A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

SCN5A-syndroom

 

Wat is SCN5A-syndroom?
SCN5A-syndroom is een erfelijke aangeboren aandoening waarbij kinderen een verhoogde kans hebben op het krijgen van verschillende soorten hartritmestoornissen of problemen met de pompfunctie van het hart.

Hoe wordt SCN5A- syndroom ook wel genoemd?
Het woord SCN5A komt van de plaats in het erfelijk materiaal waarbij kinderen met dit syndroom een fout gevonden wordt. Deze plaats wordt SCN5A-gen genoemd.

Brugada syndroom type 1
Een andere naam die gebruikt wordt voor het SCN5A-syndroom is Brugada syndroom type 1. Bij dit syndroom verloopt de elektrische geleiding in het hart anders, waardoor kinderen hartritmestoornissen kunnen krijgen. Er bestaan ook andere fouten in het DNA die ook in staat zijn om het Brugada syndroom te veroorzaken, vandaar de toevoeging type 1.

Long QT-tijd syndroom type 3
Een ander probleem met de hartgeleiding is een lange QT-tijd. Dit kan ook het gevolg zijn van een fout in het SCN5A-gen, maar ook door andere genen veroorzaakt worden. De vorm die veroorzaakt wordt door een fout in het SCN5A-gen wordt type 3 genoemd.

Sick sinussyndroom type 1
Een andere hartritmestoornis die kan ontstaat, is het niet goed werken van de sinusknoop in het hart, waardoor het hartritme varieert. Dit wordt sick sinussyndroom genoemd.

Gedilateerde cardiomyopathie type 1E
Een deel van de kinderen en volwassenen krijgt last van hartfalen. Het hart kan het bloed dan minder goed rondpompen. Vaak raakt het hart ook vergroot. Dit wordt een gedilateerde cardiomyopathie genoemd.

Spectrum
Het is SCN5a-syndroom is dus een spectrum van verschillende soorten hartritmestoornissen en hartfunctieproblemen.



Hoe vaak komt SCN5A-syndroom voor bij kinderen?
SCN5A-syndroom is een zeldzaam voorkomende aandoening. Het is niet goed bekend hoe vaak deze aandoening bij kinderen voorkomt. Geschat wordt dat deze aandoening bij mindere dan één op de 100.000 kinderen voorkomt. Bij een groot deel van de kinderen zal niet bekend zijn dat er sprake is van het SCN5A-syndroom, omdat er nooit onderzoek naar gedaan is. Tegenwoordig worden steeds vaker genetische technieken ingezet, waardoor ook beter duidelijk zal worden hoe vaak dit syndroom voorkomt bij kinderen.

Bij wie komt SCN5A- syndroom voor?
De fout in het SCN5A-gen is al vanaf de geboorte aanwezig. De eerste klachten kunnen zowel op de kinderleeftijd als op volwassen leeftijd ontstaan. De autosomaal recessieve vorm van het SCN5A-syndroom geeft vaak op jongere leeftijd al klachten (babyleeftijd) dan de autosomaal dominante vorm.
De fout in het SCN5A-gen komt in Nederland vaker voor bij mensen die afkomstig zijn uit Limburg.
Zowel jongens als meisjes kunnen SCN5A-syndroom krijgen.

Wat is de oorzaak van een SCN5A- syndroom?
Fout in erfelijk materiaal
Het SCN5A-syndroom wordt veroorzaakt door een fout in het erfelijk materiaal van chromosoom 3 op een plaats die het SCN5A-gen wordt genoemd.

Autosomaal dominant
Meestal is er sprake van een autosomaal dominante fout, dat wil zeggen dat een fout op één van de twee chromosomen 3 die een kind heeft in het SCN5A-gen al voldoende is om de aandoening te krijgen. Dit in tegenstelling tot een autosomaal recessieve fout waarbij kinderen pas klachten krijgen wanneer beide chromosomen een fout bevatten. Bij een klein deel van de kinderen en volwassenen is er sprake van een autosomaal recessieve fout, deze kinderen en volwassenen krijgen pas klachten wanneer beide chromosomen 3 een fout bevatten.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij een groot deel van de kinderen met een SCN5A-syndroom is de fout bij het kind zelf ontstaan na de bevruchting van de eicel door de zaadcel. Het kind heeft de fout dan niet geërfd van een van de ouders. Dit wordt de novo genoemd, wat nieuw bij het kind ontstaan betekent.



Geërfd van een ouder
Een ander deel van de kinderen heeft de fout in het SCN5A-gen geërfd van een ouder die zelf ook een fout in het SCN5A-gen heeft. Vaak hebben deze ouders zelf alook last van hartritmestoornissen, maar dit is niet altijd het geval. Een klein deel van de ouders blijkt een zogenaamde mozaïek fout in het SCN5A-gen in de kiembaan te hebben. De fout zit bij een van de ouders wel in de geslachtscellen en wellicht ook in andere cellen, maar niet in de hartcellen zodat deze volwassenen zelf geen klachten hebben.

Natriumkanaal
Het SCN5A-gen bevat informatie voor de bouw van een natriumkanaal in de hartcellen. Om precies te zijn van een speciaal onderdeel van dit natriumkanaal, namelijk type 5 natriumkanaal en dan in het onderdeel wat A-subunit wordt genoemd.
Dit natriumkanaal speelt een belangrijke rol bij de elektrische geleiding in de hartcellen.



Gain of loss of function
Sommige fouten in het SCN5A-gen zorgen er voor dat het natriumkanaal harder gaat werken. Dit wordt gain of function genoemd. Andere fouten in het SCN5A-gen zorgen er voor dat het natriumkanaal minder hard gaat werken. Dit wordt loss of function genoemd. Ook dit kan zorgen voor verschil in symptomen die ontstaan.

Geleidingssysteem hart
Als gevolg van de fout in het SCN5A-gen werkt het geleidingssysteem van het hart niet goed. Op verschillende plaatsen in het geleidingssysteem kunnen problemen ontstaan, zoals in de sinusknoop, in de AV-Knoop of in de bundel van His.

Darmcellen
Het SCN5A-eiwit speelt ook een belangrijke rol in darmcellen. Daarom komen darmproblemen ook vaker voor bij kinderen en volwassenen met het SCN5A-syndroom.


Wat zijn de symptomen van een SCN5A-syndroom?
Variatie
Er bestaat een grote variatie in hoeveelheid en in ernst van de symptomen die verschillende kinderen en volwassenen met een SCN5A- syndroom hebben. Het valt van te voren niet goed te voorspellen wie welke klachten zal gaan krijgen.

Wegrakingen
Kinderen en volwassenen met het SCN5A-syndroom hebben vaak regelmatig last van wegrakingen. Tijdens deze wegrakingen zien kinderen en volwassenen bleek, staat er zweet op het voorhoofd en reageren kinderen en volwassenen niet op de omgeving en zijn zij buiten bewustzijn. Vaak duren deze wegrakingen een of enkele seconden, waarna kinderen en volwassenen zelf weer bij komen. Deze wegrakingen worden ook wel syncope genoemd.
Bij een deel van de kinderen en volwassenen ontstaan deze wegrakingen wanneer kinderen en volwassenen actief bezig zijn.

Duizeligheid
Een bijna wegrakingen kan zorgen voor aanvallen waarbij kinderen of volwassenen zich duizelig en licht in het hoofd voelen.

Hartkloppingen
Een deel van de kinderen en volwassenen heeft last van hartkloppingen. Het hart klopt onregelmatig en/of snel. Soms klopt het hart ook juist te langzaam.

Hartfalen
Bij een deel van de kinderen en volwassenen ontstaat er geleidelijk aan hartfalen. Het hart pompt het bloed minder goed rond. Hierdoor zijn kinderen en volwassenen sneller vermoeid. Kinderen en volwassenen kunnen zich hierdoor minder makkelijk actief bewegen en dit minder lang volhouden. Bij ernstig hartfalen kan er ook sprake zijn van kortademigheid en het vasthouden van vocht in de enkels.

Wiegendood
SCN5A-syndroom kan de oorzaak zijn van wiegendood bij kinderen.

Darmklachten
Kinderen en volwassenen met het SCN5A-syndroom zijn gevoeliger voor het krijgen van darmklachten, zoals een prikkelbare darm met buikpijnklachten en winderigheid of verstopping van de darmen die zorgt voor een bolle opgezette buik en harde ontlasting die moeizaam naar buiten komt.

Hoe wordt de diagnose SCN5A-syndroom gesteld?
Verhaal en onderzoek
Aan de hand van het verhaal van een kind of volwassene met terugkerende hartritmestoornissen of onverklaard hartfalen kan gedacht worden aan een onderliggend genetisch syndroom. Er bestaan verschillende syndromen die allemaal dezelfde klachten kunnen geven. Er zal dus aanvullend onderzoek nodig zijn om de diagnose te stellen.

DNA onderzxoek
Door middel van bloedonderzoek kan gekeken worden naar het voorkomen een fout in het erfelijk materiaal van het SCN5A-gen. Dit kan gericht gebeuren wanneer er aan gedacht wordt, omdat de aandoening bijvoorbeeld in de familie voorkomt.
Tegenwoordig bestaan er ook zogenaamde gecombineerde DNA testen met daarin alle bekende veranderingen in het DNA waarvan bekend is dat ze hartritmestoornissen kunnen veroorzaken, dit -exome sequencing genoemd. Op deze manier kan ook ontdekt worden dat er sprake is van een SCN5A- syndroom.

Kindercardioloog
De (kinder)cardioloog kan door middel van een hartfilmpje beoordelen of er aanwijzingen voor hartritmestoornissen. Verschillende soorten hartritmestoornissen komen voor zoals sinusaritmie, sinusbradycardie, ectopisch focus, AV-blok, atriumfribrileren, ventrikelfribrilleren, lang QT-tijd syndroom, Door middel van ECHO onderzoek van het hart kan gekeken worden hoe goed het hart in staat is om het bloed rond te pompen.

Holter
Omdat de hartritmestoornissen meestal niet de hele tijd aanwezig zijn, maar af en toe, kan een langerdurende ECG-registratie helpen om de hartritmestoornisen op te sporen. Zo'n onderzoek wordt Holter onderzoek genoemd. Een andere optie is een eventrecorder, die het hartritme registreert wanneer er een wegraking optreedt.

Hoe wordt SCN5A-syndroombehandeld?
Geen genezing
Er is geen behandeling die SCN5A-syndroom kan genezen. De behandeling is er op gericht om hartritmeproblemen en de gevolgen van hartritmeproblemen zo veel mogelijk te voorkomen.

Medicijnen
Met behulp van medicijnen kan geprobeerd worden het hartritme te beinvloeden, zodat hartritmestoornissen minder gemakkelijk optreden. Deze medicijnen worden voorgeschreven door een (kinder)cardioloog. Ook kunnnen medicijnen nodig zijn om de pompfunctie van het hart te beinvloeden.

Pacemaker
Een deel van de kinderen en volwassenen heeft een pacemaker nodig die het hartritme kan aansturen wanneer het hart dit zelf onvoldoende doet.

Verstopping van de darmen
Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt. Verder blijft het belangrijk om te zorgen dat kinderen voldoende vocht en vezels binnen krijgen en zo veel als kan bewegen. Regelmatig zijn zetpillen (bisacodyl) of clysma's nodig om de ontlasting op gang te krijgen. Wanneer dit onvoldoende helpt kan darmspoelen een optie zijn.

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak tijd voor ouders om te verwerken dat een kind deze aandoening heeft en om te gaan met de onzekerheid die hierbij komt kijken.

Contact met andere ouders
Door het plaatsen van een oproep op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders met een SCN5A- syndroom

Wat betekent het hebben van een SCN5A- syndroom voor de toekomst?

Transitie van zorg
Tussen de leeftijd van 16 en 18 jaar wordt de zorg vaak overgedragen van kinderspecialisten naar specialisten die de zorg aan volwassenen geven. Het is belangrijk om tijdig hierover na te denken. Is er behoefte de zorg over te dragen naar specialisten voor volwassenen of kan de huisarts de zorg leveren die nodig is.En als er behoefte is aan overdragen van de zorg naar specialisten voor volwassenen, naar welke dokter(s) wordt de zorg dan overgedragen? In welk ziekenhuis kan de zorg het beste geleverd worden. Het proces van overdragen van de zorg wordt transitie genoemd. Het is belanrgijk hier tijdig over na te denken en een plan voor te maken samen met de dokters die betrokken zijn bij de zorg op de kinderleeftijd.
Ook verandert er veel in de zorg wanneer een jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt. Voor meer informatie over deze veranderingen verwijzing wij u naar het artikel veranderingen in de zorg 18+.

Levensverwachting
De levensverwachting van kinderen en volwassenen met SCN5A-syndroom hangt sterk samen het al dan niet optreden van hartritmestoornissen en het soort hartritmestoornissen. Helaas komt plotse hartdood vaker voor bij kinderen en volwassenen met dit syndroom.
 
Kinderen krijgen
Het hebben van het SCN5A-syndroom is niet van invloed op de vruchttbaarheid. Wanneer een volwassene kinderen krijgt, dan hebben deze kinderen hebben dan zelf 50% kans om ook de fout in het SCN5A-gen te krijgen. Hierdoor hebben deze kinderen een vergrote kans om zelf ook hartritmestoornissen te krijgen. Of dit dan in dezelfde mate als bij de ouder is niet goed bekend. Indien de volwassene geen kinderen wil of kan krijgen, moet wellicht nagedacht moeten worden over anticonceptie, waarover u in deze folder meer informatie vindt.

Hebben broertjes en zusjes een vergrote kans om een SCN5A-syndroom te krijgen?
Dit hangt er vanaf of een van de ouders ook zelf een fout in het SCN5A-gen heeft. Wanneer een van de ouders zelf ook een fout heeft in het SCN5A-gen, dan hebben broertjes en zusjes tot 50% kans om zelf ook een fout in het SCN5A-gen te krijgen.
Wanneer de ouders zelf geen fout in het SCN5A-gen hebben, dan is de kans erg klein dat een broertje of zusje ook een SCN5A- syndroom gaat krijgen. Dit zou alleen kunnen als het foutje in de eicellen of zaadcellen aanwezig is, zonder dat het in de andere lichaamscellen van de ouder aanwezig is. De kans hierop is klein ongeveer 1%. Dit wordt ouderlijk mocaisisme genoemd.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek
Wanneer ouders eerder een kindje hebben gekregen met SCN5A- syndroom dan is het mogelijk om tijdens een volgende zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten in de vorm van een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie. Er kan dan getest worden of dit kindje ook een fout in het SCN5A-gen heeft. Het blijft wel moeilijk om te voorspellen of dit kindje dan ook daadwerkelijk last gaat krijgen van epilepsie en in welke mate dit zal zijn. Beide ingrepen hebben een klein risico op het ontstaan van een miskraam (0,5% bij de vlokkentest en 0,3% bij de vruchtwaterpunctie).Meer informatie over prenatale diagnostiek kunt u vinden op de website: www.npdn.nl.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

Heeft u foto's die bepaalde kenmerken van deze aandoening duidelijk maken en die hier op de website mogen worden geplaatst, dan vernemen wij dit graag.

Links en verwijzingen

Referenties
1. Congenital and childhood atrioventricular blocks: pathophysiology and contemporary management. Baruteau AE, Pass RH, Thambo JB, Behaghel A, Le Pennec S, Perdreau E, Combes N, Liberman L, McLeod CJ. Eur J Pediatr. 2016;175:1235-1248
2. Clinical Spectrum of SCN5A Mutations: Long QT Syndrome, Brugada Syndrome, and Cardiomyopathy. Wilde AAM, Amin AS. JACC Clin Electrophysiol. 2018;4:569-579
3. Brugada syndrome with SCN5A mutations exhibits more pronounced electrophysiological defects and more severe prognosis: A meta-analysis. Chen C, Tan Z, Zhu W, Fu L, Kong Q, Xiong Q, Yu J, Hong K. Clin Genet. 2020;97:198-208

Laatst bijgewerkt: 10 maart 2021

 

Auteur:JH Schieving

 

 

 

 



 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.