A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Het Beckwith Wiedemann syndroom

 

Wat is het Beckwith Wiedemann syndroom?
Het Beckwith Wiedemann syndroom is een syndroom waarbij kinderen groter en zwaarder zijn dan hun leeftijdsgenoten in combinatie met het hebben van een grote tong en een vergrote kans op het krijgen van bepaald type kindertumoren.

Hoe wordt het Beckwith Wiedemann syndroom ook wel genoemd?
Het Beckwith Wiedemann syndroom is genoemd naar twee artsen die dit syndroom beschreven hebben.
Het wordt ook wel exomphalus macroglossia gigantisme genoemd, afgekort met de letters EMG. Het woord exomphalus betekent navelbreuk. Macroglossia betekent grote tong. Gigantisme betekent dat kinderen groter en langer zijn dan leeftijdsgenoten. Een grote tong, een navelbreuk en een grote lengte zijn allemaal symptomen van dit syndroom.

Hoe vaak komt het Beckwith Wiedemann syndroom voor?
Het Beckwith Wiedemannsyndroom is een zeldzame ziekte. Het is niet precies bekend hoe vaak het Beckwith Wiedemannsyndroom voorkomt, geschat wordt dat het bij één op de 15.000 kinderen voorkomt. In Nederland worden elk jaar ongeveer 10 tot 15 kinderen met dit syndroom geboren.
Waarschijnlijk is bij een deel van de kinderen die het Beckwith Wiedemann syndroom heeft, de juiste diagnose ook niet gesteld, omdat het syndroom niet herkend is.
Door nieuwe genetische technieken zoals exome sequencing zal deze diagnose waarschijnlijk vaker gesteld gaan worden bij kinderen en volwassenen met dit syndroom.

Bij wie komt het Beckwith Wiedemann syndroom voor?
Het Beckwith Wiedemann syndroom is al vanaf de geboorte aanwezig. Het kan wel enige tijd duren voordat duidelijk is dat er sprake is van het Beckwith Wiedemann syndroom.
Zowel jongens als meisjes kunnen het Beckwith Wiedemann syndroom krijgen.

Waar wordt het Beckwith Wiedemann syndroom door veroorzaakt?
Verschillende soorten foutjes
Er zijn verschillende manieren waarop het Beckwith Wiedemann syndroom kan ontstaan. Bij één op de 5 kinderen die klinisch het Beckwith Wiedemann syndroom hebben lukt het niet om het foutje in het erfelijk materiaal aan te tonen.

Methylatiestoornis
Om er voor te zorgen dat de informatie die op chromosoom 11 ligt goed kan worden afgelezen worden er zogenaamde hulpstukken aan het chromosoom 11 gehangen. Dit wordt methylatie genoemd. Normaal gesproken worden deze hulpstukken aan het moederlijk chromosoom 11 gehangen en niet aan het vaderlijk chromosoom 11. Kinderen gebruiken dus alleen de informatie van het moederlijk chromosoom 11.
Bij de helft van de kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom zit de oorzaak van het ontstaan van dit syndroom in het ontbreken van de methylatie van chromosoom 11 dat afkomstig van de moeder. Hierdoor kan de informatie niet goed afgelezen worden en de symptomen als gevolg van dit syndroom ontstaan.
Bij een klein deel van de kinderen is een stukje van chromosoom 11 juist overmatig gemethyleerd (het zogenaamde IC1-deel) waardoor ook de symptomen van het Beckwith Wiedemann syndroom ontstaan.

Uniparenterale disomie chromosoom 11
Bij één op de vijf kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom is een zogenaamde uniparenterale disomie van chromosoom 11. Beide chromosomen 11 zijn dan afkomstig van de vader en niet zoals gebruikelijk één chromosoom 11 van de moeder en één chromosoom 11 van de vader. De informatie van het vaderlijk chromosoom 11 wordt niet afgelezen omdat hier geen hulpstukken aanhangen (de methylatie ontbreekt). Bij kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom door uniparenterale disomie mist dus de informatie die afgelezen wordt van een deel van chromosoom 11.

Foutje in erfelijk materiaal
Bij één op de twintig kinderen wordt het Beckwith Wiedemann syndroom veroorzaakt door een foutje op een stukje materiaal op het 11e-chromosoom. Inmiddels is bekend welke stukjes informatie op chromosoom 11 van belang zijn bij het ontstaan van het Beckwith Wiedemann syndroom. Deze stukjes informatie worden het CDKN1C-gen, het KCNQ1OT1-gen, het ICR1, het LIT1-gen en het H19/IGF2-gen genoemd. Kleine foutjes in een van deze stukjes erfelijk materiaal kunnen ook zorgen voor het ontstaan van het Beckwith-Wiedemann syndroom.
Het blijkt dat kinderen met een foutje op chromosoom 5 in het NSD1-gen ook een beeld kunnen hebben wat veel lijkt op het Beckwith Wiedemann syndroom.

Restgroep
Bij een klein deel van de kinderen mist een stukje van chromosoom 11 (deletie) of is een stukje van chromosoom 11 in plaats van een keer, twee keer aanwezig (duplicatie) of is een stukje van chromosoom 11 omgedraaid (inversie). Om nog preciezer te zijn welk stukje van chromosoom 11 mist of dubbel aanwezig is, worden letters en cijfers geplaatst achter de 11. Bij kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom is er iets aan de hand met het 11p15.4 en/of 11p15.5.

Autosomaal dominant
Het Beckwith Wiedemann syndroom wordt veroorzaakt door een zogenaamde autosomaal dominant foutje. Dit houdt in dat een foutje op een van de twee chromosomen 11 die een kind heeft in het CDKN1C-gen al voldoende is om de aandoening te krijgen. Dit in tegenstelling tot een autosomaal recessief foutje waarbij kinderen pas klachten krijgen wanneer beide chromosomen een foutje bevatten.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij een deel van de kinderen met een Beckwith Wiedemannsyndroom is het foutje bij het kind zelf ontstaan na de bevruchting van de eicel door de zaadcel en niet overgeërfd van een van de ouders.

Geërfd van een ouder
Een ander deel van de kinderen heeft het foutje op het 11e chromosoom geërfd van een ouder die zelf ook het foutje op het 11e chromosoom heeft. Soms was dit al bekend, soms wordt de diagnose bij de ouder pas gesteld wanneer bij het kind de diagnose gesteld wordt.

Mocaïsisme
Bij een deel van de kinderen is het zo dat niet alle cellen in het lichaam het foutje op chromosoom 11 bevatten, maar alleen in die cellen die afstammen van de cel waarin het foutje is ontstaan.
Hoe meer tijd er is verstreken tussen de bevruchting van de eicel en ontstaan van het foutje in het erfelijk materiaal, hoe minder cellen en delen van het lichaam het foutje zullen bevatten. Wanneer een deel van het lichaam een foutje heeft in erfelijk materiaal en een ander deel van het lichaam niet, dan wordt gesproken van mocaïsisme. Kinderen met mocaïsisme hebben vaak minder klachten dan kinderen zonder mocaïsisme. Bij kinderen met mocaïsisme is lang niet altijd ontdekt dat er sprake is van het Beckwith Wiedemann syndroom.

 

Wat zijn de symptomen van het Beckwith Wiedemann syndroom?
Variatie
Er bestaat een grote variatie in de hoeveelheid en de ernst van de symptomen die verschillende kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom hebben.
Dit valt van te voren niet goed te voorspellen van welke symptomen een kind last zal krijgen. Geen kind zal alle onderstaande symptomen tegelijkertijd hebben.

Vroeggeboorte
Een groot deel van kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom wordt geboren voordat de zwangerschap 37 weken of meer heeft geduurd. Dit wordt vroeggeboorte of prematuriteit genoemd.

Hoog geboortegewicht
De meeste kinderen met het Beckwith Wiedemannsyndroom hebben vaak een hoog geboortegewicht. Vaak wegen kinderen meer dan 4 kilo bij de geboorte, zelfs als ze te vroeg geboren zijn.
Het geboortegewicht wordt meestal uitgedrukt in een getal ten opzichte van het gemiddelde geboortegewicht, standaarddeviatie SD genoemd. De meeste kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom hebben een geboorte gewicht hoger dan +2 SD.
Kinderen met dit syndroom zijn niet duidelijk langer bij de geboorte dan andere kinderen. Gemiddeld zijn kinderen met dit syndroom zo’n 52,5 cm.

Grote fontanel
Baby’s met dit syndroom hebben vaak een grote fontanel boven op het hoofd. De fontanel is de ruimte tussen de schedelbotten van het hoofd.

Lage bloedsuiker
Eén op de twee tot drie kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom hebben vaak last van een te lage bloedsuiker na de geboorte. Hierdoor kunnen kinderen bleek en trilleriger zijn.

Te veel bloedcellen
Baby’s met dit syndroom kunnen na de geboorte ook een te veel aan bloedcellen hebben na de geboorte waardoor het bloed stroperig is. Het bloed kan niet goed rond gepompt worden waardoor kinderen kortademig kunnen zijn een blauwe verkleuring van de huid kunnen hebben.

Grote tong
Vaak valt direct na de geboorte al op dat kinderen met dit syndroom een grote tong hebben. Door de grote van de tong past deze niet goed in de mond.

Problemen met drinken
Een deel van de baby’s met het Beckwith Wiedemann syndroom heeft problemen met drinken als gevolg van de grote tong. Kinderen drinken langzaam en laten de borst of speen vaak los. Het kost vaak veel tijd om baby’s met dit syndroom de borst of de fles te geven.

Problemen met ademhalen
De grote tong kan ook zorgen voor het ontstaan van problemen met ademhalen.

Kwijlen
Kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom hebben gemakkelijk last van kwijlen. Dit komt door de grote tong waardoor de mond niet kan sluiten en speeksel gemakkelijk uit de mond loopt.

Problemen met praten
Problemen met praten kunnen ook het gevolg zijn van het hebben van een grote tong. Het is daardoor lastiger om bepaald klanken te maken. Vooral klanken waarbij het nodig is de lippen te sluiten zoals bij de letter b, de letter m en de letter p.

Gebit
Door de grote tong en de moeilijkheid om de lippen te sluiten, kan gemakkelijk een overbeet ontstaan. De bovenkaak past dan niet op de onderkaak. Ook kunnen de tanden verder uit elkaar gaan staan en niet aaneengesloten zijn.

Grote kinderen
Kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom zijn meestal grote kinderen. Vaak is dit meteen na de geboorte al duidelijk, soms ontstaat pas snelle groei in het eerste levensjaar. Vooral tot de leeftijd van 6-8 jaar groeien kinderen harder dan hun leeftijdsgenoten. Na deze leeftijd groeien kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom minder hard en gaat het lengte verschil steeds minder opvallen. Aan het eind van de puberteit zijn pubers met dit syndroom wel lang, maar niet opvallend veel groter dan hun leeftijdsgenoten.

Asymmetrie
Bij een groot deel van de kinderen is de ene kant van het lichaam groter dan de andere kant. Ook kan een lichaamsdeel groter zijn dan de andere lichaamsdelen. Wanneer een been groter is dan het andere been, kan dit bijvoorbeeld problemen geven met lopen.

Grote organen
Kinderen met dit syndroom hebben ook vaak groter organen. De lever, de milt, de alvleesklier, de bijnieren en de nieren zijn vaak groter dan gebruikelijk. Kinderen kunnen hierdoor een bollere buik hebben dan leeftijdsgenoten.

Oren
Typisch voor dit syndroom zijn horizontale lijntjes aan de achterkant van de oorlellen. Kinderen hebben hier zelf geen last van, maar dit kan helpen om het Beckwith Wiedemann syndroom te herkennen.

Uiterlijke kenmerken
Bij veel syndromen hebben kinderen vaak wat veranderde uiterlijke kenmerken. Hier hebben kinderen zelf geen last van, maar het kan de dokters helpen om te herkennen dat er sprake is van een syndroom en mogelijk ook van welk syndroom. Ook maakt dit vaak dat kinderen met hetzelfde syndroom vaak meer op elkaar lijken dan op hun eigen broertjes en zusjes, terwijl de kinderen toch niet familie van elkaar zijn.
Kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom hebben vaak een verticaal richeltje op het voorhoofd. Het achterhoofd kan wat verder naar achteren uitsteken dan gebruikelijk. Het voorhoofd is vaak lang. Vaak hebben kinderen met dit syndroom opvallende ogen die wat naar voren toekomen. Onder de ogen kunnen lijntjes aanwezig zijn in de huid. In de oren zitten horizontale lijntjes en soms een putje. De tong is groot, waardoor deze niet in de mond past en kinderen de tong vaak een stukje uit de mond hebben hangen. De onderkaak is groot. Het gezicht is niet fijntjes gebouwd, kinderen hebben vaak wat grovere gelaatsvorm. De ogen, de neus en de mond staan vrij dicht op elkaar.
Met het ouder worden vallen de uiterlijke symptomen die horen bij het Beckwith Wiedemann syndroom steeds minder op.

Botleeftijd
De botten rijpen bij kinderen met dit syndroom sneller dan bij leeftijdsgenoten.

Navelbreuk
Een groot deel (ongeveer 80%) van de kinderen met dit syndroom heeft een navelbreuk. De navel staat bol en verder naar voren toe dan gebruikelijk. De rechte buikspieren sluiten vaak niet goed op elkaar aan. Soms is de navelbreuk zo groot dat er ook darmen in de navelbreuk liggen. Dan wordt gesproken van een omfalocele.

Groot hart
Vaak wordt bij toeval ontdekt dat kinderen met dit syndroom een grote hart hebben dan gebruikelijk. Het merendeel van de kinderen heeft hier zelf helemaal geen last van. Bij een klein deel van de kinderen is het hart minder goed in staat om het bloed rond te pompen waardoor klachten zoals vermoeidheid of kortademigheid ontstaan.

Nieren
De nieren verliezen als gevolg van dit syndroom vaak te veel calcium in de urine. Ook kan calcium neerslaan in de nieren zelf, dit wordt een nefrocalcinosis genoemd. De nieren zijn vaak groter dan gebruikelijk. Ook kan het afvoersysteem van de nieren dubbel zijn aangelegd en kunnen cystes in de nier voorkomen.

Lever
De lever is vaak groter dan gebruikelijk. Meestal hebben kinderen hier zelf geen last van.

Geslachtsorgaan
Ook het geslachtsorgaan is bij zowel jongens als meisjes groter dan gebruikelijk. Ook hiervan hebben kinderen zelf geen hinder. Bij jongens kunnen de balletjes niet goed ingedaald zijn.

Tumoren
Kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom hebben een verhoogde kans op het krijgen van tumoren. En dan vooral een bepaald type tumoren die embryonale tumoren worden genoemd. Dit zijn tumoren die ontstaan uit voorloper weefsels die normaal bij een baby aanwezig zijn en die zich normaal gesproken ontwikkelen tot bijvoorbeeld een nier, een lever of een spier. Bij kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom gebeurt dat niet en blijven deze weefsels bestaan. Wanneer deze weefsels ongecontroleerd gaan groeien, kan een tumor ontstaan. Ongeveer één op de 14 kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom krijgt een tumor. Meestal ontstaan deze tumoren op jonge leeftijd, voor de leeftijd van 8 jaar. Zelden ontstaan nog een tumor na de leeftijd van 8 jaar.
Vooral een bepaald type niertumor, Wilms tumor genoemd, komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Andere tumoren die vaker voor bij kinderen met dit syndroom dan bij kinderen zonder dit syndroom zijn een levertumor (hepatoblastoom), een neuroblastoom, een bijniertumor, een tumor van de eierstokken of zaadballen (gonadale tumor) of een tumor van de spieren (rhabdomyosarcoom).
Kinderen waarbij een lichaamshelft groter is dan de andere lichaamshelft hebben vaker een tumor, dan kinderen waarbij dit niet het geval is. Kinderen met een uniparentale disomie of een toegenomen methylatie hebben een hogere kans om een tumor te krijgen dan kinderen waarbij de methylatie ontbreekt.
Ook goedaardige tumoren (hamartomen) genoemd in diverse organen komen vaker voor bij kinderen met dit syndroom.

Ontwikkeling
De meeste kinderen met dit syndroom ontwikkelen zich net als andere kinderen. Ze gaan op hetzelfde tijdstip kruipen, staan, lopen en praten als hun leeftijdsgenoten.
Kinderen die bij de geboorte langere tijd een te lage glucose waarde hebben kunnen een vertraagde ontwikkeling hebben. Ook kinderen waarbij een stukje informatie op het vaderlijk chromosoom 11 dubbel hebben, hebben vaker een ontwikkelingsachterstand.

ADHD
AD(H)D komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Kinderen hebben moeite om langer ergens de aandacht bij te houden. Ze spelen maar kort met een bepaalde speelgoed en dan weer met een ander stukje speelgoed. Kinderen zijn snel afgeleid door een geluid of een beweging in de kamer.
Kinderen kunnen moeite hebben met stil zitten en bewegen het liefst de hele dag. Op school hebben kinderen moeite langer tijd hun aandacht bij het schoolwerk te houden.

Autistiforme kenmerken
Een deel van de kinderen met dit syndroom heeft autistiforme kenmerken. Kinderen zijn meer in zich zelf gekeerd en hebben niet zo’n behoefte aan contact met andere mensen.
Kinderen met autistiforme kenmerken houden vaak van een vaste voorspelbare structuur in de dag en vinden het lastig wanneer hiervan af geweken wordt of wanneer er onverwachte gebeurtenissen zijn. Kinderen kunnen door onverwachte gebeurtenissen heel boos of juist heel verdrietig worden, omdat ze niet goed weten hoe ze hier mee om moeten gaan.
Ook hebben kinderen vaak voorkeur voor bepaald speelgoed of een bepaalde hobby waar ze zich heel lang mee kunnen vermaken.

Schisis
Een deel van de kinderen heeft een spleetje in de lip of in het gehemelte. Dit wordt schisis genoemd. Dit spleetje kan heel klein en weinig opvallend zijn. Schisis komt vaker voor bij kinderen die een foutje hebben in het CDKN1C-gen.
Gehoor
Een klein deel van de kinderen met dit syndroom heeft problemen met horen omdat de gehoorsbeentjes aan elkaar vast gegroeid zijn.

Wijnvlek
Een klein deel van de kinderen met dit syndroom heeft een wijnvlek, vaak in het gezicht. Soms ook op andere plekken op het lichaam.

OSAS
Kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom hebben vaker last van OSAS. Tijdens de slaap wordt de luchtweg afgesloten waardoor het kind tijdelijk even niet goed kan ademen. Hierdoor worden kinderen wakker waarna ze wel weer goed gaan ademen. Door de ademstops en het wakker worden zorgt de OSAS er voor dat kinderen niet goed aan hun nachtrust toe komen. Vaak worden kinderen moe en met hoofdpijnklachten wakker

 

Hoe wordt de diagnose Beckwith Wiedemann syndroom gesteld?
Verhaal en onderzoek
Op grond van het verhaal van een kind met een hoog geboortegewicht, grote tong en een navelbreuk kan worden vermoed dat er sprake is van een syndroom. Er zijn echter ook andere  syndromen die voor deze symptomen kunnen zorgen (bijvoorbeeld Simpson-Golabi-Bemel syndroom, Sotos syndroom, Cowden syndroom, Perlman syndroom of Costello syndroom). Vaak zal aanvullend onderzoek nodig zijn om aan de diagnose Beckwith Wiedemann syndroom te stellen.

Bloedonderzoek
Bij baby’s met het Beckwith Wiedemann syndroom kunnen lage bloedsuiker waardes worden gevonden, daarom wordt bij baby’s in de eerste week na de geboorte regelmatig voor de voeding bepaald wat de bloedsuikerwaarde is.
Door bij controles de waarde van het stofje AFP te bepalen kan gekeken worden of er aanwijzingen zijn voor het ontstaan van een levertumor (hepatoblastoom).
Ook worden regelmatig de waardes van de hormonen in het bloed bepaald om te kijken of kinderen hier een tekort aan krijgen, dit komt bij een klein deel van de kinderen voor.

Urine onderzoek
Onderzoek van de urine kan aantonen of kinderen calcium verliezen via de nieren. Ook kan urine onderzoek gebruikt worden om te kijken of er sprake is van een blaasontsteking.
 
Genetisch onderzoek
Wanneer aan de diagnose gedacht wordt, kan door middel van gericht genetisch onderzoek op bloed naar het voorkomen van een foutje op het 11e-chromosoom.
Vaak worden ook alle chromosomen tegelijkertijd onderzocht (zogenaamd Array onderzoek), vaak kan op deze manier de diagnose Beckwith Wiedemann syndroom worden gesteld.
In de toekomst zal door middel van een nieuwe genetische techniek (exome sequencing genoemd) mogelijk ook deze diagnose gesteld kunnen worden zonder dat er specifiek aan gedacht was of naar gezocht is.

ECHO van de buik
Op jonge leeftijd worden met regelmaat (meestal 4/jaar) Echo’s van de buik gemaakt om te kijken of er aanwijzingen zijn dat er een tumor ontstaat in de nieren, de lever, de bijnieren, de geslachtsorganen of langs de wervelkolom. Op deze manier kan een tumor vroegtijdig worden opgespoord en zo nodig worden behandeld.
Wanneer na de leeftijd van 8 jaar geen tumor is ontstaan, is de kans klein dat dit na deze leeftijd alsnog gebeurd. De frequentie van de controles wordt daarom afgebouwd na de leeftijd van 8 jaar. Meestal wordt dan nog één keer per jaar een ECHO gemaakt, vooral ook om te kijken of er kalkneerslag in de nieren ontstaat waarvoor behandeling nodig is.
Wanneer een afwijking met de ECHO wordt gezien, dan kan het nodig zijn om een CT-scan of MRI scan te maken om meer details te kunnen zien.

MRI-scan hersenen
Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand zal vaak een MRI scan gemaakt worden om te kijken of er bijzonderheden aan de hersenen te zien zijn. Op de MRI scan kan zichtbaar zijn of er aanwijzingen zijn voor hersenschade als gevolg van lage bloedsuikers na de geboorte of als gevolg van vroeggeboorte.
Bij kinderen met dit syndroom kunnen de kleine hersenen anders aangelegd zijn dan bij andere kinderen. Bij een klein deel van de kinderen is het beeld van een Dandy Walker syndroom te zien of een zogenaamde Blake’s pouch.

Stofwisselingsonderzoek
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand krijgen vaak stofwisselingsonderzoek van bloed en urine om te kijken of er sprake is van een stofwisselingsziekte die verklarend is voor de ontwikkelingsachterstand. Bij kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom worden hierbij geen bijzonderheden gezien.

KNO-arts
Kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom die niet goed lijken te horen, worden gezien door de KNO-arts om te kijken of er een probleem is met de gehoorsbeentjes. Bij de meeste kinderen met dit syndroom vindt de KNO-arts geen bijzonderheden, soms wordt ontdekt dat er sprake is van een gespleten lip of een gespleten gehemelte (schisis).

Kinderendocrinoloog
Een kinderendocrinoloog kijkt of er sprake is van een tekort aan hormonen.

Foto van de botten
Op een foto kan te zien zijn dat de botleeftijd voorloopt op wat gebruikelijk is voor de leeftijd van het kind.

Kinderorthopeed
Een kinderorthopeed kan beoordelen of er een behandeling voor beenlengteverschil.

Kindercardioloog
Kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom worden altijd een keer gezien door de kindercardioloog om te kijken of zij een vergroot hart hebben. Wanneer er sprake is van een vergroot hard zal gekeken worden of het hart hier last van heeft of niet.
Er wordt ook geadviseerd om voor een eventuele gepland operatie altijd de kindercardioloog te vragen of er speciale maatregelen nodig zijn.

Kindernefroloog
Een kindernefroloog is een kinderarts die gespecialiseerd is in problemen met de nieren. Alle kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom worden een keer gezien door de kindernefroloog die bekijkt of er een speciale behandeling nodig is om problemen met de nieren te voorkomen.

Polysomnografie(PSG)
Bij kinderen die ’s nachts veel snurken of telkens kortdurend stoppen met ademhalen (apneus) wordt vaak een polysomnografie verricht. Dit is een onderzoek waarbij gedurende slaap allerlei metingen worden verrichten qua ademhaling, hartslag, bloeddruk, zuurstofgehalte in het bloed, bewegingen van de borstkas en de buikwand en de activiteit van de hersenen. Op die manier kan gekeken worden waarom kinderen ’s nachts tijdelijk stoppen met ademhalen en of dit nadelige gevolgen heeft voor het zuurstofgehalte in het bloed.

 

Hoe wordt het Beckwith Wiedemann syndroom behandeld?
Geen genezing
Er is geen behandeling die het Beckwith Wiedemann syndroom kan genezen. De behandeling is er op gericht problemen die kunnen ontstaan als gevolg van dit syndroom zo snel mogelijk te herkennen en te behandelen en om het kind er zo goed mogelijk te leren om gaan met de symptomen die horen bij dit syndroom.

Bevallen in het ziekenhuis
Wanneer voor de geboorte al duidelijk is dat de baby een hoog gewicht heeft, dan zal deze moeders aangeraden worden om in het ziekenhuis te bevallen.

Voorkomen lage bloedsuikers
Na de geboorte zal bij kinderen met een hoog geboorte gewicht regelmatig (vaak voor de voeding) het suikergehalte worden bepaald. Op deze manier kan voorkomen worden dat kinderen ongemerkt een te lage bloedsuiker krijgen waardoor hersenschade zou kunnen ontstaan. Wanneer de suikers te laag zijn, hebben kinderen extra voeding nodig. Wanneer dit niet helpt hebben kinderen tijdelijk een infuus nodig met daarin suikerwater.
Meestal komt het probleem van de lage bloedsuikers na een dag of 5 niet meer voor. Bij een heel klein deel van de kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom komen deze problemen ook nog in de tweede week na de geboorte voor.

Voedingsproblemen
Wanneer kinderen met dit syndroom problemen hebben met drinken uit de borst of uit de fles dan kan een speciaal tepelhoedje op de borst of een speciale speen (zogenaamde special need speen) op de fles helpen om het drinken gemakkelijker te maken. Wanneer dit onvoldoende helpt kan het soms nodig zijn om tijdelijk sondevoeding te geven.

Omfalocele
Wanneer in de navelbreuk ook organen liggen zoals de darmen, dan is het meestal nodig dat de kinderchirurg de omfalocele door middel van een operatie sluit, zodat de organen niet meer naar buiten komen. Een kleine navelbreuk heeft geen operatie nodig.

Tong
De grote tong kan zorgen voor problemen met drinken, ademhalen of praten. Wanneer kinderen groeien, wordt hun gezicht groter, terwijl de tong meestal minder mee groeit. De tong en het gezicht komen daardoor weer meer in balans met elkaar. Wanneer de grote tong voor problemen blijft zorgen, dan is het mogelijk om een operatie uit te voeren waarbij de tong kleiner wordt gemaakt. Meestal wordt rond de leeftijd van 2-3 jaar besloten of dit nodig is.

Logopediste
Een logopediste kan adviezen geven wanneer er problemen zijn met drinken, ademhalen of met praten. Door middel van oefeningen kunnen de spieren rondom de mond getraind worden om te zorgen dat de mond kan sluiten. Oefeningen zoals drinken door een rietje, tafelvoetbal met watjes en een rietje of het verplaatsen van voorwerpen met de mond zijn oefeningen die kunnen helpen om de spieren van de mond te trainen.

Ademhaling
Een klein deel van de kinderen kan als gevolg van de grote tong niet goed ademhalen. Soms is het nodig om een beademingsbuisje te plaatsen zodat kinderen wel voldoende te kunnen ademhalen. Kinderen moeten dan op een intensive care worden verpleegd. Wanneer dit langdurig nodig is, wordt er soms voor gekozen om een buisje via de keel te plaatsen, waar kinderen door kunnen ademhalen. Zo’n buisje via de keel wordt een tracheotoma genoemd.

Tandarts/orthodontist
Een tandarts of een orthodontist kunnen bekijken of er een behandeling nodig is voor een afwijkende stand van de kaak en/of van de tanden.

Asymmetrische groei
Bepaalde delen van het lichaam kunnen groter worden dan andere delen van het lichaam. Soms valt dit op, wanneer het gezicht bijvoorbeeld aan een kant groter is dan aan de andere kant. Plastische chirurgie wanneer het kind uitgegroeid is, kan helpen om het gezicht weer meer symmetrisch te maken. Ook wanneer een been veel langer is dan een ander been kan dit problemen geven met lopen. Het kan dan nodig zijn het langere been korter te maken door vroeg tijdens de puberteit de groeischijf van het lange been te beïnvloeden. Zo’n operatie wordt uitgevoerd door een orthopedisch chirurg.

Tumor
Tumoren als gevolg van het Beckwith Wiedemann syndroom worden net zo behandeld als tumoren zonder dat er sprake is van het Beckwith Wiedemann syndroom. Vaak is en combinatie van een operatie en chemotherapie noodzakelijk voor dit type tumoren. Soms is ook bestraling nodig. Het behandelteam kijkt aan de hand van het type tumor, de mate van uitgebreidheid van de tumor en specifieke kenmerken van de tumor welk behandelschema het meest geschikt is.

Kindernefroloog
Een kindernefroloog bekijkt of er een speciale behandeling van kalkneerslag in de nieren nodig is.

Kindercardioloog
De kindercardioloog bekijkt of behandeling van een vergroot hard nodig is. Dit zal alleen nodig zijn wanneer de pompfunctie van het hart verminderd is.

Kinderendocrinoloog
Een kinderendocrinoloog kan kinderen een behandeling met hormonen geven wanneer er sprake is van een tekort aan hormonen zoals bijvoorbeeld schildklierhormoon.

Kinderuroloog
Wanneer de balletjes niet goed indalen, dan kan de kinderuroloog door middel van een operatie er voor zorgen dat de balletjes wel in het balzakje komen te liggen.

Fysiotherapie
Een fysiotherapeut kan ouders tips en adviezen geven hoe ze hun kindje zo goed mogelijk kunnen stimuleren om er voor te zorgen dat de ontwikkeling zo optimaal als mogelijk verloopt.

School
De meeste kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom volgen regulier onderwijs. Een deel van de kinderen met een ontwikkelingsachterstand volgt speciaal onderwijs.

Orthopedagoog
Een orthopedagoog kan ouders tips en adviezen geven hoe om gaan met problemen zoals ADHD of autisme.

Kinder- en jeugdpsychiater
Een kinder- en jeugdpsychiater kan advies geven hoe om te gaan met gedragsproblemen zoals ADHD of autisme. Soms is het nodig om gedrag regulerende medicatie zoals methylfenidaat voor ADHD of risperidon voor prikkelovergevoeligheid te geven.

KNO-arts
Een KNO-arts kan kijken of de gehoorsbeentjes los gemaakt moeten worden door middel van een operatie of moeten vervangen door kunststofgehoorsbeentjes. Een gehoorapparaat kan behulpzaam zijn, wanneer kinderen slechter horen
Ook kan de KNO-arts de amandelen verwijderen bij kinderen die ’s nachts problemen hebben met ademhalen. KNO-artsen zijn ook betrokken wanneer er sprake is van een schisis.

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak tijd voor ouders om te verwerken dat de toekomstverwachtingen van hun kind er anders uit zien dan mogelijk verwacht is.

Contact met andere ouders
Door middel van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met het Beckwith Wiedemann syndroom.

Wat is de prognose van het Beckwith Wiedemann syndroom?
Stabiel blijven
Meestal nemen de klachten die het Beckwith Wiedemann syndroom veroorzaakt na de kinderleeftijd stabiel en komen er niet duidelijk nieuwe klachten bij.

Zelfstandig functioneren
De meeste volwassenen met het Beckwith Wiedemann syndroom kunnen zelfstandig functioneren in de maatschappij.

Verhoogd cholesterol
Volwassenen met dit syndroom hebben een verhoogd risico op het krijgen van een verhoogd cholesterolgehalte in het bloed.

Levensverwachting
De levensverwachting van kinderen met het Beckwith Wiedemann syndroom hangt sterk samen met het al dan niet voorkomen van problemen die horen bij dit syndroom. Bij kinderen die een tumor krijgen, een te lage bloedsuiker rondom de geboorte of die veel te vroeg geboren zijn, kan door deze problemen de levensverwachting verkort worden.
Wanneer kinderen deze problemen niet krijgen, meestal is dat rond de leeftijd van 8 jaar duidelijk, dan is de levensverwachting voor kinderen zonder deze problemen net als van kinderen zonder dit syndroom.

Kinderen
Volwassenen met het Beckwith Wiedemann syndroom kunnen normaal kinderen krijgen. Mannen met dit syndroom kunnen wel verminderd vruchtbaar zijn. Het hangt van het type foutje in het erfelijk materiaal af of deze kinderen zelf ook kans hebben om het Beckwith Wiedemann syndroom te krijgen. Bij bepaald type foutjes is deze kans 50%, bij andere type foutjes is deze kans lager. Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

 
Hebben broertjes en zusjes ook een verhoogde kans om ook het Beckwith Wiedemann syndroom te krijgen?
Het Beckwith Wiedemannsyndroom wordt veroorzaakt door een fout in het erfelijke materiaal. Soms is deze fout in het erfelijk materiaal ook bij een van de ouders aanwezig. Dan hebben broertjes en zusjes tot 50% kans om ook zelf het Beckwith Wiedemann syndroom te krijgen.
Bij een groot deel van de kinderen is het syndroom bij het kind zelf ontstaan. In die situaties hebben broertjes en zusjes nauwelijks een verhoogde kans om het Beckwith Wiedemann syndroom te krijgen.

Prenatale diagnostiek
Wanneer bekend is welk foutje in een familie heeft gezorgd voor het ontstaan van het Beckwith Wiedemann syndroom, dan is het mogelijk om tijdens een zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten in de vorm van een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie om te kijken of dit kindje ook het Beckwith Wiedemann syndroom heeft.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

 

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

Links en verwijzingen
www.bwsnl.nl
(Website van de Belangenvereniging Beckwith-Wiedemann Syndroom)
www.erfelijkheid.nl
(site met informatie over erfelijke aandoeningen)

Referenties

  1. Recommendations of the Scientific Committee of the Italian Beckwith-Wiedemann Syndrome Association on the diagnosis, management and follow-up of the syndrome. Mussa A, Di Candia S, Russo S, Catania S, De Pellegrin M, Di Luzio L, Ferrari M, Tortora C, Meazzini MC, Brusati R, Milani D, Zampino G, Montirosso R, Riccio A, Selicorni A, Cocchi G, Ferrero GB. Eur J Med Genet. 2016;59:52-64
  2. Epigenetic and genetic alterations of the imprinting disorder Beckwith-Wiedemann syndrome and related disorders. Soejima H, Higashimoto K. J Hum Genet. 2013;58:402-9

Laatst bijgewerkt: 17 januari 2016

 

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.