A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Multiple sclerose en aanverwante aandoeningen

 

MS

ADEM

NMO

Opsoclonus myoclonus

Auto-immuunencefalitis

Multiple sclerose

(terug)

Multiple sclerose, afgekort met de letters MS is een redelijk vaak voorkomende neurologische aandoening in Europa.
Hoe dichter richting de evenaar iemand geboren is, hoe kleiner de kans op MS lijkt te zijn. Hoe dit precies zit, is nog niet opgehelderd.

MS kan op elke leeftijd beginnen, van de kinderleeftijd tot volwassen leeftijd. De meeste mensen krijgen de eerste klachten op (jong) volwassen leeftijd. MS komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.
In de boeken staat dat MS bij een op de 1000 mensen voorkomt, maar er zijn aanwijzingen dat dit mogelijk vaker is, met getallen varierend tussen de 1,5 tot 2 op de 1000 mensen. In Nederland wordt de diagnose MS bij 1500 nieuwe patienten per jaar gesteld en hebben ongeveer 25.000 mensen in Nederland MS.

- oorzaak MS-

Multiple sclerose is een aandoening waarbij op meerdere plaatsen in de hersenen en in het ruggenmerg het myelinelaagje rondom de neuronen verdwijnt en de axonen van de neuronen beschadigd raken. Op deze plaats ontstaat gliose, waardoor een plaatselijke verharding in de hersenen onstaat. Zo is MS aan zijn naam gekomen, multiple sclerose betekent letterlijk meerdere verhardingen.

Lange tijd is gedacht dat in eerste instantie het myelinelaagje wordt aangevallen en in tweede instantie het axon, maar tegenwoordig zijn er ook aanwijzingen dat dit mechanisme ook wel eens andersom zou kunnen zijn, dat eerst het axon beschadigd en later het myeline.

MS is een auto-immuunaandoening: een aandoening waarbij het eigen afweersysteem van de persoon lichaamseigen zenuwen in de hersenen aanvalt alsof het een bacterie of virus is wat opgeruimd moet worden.
Buiten het zenuwstelsel raken zogenaamde T-cellen geactiveerd. Deze T-cellen zijn in staat om over de bloedhersenbarriere heen te gaan naar de hersenen en het ruggenmerg. In het de hersenen en het ruggenmerg worden vervolgens andere cellen geactiveerd : zoals microglia cellen, astrocyten , macrofagen en plasmacellen. Zij maken allerlei cytokines en afweerstoffen aan die zorgen voor de afbraak van de axonen en hun myeline laag.

Uiteindelijk dooft de actieve ontsteking door MS uit en ontstaat er ter plaatse van de ontsteking gliose. Gliose is hard weefsel. Zo komt MS ook aan zijn naam, multiple sclerose beteknt meerdere verhardingen.

Bij het ontstaan van MS speelt erfelijkheid voor een deel een rol. Het blijkt dat familieleden een 5-10 keer hogere kans hebben om ook MS te krijgen dan bijvoorbeeld de buurvrouw of buurman die geen familie is. Waarschijnlijk hebben mensen met bepaalde eigenschappen op hun imuunsysteem een hogere kans om MS te krijgen. Een van die kenmerken van het immuunsysteem is het HLA-DR2 kenmerk.
Mensen met dit kenmerk op hun immuunsysteem hebben een hogere kans om een auto-immuunaandoening zoals MS te krijgen.

Daarnaast spelen waarschijnlijk ook andere omstandigheden een rol. Er is gedacht dat een infectie met het Ebstein-Barr virus een rol zou kunnen spelen en er wordt veel onderzoek gedaan naar de invloed van vitamine D.

- Klachten als gevolg van MS-

Mensen met MS kunnen veel verschillende soorten klachten krijgen. Welke klachten iemand krijgt hangt af van de plaats in de hersenen of het ruggenmerg waar een beschadiging ontstaat als gevolg van de auto-immuunontsteking.

Moeheid komt bij 95% van de mensen met MS voor, maar telt niet mee als symptoom voor vast stellen van de diagnose MS, omdat moeheid zeer veel verschillende oorzaken kan hebben.

Ook komen problemen met nadenken vaak voor bij MS (70%), vaak gaat het om een tragere snelheid van nadenken en een kleinere omvang van het werkgeheugen.

Hoewel MS voor heel veel verschillende klachten kan zorgen, zijn onderstaande problemen uitermate zelden het gevolg van MS.

Een groot deel van de mensen met MS heeft last van het teken van Lhermitte. Zij krijgen een stroomgevoel langs hun ruggengraat bij het voorover buigen van het hoofd.

Een van de eerste symptomen van MS zijn vaak problemen met het zien. Verschillende soorten problemen met zien kunnen voorkomen bij mensen met MS.

Een visusstoornis die vaak (maar zeker niet altijd) wijst op MS als onderliggende oorzaak is een internucleaire ophtalmoplegie. Dit wordt veroorzaakt door een laesie van de fasciculus longitudinalis medialis (FLM). De FLM zorgt voor de verbinding tussen de kern van de nervus VI en de kern van de nervus III die beide moeten samenwerken om er voor te zorgen dat beide ogen tegelijk naar een kant kijken (ook wel lateraal blikken genoemd)

Wanneer deze baan beschadigd raakt door MS, dan kan het oog aan de kant van de afwijking nog wel naar lateraal blikken, maar het oog aan de andere kant van de leasie in de FLM niet meer. Dit oog blijft rechtuit kijken. Omdat de kern van NVI erg zijn best doet om toch de FLM te activeren (wat niet lukt omdat de baan kapot is) ontstaat in het oog wat wel naar lateraal kan kijken een nystagmus.

Neuritis optica is ook een veelvoorkomend visusprobleem bij MS. De persoon ziet niets met een oog, terwijl de dokter vaak aan het oog ook geen afwijkingen kan zien. Lang niet altijd is er namelijk papiloedeem gezien worden.

Met behulp van Visual Evoked Potential onderzoek kan aangetoond worden dat de oogzenuw trager reageert dan de niet aangedane oogzenuw.

De EDSS is een schaal om de mate van functioneren van een MS patient weer te geven. Nadeel aan deze schaal is dat er veel nadruk ligt op de motoriek en weinig op andere symptomen die bij MS voorkomen.

Hieronder ziet u het functioneren horend bij een bepaalde score op de EDSS. Er zijn nog tussenschalen met halve punten die hier niet weergegeven zijn.

MS is een diagnose die op grond van typische kliniek in combinatie met typische bevindingen bij aanvullend onderzoek en ontbreken van een andere verklaring kan worden gesteld.
MS is een diagnose die op grond van afspraken wordt gesteld.



Op de MRI-scan worden bij MS vaak typische afwijkende in de wittestof gezien.

Het is belangrijk om gebruik te maken van de juiste MRI-techniek. Vaak wordt de FLAIR-opname gebruikt, maar deze is niet geschikt voor het vaststellen van laesies infratenoriaal of in het myelum. Hiervoor zijn T2, PD of STIR (myelum) beter geschikt.

Witte stof afwijkingen kunnen ook het gevolg zijn van ischaemie wat veel vaker voorkomt dan MS.
De witte stofafwijkingen bij MS zitten vaak op typische voorkeursplaatsen. Dit kan helpen bij het maken van onderscheid tussen witte stof afwijkingen in het kader van MS en witte stof afwijkingen als gevolg van ischaemie.

Het is niet altijd eenvoudig om onderscheid te maken tussen MS en witte stof afwijkingen als gevolg van small vessel disease (SVD). De vorm en de stand van de laesies ten opzichte van het corpus callosum kan helpen. Bij small vessel disease zitten de afwijkingen vooral in gebieden waar de perfusie minder goed geregeld is (perivasculair). Deels zijn dit ook gebieden die aangedaan zijn bij MS. Bij twijfel kan een PD-opname helpen bij het maken van het onderscheid.

Het is belangrijk om ook een sagitale MRI opname te maken, bij MS kunnen hierbij typische afwijkingen worden gezien die zogenaamde Dawson's fingers worden genoemd. Dit patroon worden niet gezien bij witte stof afwijkingen als gevolg van small vessel disease en ook niet bij Susac syndroom.

Ook het maken van een MRI van het ruggenmerg kan helpen om onderscheid te maken, hierop worden bij MS wel vaak afwijkingen gezien maar bij small vessel disease niet. Andere aandoeningen die afwijkingen in het myelum kunnen geven zijn neuromyelitis optica (NMO) en vitamine B12 deficientie. Bij NMO zijn de myelum afwijkingen te zien over een veel langer traject (Longitudinal extensive transverse myelitis LETM) dan bij MS.

Bij MS kunnen er afwijkingen te zien zijn aan de nervus opticus. Dit kan ook het geval zijn bij neuromyelitis optica (NMO). Kenmerkend voor MS is dat de afwijkingen het meest retrobulair worden gezien. Bij NMO veroorzaakt door anti-MOG antistoffen is er vaak betrokkenheid van de papil en zitten de afwijkingen het meest in de papil en het aangrenzende deel van de nervus opticus en dus meer naar voren dan bij MS.
Bij NMO door anti-aquaporine4 antistoffen zitten de afwijkingen veel meer naar achteren dan bij MS, vaak in het chiasma of in de tractus opticus, dus meer distaal dan bij MS.

De vorm van MS laesies op de MRI scan kan soms doen denken aan een hersentumor. Dit wordt tumefactive MS genoemd. Kenmerkend voor tumefactive MS laesies is dat de ring niet gesloten is (zoals bij een tumor of abces) maar open is aan de corticale zijde. Ook verandert het patroon vaan aankleuring in de loop van de tijd. Dit tumorachtige aspect bij MS ontstaat doordat er eerst sprake is van aankleuring rondom een bloedvat, deze aankleuring beweegt zich naar buiten toe wanneer de laesie groter wordt, in tweede instantie beweegt de aankleurende ring weer naar binnen toe en ontstaat in het achtergebleven gebied gliose.

Bij twijfel over de diagnose MS kan liquor onderzoek behulpzaam zijn. Unieke oligoclonale banden pleiten sterk voor de diagnose MS.

McDonald heeft criteria opgesteld in 2001 wanneer gesproken mag worden van de diagnose MS. De diagnose kan op klinische gronden gesteld worden wanneer er sprake is van voor MS typische aanvallen in combinatie met MRI afwijkingen kenmerkend voor MS, waarbij aangetoond is dat er sprake is van toename van MS activiteit in de loop van de tijd en op een andere plaats in het zenuwstelsel. Dit wordt disseminatie in tijd en disseminatie in plaats genoemd.



Het is ook mogelijk om de diagnose al na een klinische aanval te stellen, wanneer voldaan wordt aan aanvullende criteria met behulp van hulponderzoek. In 2001 was dit hulponderzoek de MRI scan. Deze scan werd drie maanden na de eerste MRI scan herhaald.
De Mc Donald criteria zijn herzien in 2005, 2010 en 2017. In 2005 en 2010 zijn met name de MRI critieria verder aangescherpt. Zowel symptomatische als niet niet symptomatische MRI afwijkingen gingen meetellen bij stellen diagnose.
In de herziene criteria van 2017 is er meer plaats gekomen voor het inzetten van liquor diagnostiek bij het stellen van de diagnose MS.

De criteria voor vaststellen van disseminatie in plaats zijn:

De criteria voor vaststellen van disseminatie in tijd zijn:

Doel van het eerder stellen van de diagnose, is het kunnen starten met preventieve behandeling om nieuwe MS schubs te voorkomen. Dit is alleen maar zinvol wanneer de patient die ook daadwerkelijk wil. Een andere optie is om de patient te vervolgen in de tijd, dan zal ook duidelijk worden of er sprake is van MS. Omdat er aanwijzingen zijn dat vroeg starten van de behandeling een gunstig effect kan hebben op het beloop van MS, is het wel belangrijk om samen met de patient de voors en tegens van vroeg stellen van de diagnose af te wegen.

In onderstaande tabel is te zien wat er nodig is om de diagnose MS te kunnen stellen afhankelijk van het aantal klinische aanvallen die een patient heeft gehad.
Komt er voor het herhalen van de MRI na 3 maanden een nieuwe klinische schub in een andere localisatie van het zenuwstelsel dan is deze diagnostiek natuurlijk niet meer nodig(zie tabel).

- beloop MS-

Het beloop van de ziekte MS is bij iedere persoon anders. Bij 80% van de mensen begint MS met schubs die weer herstellen. Bij 20% van de mensen, vaker mannen, komen deze schubs helemaal niet voor zijn hebben vanaf begin een progressief beloop waardoor er geleidelijk aan steeds meer klachten ontstaan zonder herkenbare schubs.
Van de mensen die begint met schubs (dit wordt relapsing-remitting MS) genoemd, krijgt een groot deel van de mensen uiteindelijk ook een progressief beloop. Dit wordt secundair progressieve MS genoemd. Een klein deel van de mensen heeft wel schubs, maar houdt geen of nauwelijks restverschijnselen over, dit wordt een benigne beloop genoemd.

Tegenwoordig wordt MS onderverdeeld in 5 categorieen: CIS, RIS, RRMS, PPMS en SPMS. Het bovengenoemde benigne beloop valt nu ook in de categorie Relapsing Remitting MS. Ook is er een categorie gemaakt voor mensen die een klinische aanval van MS gehad hebben, maar nog geen tweede aanval hebben gekregen. Deze groep wordt CIS genoemd. Er is ook een groep patienten waarbij MRI afwijkingen passend bij MS worden gevonden, maar die nog nooit een aanval hebben gehad. Deze categorie wordt RIS genoemd.

Patienten die een aanval hebben gehad die kan passen bij MS, maar nog geen tweede aanval worden aangeduid met de term CIS.

Wanneer er een MRI scan wordt gemaakt bij een patient om een andere reden dan verdenking MS (vaak hoofdpijn) en er voor MS kenmerkende afwijkingen worden gezien dan wordt er gesproken van RIS.

Voor het stellen van de diagnose primair progressieve MS zijn aparte criteria opgesteld in de Mc Donald criteria van 2017.

Het kan lastig zijn om de diagnose MS te stellen. In praktijk blijkt dat 5-10% van de patienten met de diagnose MS, in werkelijkheid geen MS te hebben. De differentiaal diagnose van MS staat hieronder weergegeven.

Er bestaan red flags om aan een andere diagnose dan MS te denken. In deze situaties is het belangrijk om nog extra zorgvuldig te overwegen of er inderdaad sprake is van MS en niet van een andere diagnose.

- Behandeling MS-

De behandeling van relapsing-remitting vorm van MS bestaat uit drie peilers. Voor de secundair progressieve vorm van MS en de primaire progressieve vorm van MS bestaat nog geen effectieve medicatie en bestaat de behandeling voornamelijk uit begeleiding en behandeling van symptomen.

Behandeling van een schub gebeurt met het immunosupressiva medicijn methylprednisolon. Het is belangrijk te bedenken dat met dit medicijn het herstel van d schub sneller gaat, maar dat het geen effect heeft op de mate van herstel.

Er bestaat ook een behandeling die nieuwe schubs kan voorkomen. Dit wordt DMT-behandeling genoemd: disease modifying treatment. Ook wordt de Nederlandse term ZMT gebruikt: ziekte modulerende therapie.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen 1e lijnbehandeling en 2e lijnsbehandeling.

 

In geval van zeer actieve MS kan direct gestart worden met 2e lijns behandeling.

Ook kan bij meerdere ongunstige prognostische factoren overwogen worden direct met tweedelijns behandeling te starten.



In eerste instantie (1e lijn genoemd) wordt gestart met of interferonen die subcutaan of intramusculair via een injectie worden toegediend of met glatirameeracetaat. De laatste jaren zijn er ook medicijnen op de markt gekomen die als tablet of capsule kunnen worden ingenomen.
Indien een bepaald middel niet werkt, kan geswitcht worden naar een ander middel dat dan wel beter bij deze persoon past en werkzaam kan zijn.

Er is geen evidence met welk middel het beste gestart kan worden, arts en patient bepalen samen welk middel het beste past.

Het doel van de behandeling is om alle ziekteactiviteit volledig te onderdrukken: NEDA no evidence of disease activity. Dit wordt bepaald aan de hand van MRI-beeld en de EDSS-score. Nadeel hiervan is dat de patient toch veranderingen kan ervaren (bijvoorbeeld tintelingen, meer vermoeidheid, meer problemen met nadenken) terwijl de MRI en de EDSS-score dat niet laten zien. Dit wordt daarom verborgen ziekteactiviteit genoemd.

Indien een eerste lijns behandeling niet werkt kan een tweede lijns behandeling worden gegeven. Wel moet er gekeken worden of er sprake is van goed gebruik van het middel. Ook worden ernst van de relapse, de stabiliteit van de ziekte de afgelopen jaren, de verdraagzaamheid van het middel en prognostische factoren meegewogen of het zinvol is een switch te maken naar een tweedelijns middel.

Er bestaan inmiddels verschillende tweede lijns behandelingen. Neem bij de keuze voor een 2e lijnsmiddel voor een vrouw met MS mee dat fingolimod niet tijdens een zwangerschap gebruikt mag worden. Alemtuzimab wordt ook wel als 3e lijns behandeling beschouwd.

Het blijkt dat het doseren van nataluzimab niet bij iedere patient een keer per maand hoeft te zijn en dat er ook mensen waarbij een lagere frequentie van infuus nataluzimab hetzelfde effect heeft. Aan de hand van dalconcentraties van het middel, wordt per patient gekeken hoe vaak de nataluzimab gedoseerd moet worden. Hiermee wordt de kans op PML ook kleiner.

Een risico van behandeling met nataluzimab is het ontstaan van de aandoening PML: progressieve multifocale leucoencefalopathie.

In geval van PML kan geswitcht worden naar bijvoorbeeld ocrelizumab. Het is wel van belang dat er geen sprake meer is van een lymfopenie voor starten van ocreluzimab. In geval van lymfopenie moet gewacht worden met starten van ocrelizumab, echter niet langer dan 6 weken vanwege het risico op ontstaat van een schub.

De verschillende middelen uit de tweede lijns behandeling grijpen op verschillende punten in het pathofysiologisch proces van MS aan.

Er zijn diverse nieuwe middelen in ontwikkeling voor MS

In Nederland is stamceltherapie als behandeling voor MS niet mogelijk. Er loopt anno 2020 wel Europees onderzoek (RAM-MS, BEAT-MS) om de waarde van stameceltherapie te vergelijken met 2e lijnsbehandeling.

Er zijn ook redenen om te stoppen met preventieve behandeling bij MS,zoals bij bijwerkingen, bij neutraliserende antlichamen en geen aanvallen in de afgelopen 5 jaar en geen nieuwe MRI afwijkingen, bij een mild beloop of bij de wens om zwanger te worden. Wel wordt geadviseerd tot de leeftijd van 45 jaar in elk geval door te behandelen ook wanneer de ziekte rustig is. Een eerste lijns middel kan daarna worden gestopt, er wordt geadviseerd met een tweedelijns middel door te gaan ook als de ziekte rustig is.
Wanneer een relapsing-remitting MS overgaat in secundair progressieve MS moet overwogen worden of het nog wel zinvol is om door te gaan met behandelen. Vroeger werd gedacht van niet, nu wordt er genuanceerder over gedacht, het is belangrijk om na te gaan of er nog tekenen van inflammatie aanwezig zijn. Indien wel dan kan doorbehandelen zinvol zijn.

Anno 2020 de DOT-MS studie om na te gaan of bij patienten met 1e lijnstherapie zonder ziekteactiviteit gerandomiseerd wordt voor staken behandeling of doorgaan met de behandeling.

Secundair progressieve MS
Waarschijnlijk is het onderscheid tussen relapsing-remitting MS en secundair progressieve MS niet zo zwart/wit als vroeger gedacht werd en is ook bij relapsing-remitting MS al sprake van een langzame progressie zonder schubs. Dit wordt PIRA genoemd: Progression indepedent of relaps activity.

Er bestaat nog geen effectieve behandeling voor primair progressieve MS die het ziektebeloop in gunstige zin kan beinvloeden. De behandeling bestaat uit behandeling van symptomen.

Inmiddels is het effect van ocreluzimab bij PPMS aangetoond.

MS komt vaak voor op de leeftijd dat vrouwen zwangerschapswens hebben. Het medicijn fingolimod moet niet tijdens de zwangerschap gebruikt worden vanwege verhoogd risico op aangeboren afwijkingen bij het kind. Er wordt geadviseerd dit middel in elk geval 2 maanden gestopt te hebben voordat er een poging wordt ondernomen om zwanger te worden.

Begeleiding van MS patienten is erg belangrijk. Het is goed om te kijken naar wat de persoon nog wel kan en dit te trainen. Hulpmiddelen kunnen zorgen dat een persoon met MS toch zelfstandig kan functioneren.
Support voor MS patienten kan op verschillende manier gegeven worden


MS behandeling is ketenzorg behandeling en per persoon zal gekeken moeten worden wat de juiste behandeling is passend bij die persoon.

Het is voor mensen met MS belangrijk om dagelijks te bewegen, niet te roken en te voorkomen dat zij te zwaar van gewicht worden.
Een fysiotherapeut kan adviezen geven voor oefeningen voor spiertraining.

Het krijgen van de diagnose MS heeft grote impact op het leven van de persoon. Een psycholoog kan mensen met MS helpen hoe om te gaan met aceptatie van het hebben van de aandoening, onzekerheid, angst, invulling van het dagelijks leven, omgaan met de sociale omgeving.

Een psycholoog kan ook helpen bij psychische problemen die vaker voor komen bij mensen met MS dan bij mensen zonder MS. Naast de psycholoog kan ook begeleiding door een psychiater nodig zijn.

Behandeling van psychische problemen kan van grote invloed zijn op de kwaliteit van leven van een patient met MS.

Met behulp van deze aanpak kan 1/3 van de personen met MS zelfstandig functioneren, kan 1/3 dat met behulp van hulpmiddelen en kan 1/3 dat alleen met de hulp van anderen.

 

ADEM

(terug)

Op kinderleeftijd komt de aandoening ADEM voor. ADEM kent net als MS een schub, maar deze verloopt vaak heftiger. Kinderen met ADEM kunnen een verlaagd bewustzijn krijgen.
Net als bij de schub bij MS herstellen de symptomen van ADEM weer, vaak met behandeling door middel van methylprednisolon.

Vroeger werd gedacht dat ADEM eenmalig was en niet meer terug komt. Inmiddels is bekend dat 30-50% van de kinderen toch nog een tweede episode krijgt, zodat bij hen uiteindelijk de diagnose MS gesteld wordt.


Neuromyelitis optica (NMO)

(terug)

Een andere auto-immuun aandoening is neuromyelitis optica. Hierbij krijgt een persoon min of meer tegelijkertijd (er kan een paar dagen tot weken tussen zitten) een neuritis optica en een myelitis.
Dit is een andere aandoening dan ADEM en MS.
Hierbij is ontdekt dat er anti-stoffen worden gemaakt tegen aquaporine-4. Ook blijkt een deel van de mensen antistoffen tegen MOG te hebben.
Personen met deze aandoening ontwikkelen geen MS. Er is dus geen indicatie voor starten van preventieve medicatie in kader van MS.

NMO komt minder vaak voor dan MS, wel zijn net als bij MS vrouwen meer aangedaan dan mannen. De debuutleeftijd van NMO en MS is ook min of meer hetzelfde.

NMO kan verschillende soorten klachten geven.

Bij het merendeel van de mensen met NMO worden antistoffen tegen aquaporine-4 gevonden. Bij een klein deel van de mensen antistoffen tegen MOG.
Antistoffen tegen aquaporin-4 zijn specifiek voor NMO, antistoffen tegen MOG zijn dit niet, deze worden ook bij andere auto-immuunaandoeningen gevonden.

Bij een deel van de mensen met NMO is er sprake van een laesie in de area postrema van de hersenstam. Dit is ook een typische voorkeursplaats voor NMO.

Neuritis optica kan zowel onderdeel zijn van NMO als van MS. MS komt vaker voor dan NMO. Het vinden van papiloedeem pleit meer voor NMO dan voor MS. Het ontbreken van herstel pleit meer voor NMO dan voor MS. Ook kan de plaats van de ontsteking in de nervus opticus helpen bij het maken van het onderscheid. Ontsteking van de papil en het proximale deel van de nervus opticus pleit voor NMO als gevolg van anti-MOG. Ontsteking van het chiasma en/of de tractus opticus pleit meer voor NMO als gevolg van anti-aquaporine 4 antistoffen.

mri neuritis optica

Myelitis transversa kan ook zowel bij MS als bij NMO voorkomen. Myelitis in kader van NMO gaat meestal over een lang traject, terwijl myelitis in het kader van MS meestal maar over een kort traject verloopt. Een andere belangrijke DD is een vitamine B12 deficientie die gezien toename van lachgasgebruik onder jongeren ook steeds vaker wordt gezien.

mri myelitis

Een NMO exacerbatie wordt net als MS behandeling met methylprednisolon. Vaak moet de prednison langzaam worden afgebouwd.
De preventieve medicatie die gebruikt kan worden voor NMO is anders dan die bij MS !

Net als bij MS kent NMO meestal een relapsing-remitting beloop.

Opsoclonus myoclonus syndroom

(terug)

 

 

Auto-immuunencefalitis

(terug)

Laatst bijgewerkt: 19 december 2020

Auteur: JH Schieving

Referenties
- Biemond syllabus MS 2020

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.