uit een stoel is lastig, mensen vallen gemakkelijk weer terug in de stoel. Ook omdraaien is moeilijk en gaat in stapjes. Vaak heeft het gezicht steeds dezelfde uitdrukking of iemand nu blij of boos is, dit wordt een zogenaamd maskergezicht genoemd. Vaak knipperen mensen weinig met hun ogen.Ook krijgen mensen last van trillen van hun handen en armen.
Deze manier van bewegen lijkt veel op het bewegen van mensen met de ziekte van Parkinson en wordt daarom ook wel parkinsonisme genoemd.

Dystonie

Ook krijgen veel mensen met Fahr syndroom last van dystonie. Hierbij gaat een arm, een been of de nek onbedoeld in een vreemde stand staan. Het lukt vaak niet om deze stand tegen te gaan. Het lang vasthouden van deze stand kan zorgen voor spierpijn en moeheid.

Chorea

Een deel van de mensen met Fahr syndroom krijgt juist last van overbeweeglijkheid. De armen en het hoofd maken juist kleine schokkerige bewegingen die dan weer eens op die plek en dan weer eens op die plek aanwezig zijn. Deze bewegingen worden chorea genoemd.

Balansproblemen

Een ander probleem met bewegen wat kan ontstaan, zijn problemen met het bewaren van het evenwicht. Om hun balans te bewaren zetten mensen hun voeten verder uit elkaar. Ze maken wisselend kleine en dan weer grote stappen en kunnen niet meer goed in een rechte lijn lopen. Ook is het pakken van een voorwerp last, de hand komt niet gemakkelijk op de juiste plek maar schiet er voor bij of stopt te vroeg. De handen kunnen ook gaan trillen bij het pakken van en voorwerp.

Kwijlen

Kinderen en volwassen kunnen ook in toenemende mate last krijgen van kwijlen. Dit komt omdat ze hun speeksel niet meer goed weg kunnen slikken, waardoor het uit de mond loopt.

Trager denken

Kinderen en volwassenen met het Fahr syndroom gaan vaak steeds langzamer denken. Ook het verwerken van nieuwe informatie kost meer tijd.

Problemen met de aandacht- en concentratie

Vaak lukt het ook niet meer zo goed om lang de aandacht en de concentratie ergens bij te houden. Gedachtes dwalen gemakkelijk weg. Plannen en organiseren wordt steeds lastiger.

Gedragsveranderingen

Vaak verandert ook het gedrag van mensen met het Fahr syndroom. Sommige personen worden heel stil en terug getrokken, zijn angstig, anderen worden juist heel uitgelaten. Ook stemmingswisselingen of dwanggedachtes en dwanghandelingen kunnen voorkomen.
Mensen met het Fahr syndroom zijn gevoeliger voor het krijgen van een psychose, een toestand met ernstige verwardheid waarbij mensen dingen zien of horen die er in werkelijkheid niet zijn en vaak erg achterdochtig zijn.

Dementie

Geleidelijk aan wordt een deel van de mensen met het Fahr syndroom steeds vergeetachtiger en trager waardoor dementie ontstaat.

Epilepsie

Een deel van de mensen met het Fahr syndroom heeft last van epilepsie aanvallen. Verschillende soorten epilepsie aanvallen kunnen voorkomen.

Hoofdpijn

Mensen met het Fahr syndroom hebben vaak last van hoofdpijnklachten. Vaak gaat het om een migraine-achtige hoofdpijn.

Incontinentie

Een groot deel van de mensen krijgt problemen met het ophouden van de plas. Ze moeten onmiddellijk naar de wc wanneer ze voelen dat ze moeten plassen, als dat niet lukt verliezen ze ongewild urine in hun ondergoed.

 

Hoe wordt de diagnose Fahr syndroom gesteld?

Verhaal en onderzoek

Op grond van het verhaal van een veranderde manier van bewegen in combinatie met gedragsveranderingen kan een aandoening van de basale kernen worden vermoed. Veel verschillende aandoening kunnen soortgelijke klachten geven. Het Fahr syndroom is niet aan de buitenkant van het lichaam te herkenneen hiervoor is aanvullend onderzoek in de vorm van een scan nodig om te zien dat er sprake is van verkalkingen in de hersenen. Andere aandoening die ook kunnen zorgen voor verkalkingen in de hersenen zijn aandoeningen van de aangeboren infectie van de hersenen (TORCHES), bijschildklier((pseudo)hypoparathyroidie), verstoorde werking van vitamine D, mitochondriele energiestofwisselingsziektes, SLE, NBIA, Brucellose, Aicarie-Goutieres, Kenny-Caffey syndroom of het Cockayne syndroom.

MRI scan

Op een MRI scan van de hersenen is kalkneerslag niet gemakkelijk te herkennen. Vaak moeten speciale opnames gemaakt worden, waarop een vermoeden ontstaat dat er sprake van kalkneerslag kan zijn. Het kalk zit bij deze aandoening diep in de hersenen in de zogenaamde basale kernen. Vooral in een van die basale kernen die de globus pallidus wordt genoemd, maar ook in andere basale kernen zoals het putamen of de nucleus caudatus. Ook kan er kalk te zien zijn in aangrenzende gebieden zoals de thalamus, de hippocampus, de subcorticale witte stof, centrum semi-ovale, de nucleus dentatus, de kleine hersenen of de hersenstam.
Vaak zal bij het vermoeden op kalk in de hersenen een CT-scan gemaakt worden omdat kalk veel beter te zien is op een CT-scan dan op een MRI-scan.
Op vervolgscans is vaak te zien dat de calcificaties toenemen en dat het hersenvolume geleidelijk aan wat kleiner wordt en de ruimte tussen de hersenvliezen en de hersenen wat groter wordt (zogenaamde verwijde subarachnoidale ruimte).

De uitgebreidheid van de calcificaties zegt niets over de hoeveelheid symptomen die ene persoon met het Fahr-syndroom heeft.

CT-scan

Op een CT-scan heeft kalk een witte kleur net als het bot van de schedel. Op een CT-scan is kalk daarom gemakkelijk herkenbaar. Het kalk zit met name in de basale kernen (globus pallidus internus, nucleus caudatus) zoals hier boven beschreven, maar kan zich uitbreiden naar aangrenzende gebieden.Meestal zit het kalk zowel rechts als links.

Genetisch onderzoek

Wanneer duidelijk is dat er sprake is van het Fahr syndroom zal vaak genetische diagnostiek verricht worden om te kijken of er sprake is van een foutje in het SLC20A2-gen. Dit wordt ongeveer bij twee van de vijf mensen met het Fahr syndroom gevonden. Indien dit foutje niet gevonden wordt, wordt vaak gekeken of er sprake is van een foutje in het PDGF(R)B-gen. Het lukt nog lang niet bij alle mensen met het Fahr syndroom om een foutje in het erfelijk materiaal aan te tonen. Waarschijnlijk zijn er nog andere foutjes die tot nu toe niet bekend zijn.

Bloedonderzoek

Bij kinderen en volwassenen met het Fahr syndroom worden bij bloedonderzoek (calcium, fosfaat, magnesium, alkalische fosfatase, calcitonine, parathormoon, zware metalen) geen bijzonderheden gevonden. Wel wordt altijd bloedonderzoek verricht omdat een aandoening van de bijschildklier ook kan zorgen voor kalk neerslag in de hersenen, terwijl dit om een hele andere behandeling vraagt.

Stofwisselingsonderzoek

Onderzoek naar problemen met de stofwisseling door middel van bloed en urine onderzoek laten bij kinderen en volwassenen met het Fahr syndroom geen bijzonderheden zien.

Hersenvocht

Wanneer gedacht wordt aan een infectie van de hersenen, dan zal vaak hersenvocht onderzocht worden om te kijken of er aanwijzingen zijn voor een infectie. Hersenvocht wordt verkregen door middel van een ruggenprik. In het hersenvocht wordt bij mensen met het Fahr syndroom geen aanwijzingen voor een infectie gevonden. Wel kan het eiwit gehalte in het hersenvocht verhoogd zijn.

Oogarts

Kinderen met het Fahr syndroom worden ook altijd een keer gezien door de oogarts. Bij kinderen met het Fahr syndroom ziet de oogarts geen bijzonderheden aan de ogen. Bij kinderen die bijvoorbeeld tijdens de zwangerschap een CMV-infectie hebben doorgemaakt en daardoor verkalking in de hersenen hebben, ziet de oogarts vaak afwijkingen aan het netvlies die een belangrijke aanwijzing zijn dat er sprake is geweest van een CMV-infectie.

EEG

Bij kinderen met de verdenking op epilepsie zal vaak een EEG gemaakt worden. Op dit EEG kunnen epileptiforme afwijkingen worden gezien. Deze afwijkingen zijn niet specifiek voor dit syndroom en kunnen bij heel veel andere vormen van epilepsie ook worden gezien.

EMG

Wanneer getwijfeld wordt over de diagnose wordt soms een EMG gemaakt om te kijken of er ook aanwijzingen zijn voor een aandoening van de zenuwen of van de spieren. Bij mensen met het Fahr syndroom worden bij dit onderzoek geen afwijkingen gevonden, terwijl er bij dit onderzoek bij mensen met een mitochondriële aandoening of met een aandoening van de bijschildklier hierin vaak wel afwijkingen worden gevonden.

 

Hoe worden kinderen met het Fahr syndroom behandeld?

Geen genezing

Er bestaat geen behandeling die kinderen en volwassenen met het Fahr syndroom kan genezen. De behandeling is er op gericht om zo min mogelijk last te hebben van de symptomen als gevolg van deze aandoening.

Medicijnen voor bewegingsstoornissen

Levodopa is een medicijn wat vaak gegeven wordt aan mensen met een ziekte van de basale kernen. Andere medicijn die ook kunnen helpen zijn dopamine-agonisten, anticholinergica, levetiracetam, baclofen. Per persoon zullen de voordelen van het medicijn moeten worden afgewogen tegen de mogelijk nadelen.

Medicijnen voor stemmingsproblemen

Stemmingsproblemen, angst en dwang komen vaak voor bij mensen met het Fahr syndroom en kunnen mensen erg belemmeren. Naast therapie kunnen ook medicijnen behulpzaam zijn om hier minder last van te hebben.

Medicijnen tegen epilepsie

Wanneer er sprake is van epilepsie kunnen medicijnen hier tegen helpen om minder last te hebben van epilepsie aanvallen. Verschillende medicijnen kunnen hiervoor gebruikt worden. Per persoon zullen de voordelen van een bepaald medicijn moeten worden afgewogen tegen de nadelen van dat medicijn.

Medicijnen tegen hoofdpijn

Specifieke medicijnen die gebruikt worden bij de behandeling van migraine, helpen vaak ook goed bij mensen met het Fahr syndroom die migraine-achtige hoofdpijnklachten hebben.

Medicijnen tegen incontinentie

Het medicijn oxybutinine kan helpen om minder last te hebben van ongewild urineverlies.

Fysiotherapie

Een fysiotherapeut kan adviezen geven hoe mensen zo goed mogelijk kunnen blijven bewegen. Door regelmatig te bewegen wordt geprobeerd te voorkomen dat gewrichten in een bepaalde stand gaan vast groeien.

Ergotherapie

Een ergotherapeut kan adviezen geven hoe mensen zo veel mogelijk alle activiteiten op een dag (aankleden, eten, spelen, bewegen) kunnen uitvoeren. Vaak kunnen hulpmiddelen hierbij behulpzaam zijn. De ergotherapeut weet welke hulpmiddelen er zijn en advies geven welke hulpmiddelen het beste gebruikt kunnen worden.

Logopedie

Een logopediste kan adviezen geven wanneer er problemen zijn met drinken en met eten of met praten. De logopediste kan advies geven over andere manieren van communiceren bijvoorbeeld met plaatjes, met gebaren of met een spraakcomputer.

Revalidatiearts

Een revalidatiearts coördineert de verschillende behandelingen en geeft ook advies over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld het gebruik van spalken.

Verstopping

Vezelrijke voeding en veel drinken zijn belangrijk om verstopping van de darmen te voorkomen. Ook bewegen is belangrijk, maar dit is lastig voor mensen met deze aandoening. Vaak zijn medicijnen nodig om er voor te zorgen dat mensen geen last krijgen van verstopping, het meest gebruikte medicijn hiervoor is macrogol. Dit maakt de ontlasting soepeler en stimuleert de darmwerking.

Kwijlen

Kwijlen kan heel vervelend zijn. Ook hiervoor bestaan medicijnen zoals glycopyhronium die er voor kunnen zorgen dat er minder speeksel wordt aangemaakt. Ook kan gewerkt worden met botuline toxine injecties in een van de speekselklieren. Per persoon zal gekeken moeten worden wat de beste behandeling is.

Melatonine

Wanneer mensen moeite hebben met inslapen, dan kan het medicijn melatonine helpen om gemakkelijker te kunnen inslapen. Soms helpt dit ook om een beter slaapritme te krijgen en zodoende ook beter te kunnen doorslapen.

Begeleiding

Begeleiding van mensen met deze aandoening is heel belangrijk. Vaak kunnen een maatschappelijk werkende of een psycholoog mensen helpen indien ze daar behoefte aan hebben.

Contact met andere ouders

Door het plaatsen van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders en volwassenen die ook het Fahr syndroom hebben.

 

Wat betekent het hebben van het Fahr syndroom voor de toekomst?

Toename van de klachten

Met het ouder worden nemen de klachten vaak geleidelijk aan toe.

Kinderen

Het Fahr syndroom ontstaat door een foutje in het erfelijk materiaal wat op zogenaamd autosomaal dominante manier overerft. Dit houdt dat in dat kinderen van en volwassene met het Fahr syndroom 50% kans hebben om zelf ook het foutje te krijgen. Niet alle kinderen met een foutje krijgen ook daadwerkelijk klachten. Het is niet goed bekend hoe dit komt.
In sommige families lijken kinderen meer klachten te hebben dan hun ouders, maar dit is zeker niet altijd het geval.

 

Hebben broertjes en zusjes een vergrote kans om zelf ook het Fahr syndroom te krijgen?

Het Fahr syndroom is een erfelijke aandoening. Meestal erft de aandoening op zogenaamd autosomaal dominante wijze over. Dit houdt in dat broertjes en zusjes tot 50% kans hebben om zelf ook het foutje in het erfelijk materiaal te erven. Niet iedereen die het foutje heeft geërfd krijgt ook daadwerkelijk het Fahr syndroom. Het is niet bekend waarom een groot deel van de mensen met het foutje wel klachten krijgt, maar een klein deel van de mensen niet. Dit verschijnsel wordt incomplete penetrantie genoemd.
Welke klachten een broertje of zusje gaat krijgen valt niet te voorspellen. De hoeveelheid en de ernst van de klachten kan erg variëren binnen een familie.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenataal onderzoek

Wanneer bekend is welk foutje in het erfelijk materiaal de oorzaak is van het ontstaan van het Fahr syndroom, dan is het mogelijk door middel van een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie bij een volgende zwangerschap te kijken of dit kindje ook het Fahr syndroom zal krijgen.

 

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden

 

Referenties

 

 

Auteur: JH Schieving

 

Laatst bijgewerkt: 2 oktober 2013

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.