A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Aplasia cutis

 

Wat is aplasia cutis?

Aplasia cutis is een aangeboren afwijking waarbij een stukje huid, vaak boven op het hoofd, niet aangemaakt is.

 

Hoe wordt aplasia cutis ook wel genoemd?

Aplasia betekent niet aangelegd zijn, cutis is de medische naam voor huid. Aplasia cutis betekent dus letterlijk niet aangelegd zijn van de huid.Soms wordt ook de term aplasia cutis congenita gebruikt. De term congenita betekent aangeboren, dus al vanaf de geboorte aanwezig. Aplasia cutis congenita wordt ook wel afgekort als ACC.

 

Hoe vaak komt aplasia cutis voor bij kinderen?

Het is niet goed bekend hoe vaak aplasia cutis voorkomt bij kinderen. Geschat wordt dat het bij een op de 3000-10.000 kinderen voorkomt. Vaak zijn alleen de kinderen met de ernstigere vormen van aplasia cutis bekend bij een arts.

 

Bij wie komt aplasia cutis voor?

Aplasia cutis is al voor de geboorte aanwezig. Meestal valt het direct na de geboorte op.
Zowel jongens als meisjes kunnen aplasia cutis krijgen.
Aplasia cutis is bij een deel van de kinderen onderdeel van een bepaald syndroom. Het wordt gezien bij verschillende syndromen zoals het Adams-Oliver syndroom, het Wolf-Hirschhorn syndroom, het Johansson-Blizzard syndroom , het Kabuki syndroom, het Golz-syndroom of het trisomie 13-syndroom. Deze kinderen hebben naast de aplasia cutis ook nog andere aangeboren afwijkingen.

 

Wat is de oorzaak van aplasia cutis?

Niet bekend

De oorzaak van het ontstaan van aplasia cutis is niet bekend. Waarschijnlijk gaat het om een samenspel van veel verschillende factoren. Erfelijk aanleg lijkt ook een rol te spelen. Maar ook problemen met de bloedvoorziening, strengvorming in de baarmoeder, het gebruik van medicatie tijdens de zwangerschap (vooral medicijnen die een te snel werkende schildklier afremmen), een tweelingzwangerschap waarbij een van de kinderen vroeg tijdens de zwangerschap komt te overlijden of het doormaken van een infectie tijdens de zwangerschap kunnen mede zorgen dat een aplasia cutis ontstaat.

Ontbreken van huid

Vaak ontbreekt bij kinderen met een aplasia cutis een stukje huid boven op het hoofd, maar in principe kan aplasia cutis overal in het lichaam voorkomen. Waar om het juist vaak boven op het hoofd voorkomt is niet helemaal bekend. Wanneer de aplasia cutis op een andere plek dan de hoofdhuid zit, dan is er vaker sprake van een onderliggend syndroom. Bij 70% van de kinderen met een aplasia cutis ontbreekt een stukje huid bovenop het hoofd.

Ontbreken van schedelbot

Bij een op de drie tot vijf kinderen met een aplasia cutis ontbreekt niet alleen de huid, maar ook een deel van de onderliggende schedel en/of het hersenvlies. De hersenen zijn hierdoor minder goed beschermd dan gebruikelijk.

Andere aangeboren afwijkingen

Een deel van de kinderen met een aplasia cutis heeft ook nog andere aangeboren afwijkingen. Heel veel verschillende soorten aangeboren afwijkingen zijn beschreven bij aplasia cutis zoals een gespleten lip of gehemelte (schisis), aangeboren afwijkingen aan de handen of vingers, klompvoetjes, een open ruggetje (spina bifida) of een aangeboren afwijking van de hersenen of het ruggenmerg. Ook kunnen andere huidziekten voorkomen zoals epidermaal naevussyndroom of epidermolysis bullosa.

Adams-Oliver syndroom

Bij een deel van de kinderen is de aplasia cutis onderdeel van een syndroom met meerdere aangeboren veranderingen in het lichaam. Kinderen met het Adams-Oliver syndroom hebben ook goed zichtbare en kronkelig verlopende bloedvaatjes op hun hoofd. Vaak hebben zij ook een aangeboren afwijking aan de armen of benen. De mate van afwijking aan de armen of benen kan variëren, soms gaat het alleen om een kromme stand van de vingers, soms om het aan elkaar gegroeid zijn van vingers. Bij een klein deel van de kinderen ontbreekt een hand of een voet. Vaak heeft de huid een gemarmerde kleur. Een deel van de kinderen met het Adams-Oliver syndroom heeft een ook een aangeboren hartafwijking.

 

Wat zijn de symptomen van aplasia cutis?

Ontbreken stukje huid

Bij kinderen met een aplasia cutis ontbreekt een stukje huid. Vaak gaat het om een stukje huid boven op het hoofd. De grootte van dit stukje huid kan variëren van enkele millimeters tot tien centimeter.
Het ontbreken van de huid ziet er uit als een kuiltje boven op het hoofd. Dit kuiltje is niet diep en heeft vaak een ronde of ovale vorm. Vaak is dit kuiltje bedekt met een vlies. De huid rondom dit kuiltje kan donkerder gekleurd zijn dan de rest van de huid van het kind.
Aplasia cutis kan in principe overal op het lichaam voorkomen, ook bijvoorbeeld op de buik, de rug benen of de armen.

Korst

Bij veel kinderen zit er een korst op de huid. Hierdoor kan in eerste instantie niet opvallen dat er een stukje huid ontbreekt. Vaak heeft deze korst een zwarte kleur.

Haren

Ter plekke van het kuiltje groeien geen haren. Vaak groeien om het kuiltje heen juist extra veel haren. Dit wordt hypertrichose genoemd.

Litteken

Aplasia cutis kan ook al grotendeels genezen zijn tijdens de zwangerschap. Er is dan op de huid een litteken te zien, vaak is dit litteken geel wit van kleur. De huid van het litteken is minder soepel, dan de normale huid erom heen.

Infectie

Door het ontbreken van een stukje huid, kan er ter plaatse van het kuiltje gemakkelijker een infectie ontstaan. Vaak wordt de rand van het kuiltje dan rood en komt er geel vocht of zelf pus uit het ontstekende stukje huid. Wanneer de infectie zich verder uitbreid naar het bot van de schedel of zelfs naar de hersenen toe, dan zullen kinderen ziek worden, ze kunnen koorts krijgen, gaan huilen of juist opvallend stil zijn, spugen, epilepsie aanvallen krijgen en/of heel slap zijn in hun spieren.

Bloeding

Het ontbrekende stukje huid is kwetsbaar en kan gemakkelijker gaan bloeden. De kans hierop is vooral groter wanneer er ook een stukje van het schedelbot mist. Direct onder het schedelbot lopen namelijk grote afvoerende bloedvaten van de hersenen. Bij ontbreken van het schedelbot, zijn deze kwetsbaar en kunnen ze gaan bloeden.

Normale baby

Baby’s met een aplasia cutis zijn verder normale baby’s die alles doen wat baby’s horen te doen. Bij een groot deel van de kinderen zijn er verder ook geen andere afwijkingen. Zij ontwikkelen zich verder normaal.

Andere aangeboren afwijkingen

Een klein deel van de kinderen met een aplasia cutis heeft ook nog andere aangeboren afwijkingen. Heel veel verschillende soorten aangeboren afwijkingen zijn beschreven bij aplasia cutis zoals een gespleten lip of gehemelte (schisis), aangeboren afwijkingen aan de handen of vingers, klompvoetjes, een open ruggetje (spina bifida), een aanlegstoornis van de hersenen of een andere aangeboren afwijking van de huid. Vaak is er dan sprake van een onderliggend syndroom. Bij kinderen met een onderliggende syndroom kan de ontwikkeling wel anders verlopen dan bij kinderen die geen syndroom hebben.

 

 

Hoe wordt de diagnose aplasia cutis gesteld?

Onderzoek

Op grond van het ontbreken van een stukje huid boven op het hoofd bij een pasgeboren baby kan de diagnose aplasia cutis worden gesteld. Aanvullend onderzoek is nodig om te kijken of alleen een stukje van de huid ontbreekt of dat er ook een deel van het schedelbot en/of het harde hersenvlies ontbreekt. Ook is het belangrijk om te kijken of er aanwijzingen zijn die wijzen in de richting van het Adams-Oliver syndroom of een van de andere syndromen.

Scan van het hoofd en de rug

Kinderen met een aplasia cutis kunnen ook afwijkingen hebben van het schedelbot of van het harde hersenvlies, net als een aanlegstoornis van de hersenen of van het ruggenmerg. Vaak wordt daarom eenmaal een MRI scan van de hersenen en het ruggenmerg gemaakt om te kijken of er sprake is van een aanlegstoornis van hersenen of ruggenmerg. Nadeel aan een MRI scan is, dat het schedelbot daar niet goed op te zien is. Dit is beter te zien op een CT-scan. Soms is het dus ook nog nodig om een CT-scan te maken van het schedelbot om goed te kunnen zien of er ook een afwijking is aan het schedelbot.

Epilepsie

Kinderen met een aplasia cutis waarbij het schedelbot ontbreekt of waarbij er sprake is van een aanlegstoornis van de hersenen hebben een verhoogde kans om epilepsie aanvallen te krijgen.

Onderzoek andere organen

Indien er meerdere aangeboren afwijkingen worden gevonden, kan er sprake zijn van een syndroom. Dan zal het verstandig zijn om ook andere organen in het lichaam, zoals de ogen en het hart en de nieren te onderzoeken om te kijken of daar ook aangeboren afwijkingen aanwezig zijn.

Dermatoloog

Wanneer er naast de aplasia cutis ook nog andere huidafwijkingen zijn, dan zullen kinderen vaak verwezen worden naar de dermatoloog. De dermatoloog kan kijken of de aplasia cutis een onderdeel is van een huidziekte en aangeven van welke huidziekte er sprake is.

Geneticus

Kinderen met aplasia cutis en nog andere aangeboren afwijkingen worden vaak verwezen naar de klinisch geneticus met de vraag of er sprake is van een onderliggend syndroom. Voor kinderen zonder andere aangeboren afwijkingen hoeft dit niet te gebeuren.

 

Hoe wordt een aplasia cutis behandeld?

Afwachten

Wanneer het stukje huid wat mist kleiner is dan een 1-2 centimeter, dan zal er vaak voor gekozen worden om geen behandeling te starten, maar om af te wachten en te kijken of het lichaam zelf er voor gaat zorgen dat het ontbrekende stukje huid als nog wordt aangemaakt.
Het is belangrijk om de opening in de huid goed te beschermen. Vaak wordt de huid bedekt met speciaal verband, om de huid te beschermen. Vaak wordt gewerkt met verband met daarin medicijnen die helpen om infecties te voorkomen en die zorgen dat het ontbrekende stukje hoofdhuid voldoende vochtig blijft. Afhankelijk van hoe de opening in de huid eruit ziet, kan besloten worden wat de beste manier is om de huid te beschermen. Vaak wordt dit geregeld door een gespecialiseerde wondverpleegkundige. Dit verband moet regelmatig vervangen worden door een nieuw verband. Ook kan het nodig zijn om een tijd lang antibioticadrank te gebruiken om een infectie van de wond te voorkomen.
Zolang er geen infectie ontstaat van de hoofdhuid of een bloeding kan afgewacht worden of de hoofdhuid vanzelf dicht groeit. Meestal duurt dit een aantal weken. Ook een kleine opening in de schedel kan vanzelf dichtgroeien, vaak duurt dit wel enkele maanden.
Wanneer de huid niet dicht gaat groeien, of wanneer er een infectie van de huid of een bloeding ontstaat en bij afwijkingen die groter zijn dan 2 cm, zal vaak gekozen worden voor een operatieve ingreep. Tegenwoordig wordt ook bij ontbrekende stukjes huid groter dan 2 centimeter gekozen voor dit afwachtende beleid.

Plastische chirurgie

Een plastisch chirurg kan door middel van een operatie er voor zorgen dat er weer huid gaat groeien op de plaats waar dit nu mist. Dit doet de plastisch chirurg door een stukje huid van elders over het gebiedje met de ontbrekende huid te leggen. Dit wordt een huidtransplantatie genoemd. Er zijn verschillende technieken om er voor te zorgen dat er weer nieuwe huid gaat groeien. De plastische chirurg zal kijken welke techniek het meest geschikt is. Indien het kan, wordt er vaak voor gekozen om een stukje hoofdhuid zo te draaien dat het kuiltje bedekt, deze techniek wordt rotatieflap genoemd. Het voordeel hiervan is, dat de kans groot is dat er later ook haren gaan groeien in dit stukje huid. Wanneer het niet mogelijk is om een stukje hoofdhuid te gebruiken, kan ook een ander stukje huid gebruikt worden. Wanneer dit huid is waar geen haren op groeien, dan kan het zijn dat de nieuwe huid niet begroeid raakt met haren en dat er dus een kale plek zichtbaar is op het hoofd.

Antibiotica

Wanneer er een infectie ontstaat van de hoofdhuid, dan zal een behandeling met antibiotica (vaak via het infuus) nodig zijn om deze infectie weer tot rust te brengen.

Medicijnen tegen epilepsie

Wanneer kinderen last hebben van epilepsie aanvallen dan zal er vaak voor gekozen worden om medicijnen te geven die nieuwe epilepsie aanvallen kunnen voorkomen. Verschillende medicijnen tegen epilepsie kunnen hiervoor gebruikt worden.

Contact met andere ouders

Door het plaatsen van een oproep op het forum van deze site kunt u in contact komen met andere ouders en verzorgers die een kind hebben met een aplasia cutis.

 

Wat betekent het hebben van een aplasia cutis voor de toekomst?

Risico op infectie

Wanneer de aplasia cutis niet behandeld wordt, bestaat er een risico dat er een infectie van de huid ontstaat. Deze infectie kan zich verder uitbreiden. Wanneer ook een deel van het schedelbot of het harde hersenvlies ontbreekt, dan kan de infectie zich ook uitbreiden naar de hersenen. Hierdoor kan een hersenontsteking ontstaan, wat ernstige gevolgen kan hebben. Daarom is het belangrijk om te voorkomen dat deze complicatie ontstaat. Hoe groter het stukje huid wat mist, hoe groter de kans dat er een infectie ontstaat.

Risico op een bloeding

Bij kinderen waarbij naast de huid, ook het schedelbot en het harde hersenvlies ontbreekt, zijn er hersenen ter plekke niet goed beschermd. Net ons het hersenvlies loopt een afvoerend bloedvat. Beschadiging van dit bloedvat kan zorgen voor een bloeding uit dit bloedvat. Op deze manier kan een hersenbloeding ontstaan. Door de huid goed af te dekken en te beschermen wordt geprobeerd deze complicatie zo veel mogelijk te voorkomen.

Risico op een sinustrombose

In plaats van een bloeding uit een afvoerend bloedvat van de hersenen, kan er ook een stolsel ontstaan in dit bloedvat. Een stolsel in dit bloedvat wordt een sinustrombose genoemd. Een sinustrombose geeft klachten van hoofdpijn, braken, slaperigheid, epilepsie aanvallen of krachtsverlies in een arm en/of been. Door de huid goed af te dekken en te beschermen wordt geprobeerd deze complicatie zo veel mogelijk te voorkomen.

Spontaan herstellen van de huid

Wanneer een klein stukje huid mist, dan is de kans groot dat het lichaam zelf nieuwe huid aanmaakt waardoor het kuiltje in de huid steeds meer opgevuld wordt. Wanneer de huid helemaal dicht is, dan is het risico op een infectie of een bloeding ook nauwelijks meer aanwezig. De meeste kinderen hebben na dichtgroeien van de huid, weinig last van het litteken. Wel kan het litteken wat trekken tijdens de groei, omdat een litteken minder soepel is en minder goed mee kan groeien.
Lang niet altijd groeien er haren op het litteken, het kan dus een kaal plekje blijven op het hoofd. Door er andere haren overheen te laten vallen, lukt het vaak om dit niet te laten opvallen.

Na operatie

Na een operatie waarmee de huid bedekt wordt, is de kans op deze problemen grotendeels verdwenen. Vaak geneest de wond mooi en valt deze op latere leeftijd nauwelijks op. Het lukt niet altijd om er voor te zorgen dat er haar gaat groeien op de aangedane plek. Het kan dus zijn dat kinderen een kale plek overhouden.

Kale plek op het hoofd

Een van de restgevolgen van aplasia cutis kan een kale plek op het hoofd zijn. Wanneer deze plek opvallend is, dan is het op latere leeftijd mogelijk om de kale plek door middel van een operatie te verwijderen.

Ontwikkeling

Kinderen met een aplasia cutis zonder andere afwijkingen ontwikkelen zich meestal normaal. Wanneer er een of meerdere andere aangeboren afwijkingen zijn, dan bestaat de kans dat de ontwikkeling langzamer loopt dan bij leeftijdsgenoten. Dit is vooral het geval wanneer er aangeboren afwijkingen zijn aan de hersenen of aan het ruggenmerg.

Kinderen

Volwassenen die als kind een aplasia cutis hebben gehad, zonder dat er sprake is van een onderliggend syndroom, kunnen normaal kinderen krijgen. Deze kinderen hebben wel een verhoogde kans om zelf ook een aplasia cutis te krijgen.

 

Hebben broertjes en zusjes een vergrote kans om aplasia cutis te krijgen?

De oorzaak van aplasia cutis is niet goed bekend. Waarschijnlijk gaat het om een samenspel van verschillende factoren, erfelijk factoren lijken wel een rol te spelen. Broertjes en zusjes hebben dus wel een verhoogde kans om zelf ook een aplasia cutis te krijgen.

 

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

 

 

Referenties

1. Management of aplasia cutis congenita of the scalp. Harvey G, Solanki NS, Anderson PJ, Carney B, Snell BJ. J Craniofac Surg. 2012;23:1662-4

 

Laatst bijgewerkt: 5 maart 2013

 

 

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.