A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Functionele bewegingsstoornis

 

Wat is een functionele bewegingsstoornis?
Een functionele bewegingsstoornis is een probleem met bewegen die ontstaat doordat bepaalde hersenengebieden, vaak als gevolg van te veel stress en spanning in het lichaam, niet op de juiste manier werken, zonder dat er sprake is van schade aan de hersencellen zelf.

Hoe worden functionele bewegingsstoornissen ook wel genoemd?
Het woord functioneel geeft aan dat een bepaalde functie niet goed uitgevoerd wordt, in dat geval dus bewegen, zonder dat er sprake is van schade aan de hersencellen zelf.

Somatoforme stoornissen
Ook wordt wel de term somatoforme bewegingsstoornissen gebruikt. De bewegingsstoornissen lijken (dit betekent het woord forme) op bewegingsstoornissen veroorzaakt door een beschadiging ergens in het lichaam (somato), maar worden veroorzaakt door spanning en stress in het lichaam.

SOLK
Functionele bewegingsstoornissen behoren tot een groep aandoeningen die ook wel SOLK worden genoemd: Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten. Dit is een verzamelnaam voor allerlei klachten die veroorzaakt worden door een samenspel van verschillende factoren, waarbij stress en spanning een belangrijke rol spelen. De term onverklaard is wellicht niet zo’n ongelukkig gekozen term, de klachten kunnen wel degelijk verklaard worden.

Bij wie komen functionele bewegingsstoornissen voor?
Functionele bewegingsstoornissen kunnen zowel bij kinderen als bij volwassenen voorkomen. Op de kinderleeftijd komen functionele bewegingsstoornissen het meest voor bij tieners.
Zowel jongens als meisjes kunnen functionele bewegingsstoornissen hebben. Functionele bewegingsstoornissen komen iets vaker bij meisjes dan bij jongens voor.

Hoe vaak komen functionele bewegingsstoornissen voor bij kinderen?
Het is niet goed bekend hoe vaak functionele bewegingsstoornissen voorkomen bij kinderen, het is zeker niet zeldzaam. Geschat wordt dat één op de 25 tot 50 kinderen en volwassenen tijdens het leven te maken krijgt met een functionele bewegingsstoornis.
Wanneer gekeken wordt naar speciale polikliniek voor kinderen en volwassenen met een bewegingsstoornis, dan blijkt bij één op de drie tot vijf kinderen en volwassenen er sprake te zijn van een functionele bewegingsstoornis.

Wat is de oorzaak van een functionele bewegingsstoornis?
Samenspel
Functionele bewegingsstoornissen worden vaak veroorzaakt door samenspel van allerlei verschillende factoren die bij elkaar komen. Het is niet altijd gemakkelijk om na te gaan wat nu de precies de aanleiding is voor het ontstaan van de functionele bewegingsstoornissen, dit kan iets kleins zijn: “ de druppel die de emmer doet overlopen”.
Vaak spelen al langere tijd opgekropte emoties, spanning en onzekerheid een belangrijke rol bij het ontstaan en blijven bestaan van functionele bewegingsstoornissen.

Een probleem met bewegen betekent niet automatisch schade aan het zenuwstelsel
Veel mensen denken dat bewegingsstoornissen altijd wijzen op schade van het zenuwstelsel, maar dit is niet juist. Bewegingsstoornissen kunnen ook ontstaan door een te veel aan spanning en stress in het lichaam. Het lichaam vertaalt deze spanning in een ongewilde bewegingen, zodat deze bewegingen door de persoon opgemerkt zullen worden. Een bewegingsstoornis is dus een hele natuurlijke manier van het lichaam om aan te geven dat er iets met het lichaam aan de hand is. Het is dus heel belangrijk om te weten dat dit niet automatisch betekent dat er schade is aan een bepaald orgaan, maar dat het ook een signaal kan zijn dat er te veel spanning in het lichaam aanwezig is.

Spanning
Functionele bewegingsstoornissen kunnen een signaal zijn van het lichaam dat het lichaam langere tijd onder spanning staat waar iets aan gedaan moet worden. Spanning bij kinderen hoeft niet meteen hele ernstige spanning te zijn, zoals het meemaken van een ongeval of een sterfgeval, maar kan ook bestaan uit moeite hebben om vriendjes te maken en hier gefrustreerd over zijn of graag net zo goed willen zijn als een vriendje of vriendinnetje terwijl dat niet lukt.

Spanning en beweging een ingebouwd systeem in de hersenen
In de hersenen van mens en dier is er een nauwe relatie tussen het opbouwen van spanning en het maken van bewegingen om deze spanning weer kwijt te raken. Mensen met een hond weten vaak wel dat een hond in geval van stress en spanning gaat krabben of gaat schudden, op deze manier raakt de hond de spanning kwijt. Dat is heel gezond want te veel spanning en stress is niet goed voor het lichaam. Als mensen hebben wij dit ingebouwde systeem in onze hersenen ook, maar onderdrukken we dit systeem vaak met de voorste gebied van onze hersenen (de frontaal kwab) omdat we geleerd hebben dat het ongepast is om te gaan bewegen in bepaalde situaties. In geval van te veel stress in het lichaam, werkt deze onderdrukking niet en zorgt stress voor bewegingen waardoor de stress tijdelijk minder wordt.
In tegenstelling tot dieren kunnen mensen blijven nadenken over bepaalde situaties die niet goed gegaan zijn en piekeren waardoor weer opnieuw stress ontstaat. Dit zorgt opnieuw voor het ontstaan van bewegen om stress tegen te gaan, op deze manier kunnen trillen, een afwijkende stand of schokken in een lichaamsdeel ontstaan.

Verbindingen tussen hersencellen
In onze hersenen liggen allemaal routes (netwerken) vastgelegd waarin bepaalde hersencellen heel snel op andere hersencellen reageren. Op deze manier kan het lichaam snel een bepaalde actie ondernemen zonder dat een kind of een volwassene hier bewust over na hoeft te denken. In de hersenen liggen ook allerlei routes waardoor het mogelijk wordt om bepaalde bewegingen automatisch te maken. Zonder na te denken is een kind in staat om te lopen, te rennen, te fietsen of de trap op te lopen. De basale kernen diep in de hersenen spelen een belangrijke rol bij dit automatische bewegen.
Deze basale kernen spelen ook een belangrijke rol bij het verwerken van stress en spanning.
In geval van een functionele loopstoornis worden deze automatisch routes niet meer gebruikt mogelijk doordat de basale kernen te veel stress en spanning moeten verwerken. Daarom moeten kinderen bewust nadenken over het bewegen en het lopen door inschakelen van hun hersenschors. Dit kost veel meer tijd waardoor het lopen trager gaat. De hersenschors is in staat om veel verschillende en ingewikkelde bewegingen te maken, waardoor de loopstoornis een veel ingewikkelder looppatroon is dan het normale looppatroon.
Wanneer een bepaalde beweging heel vaak gemaakt wordt, dat ontstaat er een nieuwe route in de hersenen waardoor de hersenen het afwijkende bewegingspatroon als het standaard bewegingspatroon zien. De hersenen leren dan dat het functionele bewegingspatroon normaal is. Hoe langer een functioneel bewegingspatroon blijft bestaan, hoe lastiger het voor de hersenen wordt om het oude normaal patroon weer op te pakken en niet meer gebruik te maken van de nieuwe route met het functionele bewegingspatroon.

Angst voor een ernstige ziekte
Het hebben van een bewegingsstoornis geeft vaak angst bij kind en ouders dat er sprake is van een ernstige onderliggende ziekte. Deze angst zorgt weer voor extra stress en spanning waardoor de functionele bewegingsstoornis kan verergeren. Op deze manier kan een vicieuze cirkel ontstaan.

Gevoeligheid voor het ontwikkelen van functionele bewegingsstoornissen
Kinderen die gevoelig zijn voor het opvangen van signalen van spanning en stress in de omgeving bij anderen en bij zichzelf ontwikkelen gemakkelijker een functionele bewegingsstoornis dan die kinderen die weinig gevoelig zijn voor signalen van spanning en stress bij anderen en bij zichzelf. Kinderen die een hoog streefniveau hebben en perfectionistisch zijn en bang zijn om te falen ontwikkelen ook gemakkelijker een functionele bewegingsstoornis. Kinderen die het moeilijk vinden om hulp te vragen wanneer ze ergens mee zitten en menen dat zij problemen zelf moeten oplossen, ontwikkelen ook gemakkelijker een functionele bewegingsstoornis. Kinderen die behoefte hebben aan controle en het moeilijk vinden wanneer zij deze controle niet hebben, zijn ook gevoeliger voor het ontwikkelen van een functionele bewegingsstoornis.
Deze gevoeligheid wordt deels door erfelijke factoren bepaald en deels ook door wat een kind meemaakt of wat het gezin waarin het kind opgroeit heeft meegemaakt.

Reactie van de omgeving
De reactie van de mensen in de omgeving van het kind met een functionele bewegingsstoornis is ook van invloed op de klachten. Wanneer volwassenen in de omgeving erg schrikken van de problemen en hier zelf angstig van worden, dan zorgt dit vaak voor toename van stress en onzekerheid bij het kind en voor toename van de bewegingsstoornis.
Onzekerheid bij de dokter over wat er aan de hand is, kan ook zorgen voor toename van spanning en onzekerheid en toename van klachten.

Welke symptomen hebben kinderen met functionele bewegingsstoornissen?
Veel verschillende symptomen
Er bestaan zeer veel verschillende functionele bewegingsstoornissen. De meest voorkomende functionele bewegingsstoornissen zijn trillen van een arm en/of been, een afwijkende stand van een arm, been, nek of romp, schokken, veranderd looppatroon en stijfheid en traagheid.
Vaak komen ook combinaties van verschillende functionele bewegingsstoornissen voor.

Plotseling begin
Functionele bewegingsstoornis ontstaan vaak van het een op het andere moment. Vaak is er een milde aanleiding die zorgt voor het ontstaan van de functionele bewegingsstoornis, zoals een proefwerkweek, slaapgebrek, een verwonding of een griep. De ernst van de bewegingsstoornis neemt vaak in korte tijd erg toe.

Trillen (tremor)
De meest voorkomende functionele bewegingsstoornis is een trillende beweging vaak van een arm, soms van een been of van een ander deel van het lichaam. Het medische woord voor trillen is tremor. De ernst van het trillen en de frequentie van het trillen kan variëren over de dag. Het trillen kan normaal gebruik van arm of been niet meer mogelijk maken.
Kinderen en volwassenen kunnen dit trillen zelf niet doen stoppen. Extra spanning zorgt voor toename van trillen. Het trillen kost kinderen en volwassenen veel energie. Tijdens diepe slaap verdwijnt het trillen.
Trillen als functionele bewegingsstoornis wil vaak aangeven dat er letterlijk iets los getrild moet worden.

Afwijkende stand van een lichaamsdeel (dystonie)
De tweede meest voorkomende functionele bewegingsstoornis is een afwijkende stand van een arm, een been, de nek of de romp. Kenmerkend is vaak dat de arm, het been, de nek of de romp voortdurend in deze stand staat en niet in een andere stand gezet kan worden. Deze afwijkende stand wordt ook wel dystonie genoemd. Door deze voortdurend afwijkende stand kan spierpijn en spierkramp ontstaan. Ook kost deze afwijkende stand veel energie.

Schokken (myoclonus)
De derde voorkomende functionele bewegingsstoornis zijn schokken in het lichaam. Deze schokken worden ook wel myoclonieën genoemd. Deze schokken komen op verschillende plaatsen in het lichaam voor, zoals de romp, de schouders of de bovenbenen en zijn vaak heel heftig. Een schok in de romp kan soms maken dat kinderen en volwassen omvallen.

Veranderd looppatroon
Een deel van de kinderen krijgt een andere manier van lopen als uiting van een functionele bewegingsstoornis. Gewoon loopt lukt niet meer, het lopen gaat op een hele moeilijke en ingewikkelde manier. Vaak kunnen kinderen niet meer recht uit lopen. Het lopen kan zo moeilijk gaan dat kinderen of volwassenen lijken te gaan vallen, terwijl dit niet in werkelijkheid gebeurt. Looppatronen die vaker worden gezien als functionele bewegingsstoornis zijn een manier van lopen die lijkt op lopen op het ijs, een plakkerige weg, lopen over een koord of op lopen door een laag water. Ook regelmatig door de knie heen zakken zonder daadwerkelijk te vallen is een regelmatig voorkomende functionele bewegingsstoornis.

Stijfheid en traagheid
Een deel van de kinderen en volwassenen heeft vrij plotseling last gekregen van een sterk vertraagde manier van bewegen. De armen en benen voelen vaak stijf en zwaar aan en kunnen moeizaam bewogen worden. Alle bewegingen worden in “slow motion” uitgevoerd.

Afleiding
Afleiding zorgt vaak voor afname van de bewegingsstoornis. Aandacht doet de bewegingsstoornis vaak juist toenemen.

Vermoeidheid
Het maken van deze onbedoelde bewegingen kost veel energie. Daarom voelen kinderen en volwassenen met een functionele bewegingsstoornis zich vaak erg vermoeid. Zij hebben vaak veel behoefte aan slaap.

Schrikkerig
Kinderen met een functionele bewegingsstoornis zijn vaak schrikachtig wanneer er sprake is van een onverwacht geluid of een onverwachte beweging.

Schaamte
Kinderen kunnen zich schamen voor de onbedoelde bewegingen en de bewegingen proberen te verbloemen. Schaamte zorgt echter voor meer stress en daarmee voor toename van klachten. Hoewel de schaamte invoelbaar is, is het niet nodig, ieder kind of volwassene kan een functionele bewegingsstoornis krijgen. Het helpt om de schaamte te laten voor wat die is en hulp te vragen van anderen om minder last te hebben van de functionele bewegingsstoornis.

Hoe wordt de diagnose functionele bewegingsstoornissen gesteld?
Verhaal en onderzoek
Op grond van het verhaal van een kind of een volwassene en de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek kan vaak de diagnose functionele bewegingsstoornissen gesteld worden, zeker door een ervaren dokter.
Functionele bewegingsstoornissen hebben vaak een bepaald patroon waardoor te zien is dat de bewegingsstoornissen anders zijn dan bewegingsstoornissen die wel veroorzaakt worden door schade aan het zenuwstelsel.

Tweede mening
Wanneer een arts twijfelt of er sprake is van een functionele bewegingsstoornis, dan is het vaak verstandig om de mening van een andere dokter te vragen, bijvoorbeeld een kinderneuroloog met ervaring in bewegingsstoornissen.
 
Aanvullend onderzoek niet nodig
Het is een misverstand dat het altijd nodig is om aanvullende onderzoeken te doen om andere aandoeningen uit te sluiten voordat de diagnose functionele bewegingsstoornis gesteld wordt. Dit kan zelfs averechts werken en er voor zorgen dat de functionele bewegingsstoornissen langer blijven bestaan. Bij twijfel kan beter een tweede mening worden gevraagd, dan aanvullende onderzoeken worden verricht.

Tremorregistratie
Wanneer er sprake is van trillen en er twijfel bestaat of er sprake is van een functionele bewegingsstoornis, dan kan een tremor registratie helpen. Dit is een registratie waarbij gekeken wordt hoe de spieren van de arm aanspannen en ontspannen tijdens het trillen. Kenmerk van een functionele tremor is dat de frequentie van het trillen wisselt.

EEG en polymyografie
Wanneer er sprake is van schokken en er twijfel bestaat of er sprake is van een functionele bewegingsstoornis dan kan een EEG helpen. Op het EEG kan dan een bepaald signaal gezien worden (bereitshaftspotentiaal) enige tijd voordat de schok in het lichaam ontstaat.

Hoe worden functionele bewegingsstoornissen behandeld?
Erkenning
Een van de belangrijkste stappen in de behandeling van functionele bewegingsstoornissen is erkennen dat er sprake is van functionele bewegingsstoornissen en niet van een beschadiging van het zenuwstelsel. Vaak zorgt deze erkenning er al voor dat de functionele bewegingsstoornissen een stuk minder worden.
Voor het ene kind en zijn of haar ouders is dit gemakkelijker dan voor anderen. Vaak bestaat de indruk dat het hebben van een functionele bewegingsstoornis betekent dat een kind of een volwassene “gek” is of het allemaal zelf verzint, maar dit is geenszins het geval. Het is een noodsignaal van het lichaam dat er te veel stress en spanning aanwezig is en dat het kind of de volwassene hulp nodig heeft om dit te veel aan stress en spanning te verminderen.

Fysiotherapie
Een fysiotherapeut kan een kind helpen om het lichaam weer te laten kiezen voor het normale bewegingspatroon en niet meer voor het afwijkende bewegingspatroon. Dit werkt vaak het beste door niet te veel na te denken tijdens het bewegen en het lichaam uit zich zelf de bewegingen te laten maken. Vaak is dit lastig voor kinderen met een functionele bewegingsstoornis, zij zijn vaak heel alert op hun lichaam en heel bewust aan het nadenken over het bewegen.
Sommige fysiotherapeuten maken gebruik van een spiegel, dit helpt vooral wanneer de bewegingsstoornis aan een kant in het lichaam aanwezig is. Door via de spiegel de hersenen terugkoppeling te geven van een normaal bewegende arm of been, ontstaat weer een normaal bewegingspatroon in de arm of been met de functionele bewegingsstoornis.

Uitzoeken wat de aanleiding is
Het is goed om een keer na te gaan of er een aanleiding is voor het ontstaan van de functionele bewegingsstoornissen. De aanleiding hiervoor kan per kind heel verschillend zijn, zoals op de tenen moeten lopen om op school bij te blijven, niet goed vrienden kunnen maken, gepest worden, onzeker zijn, scheiding van ouders, liefdesverdriet of somberheid. Het kan ook gaan om een opeenstapeling van allerlei kleine dingen bij elkaar. Het is belangrijk om ook niet meteen te denken aan grote problemen zoals mishandeling of emotionele verwaarlozing, maar dit kan wel de aanleiding zijn voor het ontstaan van functionele bewegingsstoornissen.
Het is belangrijk om te kijken hoe het kind minder stress krijgt of anders om kan gaan met deze gebeurtenissen. Door dit te doen zullen de functionele bewegingsstoornissen verdwijnen en kan in de toekomst voorkomen worden dat de functionele bewegingsstoornissen weer terug komen. Soms verdwijnen functionele bewegingsstoornissen al nadat het kind erkenning heeft gekregen, maar het is heel belangrijk om niet te vergeten hoe een kind anders om kan gaan met deze spanning of gebeurtenissen, anders zullen de bewegingsstoornissen na even weg geweest te zijn weer terugkeren, eventueel in nog heftigere mate.
Soms wordt er geen aanleiding gevonden. Dan heeft het ook geen zin om hier naar te blijven zoeken. De aanleiding voor het ontstaan van de bewegingsstoornis kan ook verdwenen zijn, maar er kunnen andere redenen zijn waardoor de bewegingsstoornis toch is blijven bestaan. Het kan dan goed zijn om naar deze zogenaamde onderhoudende factoren te kijken en te kijken welke begeleiding hiervoor nodig is.

Stress vermindering
Te veel stress en spanning speelt vaak een belangrijke rol bij het ontstaan en blijven bestaan van een functionele bewegingsstoornis. Een belangrijke stap in de behandeling van een functionele bewegingsstoornis is het verminderen van deze stress en het zorgen voor meer ontspanning. Hiervoor bestaan verschillende manieren, het is belangrijk om een manier te zoeken die bij het kind past. Ontspanning kan gevonden worden in bijvoorbeeld door te bewegen bijvoorbeeld in een warm zwembad, het luisteren of maken van muziek, door het luisteren naar een ontspanningsmeditatie, het volgen van een mindfulness cursus, het volgen van een yogacursus, het krijgen van een massage, kinderhaptotherapie, speltherapie of biofeedbacktraining.

Kinderpsycholoog
Het lukt na uitleg van de dokter een deel van de ouders en kinderen zelf om te achterhalen wat de oorzaak is van het ontstaan van de functionele bewegingsstoornissen en om een manier te vinden om in de toekomst op een andere manier met soortgelijke spanning of stress om te gaan. Indien kind en ouders hierbij wat extra ondersteuning nodig hebben, kan een kinderpsycholoog hen hierbij helpen. De kinderpsycholoog kan samen met kind en ouders aan de slag gaan om te achterhalen wat nu gemaakt dat deze functionele bewegingsstoornissen zijn ontstaan. Ook kan de kinderpsycholoog kind en ouders tips geven hoe om te gaan met stress en spanning. Sommige kinderen hebben baat bij een cursus weerbaarheidstraining of een sociale vaardigheidstraining.

Hypnose
Hypnose behandeling kan helpen om een functionele bewegingsstoornis te verminderen en te laten verdwijnen. De hersenen komen door hypnose in staat van ontspanning en kunnen zo het normaal beweegpatroon weer opstarten en niet meer het afwijkende beweegpatroon wat gezorgd heeft voor het ontstaan van de functionele bewegingsstoornis.

Revalidatiecentrum
Soms zijn de bewegingsstoornissen dusdanig heftig dat bovenstaande behandelmogelijkheden onvoldoende zijn en dat een intensievere begeleiding door verschillende therapeuten nodig is om er voor te zorgen dat het kind de juiste begeleiding krijgt bij het achterhalen van de oorzaak van de functionele bewegingsstoornissen en tegelijkertijd begeleiding krijgt om het lichaam weer normaal te laten functioneren. Deze mogelijkheid bestaat in een revalidatiecentrum. Per kind zal gekeken worden welke therapeuten, zoals bijvoorbeeld een fysiotherapeut, een ergotherapeut, een psycholoog of een speltherapeut, het kind het beste kunnen helpen. Meestal wordt bij heftige bewegingsstoornissen gekozen voor een opname in een revalidatiecentrum, soms voor een poliklinisch traject.

Kinder-en jeugdpsychiater
Bij een deel van de kinderen bestaat de onderliggende oorzaak voor het ontstaan van functionele bewegingsstoornissen uit en depressie of een angststoornis. Deze kinderen kunnen veel baat hebben bij begeleiding door een kinder- en jeugdpsychiater en het daarbij behorende team.
Voor veel kinderen en ouders is dit helaas een hoge drempel. Maar juist wanneer een depressie of angststoornis de oorzaak is van het ontstaan van de functionele bewegingsstoornissen, dan is de juiste behandeling en begeleiding hiervoor van belang om kinderen zich zo goed mogelijk verder te laten ontwikkelen. Onderbehandeling kan er voor zorgen dat kinderen uiteindelijk veel langer gehinderd worden in hun ontwikkeling door een depressie of een angststoornis, dan tijdige behandeling en begeleiding.

Vertrouwen bij de ouders
Het is heel belangrijk dat de ouders vertrouwen hebben in de diagnose functionele bewegingsstoornis. Voor de ene ouder is dit gemakkelijker om aan te nemen dan voor de andere ouder. Gelukkig is er tegenwoordig steeds meer aandacht in de media over de gevolgen die stress en spanning voor het lichaam kunnen hebben.
Sommige ouders blijven zoeken naar een zeldzame ziekte die de dokter over het hoofd zou hebben gezien en blijven vragen om nieuwe onderzoeken om deze zeldzame ziekte aan te tonen of uit te sluiten. Het ontbreken van vertrouwen bij een ouder straalt af op het kind, de meeste kinderen worden daar zelf ook onzeker van. Onzekerheid zorgt weer voor stress en dit houdt de functionele bewegingsstoornis in stand. Het feit dat het niet beter gaat met de bewegingsstoornis bevestigt de ouder vaak weer in de gedachte dat er toch echt een bepaalde aandoening over het hoofd is gezien.
Het kan erg helpen als de ouder de gedachte dat een ziekte over het hoofd is gezien tijdelijk kan parkeren. En te onderzoeken wat de voorgestelde behandeling wel kan betekenen voor het kind. Door deze behandeling een kans te geven, vertrouwen te hebben in de behandeling en vertrouwen te hebben in het kind, gaat het vaak beter met de klachten. Deze verbetering zorgt er vaak voor dat de gedachte dat er een ziekte over het hoofd is gezien ook vanzelf minder wordt.

Contact met andere ouders
Door het plaatsen van een oproepje op het forum van deze site kunt u in contact komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben (gehad) met functionele bewegingsstoornissen. Herkenning niet de enige te zijn en het uitwisselen van ervaringen kan helpen bij het aanvaarden van de diagnose functionele bewegingsstoornissen en het vinden van een oplossing daarvoor.

Wat betekent het hebben van functionele bewegingsstoornissen voor de toekomst?
Verdwijnen van de bewegingsstoornissen
Bij de meeste kinderen verdwijnen de functionele bewegingsstoornissen wanneer ze de juiste aandacht en begeleiding krijgen helemaal. Kinderen hebben er dan geen last meer van. Bij sommige kinderen gaat dit heel snel en verdwijnen de bewegingsstoornissen binnen een paar dagen, bij andere kinderen duurt het langer en verdwijnen de bewegingsstoornissen na een aantal weken of maanden.
Meestal is het zo dat hoe sneller de functionele bewegingsstoornissen op de juiste manier behandeld worden, hoe sneller de problemen verdwijnen.
Voor sommige kinderen en hun ouders is het moeilijk om te accepteren dat er sprake is van functionele bewegingsstoornissen. Zij blijven in hun achterhoofd het idee houden dat de bewegingsstoornissen worden veroorzaakt door een probleem ergens in het lichaam wat nog niet ontdekt is. Dit kan er voor zorgen dat het langer duurt voordat de bewegingsstoornissen verdwijnen.

Terugkeer van de bewegingsstoornissen
Functionele bewegingsstoornissen kunnen terugkomen. Vaak herkennen kinderen hun bewegingsstoornissen eerder en wanneer ze dan weer op een passende manier worden benaderd, verdwijnen ze vaak voordat de bewegingsstoornissen zo erg worden als de eerste keer. Bewegingsstoornissen kunnen op deze manier gebruikt worden als waarschuwingssignaal, dat er iets is met het kind wat aandacht nodig heeft.

Andere bewegingsstoornissen
Soms krijgen kinderen ook last van een ander type functionele bewegingsstoornissen. Het kan dan lastiger te herkennen zijn dat ook dit functionele bewegingsstoornissen zijn. Hoe sneller dit herkend wordt, hoe beter en hoe sneller vaak ook deze bewegingsstoornissen zullen verdwijnen.

Normale ontwikkeling
Functionele bewegingsstoornissen zijn niet iets om je voor te schamen. Het kan bij ieder kind voorkomen afhankelijk van wat er zich in het leven van het kind voorkomt. Veel kinderen leren door het doormaken van deze functionele bewegingsstoornissen vaardigheden waar ze hun hele leven voordeel van hebben. De meeste kinderen ontwikkelen zich verder normaal en leiden een normaal leven.

Stemmingsprobleem
Kinderen die als kind functionele bewegingsstoornissen hebben gehad kunnen als volwassene gevoeliger zijn om als volwassene last te krijgen van een sombere stemming. Daarnaast kunnen volwassenen zich wat gemakkelijker angstig of overprikkeld te voelen. Door hier alert op te zijn en rekening mee te houden, kunnen volwassenen voorkomen dat deze problemen te groot worden. Ook kunnen volwassenen zo nodig tijdig hulp zoeken.

 

Hebben broertjes en zusjes een vergrote kans om functionele bewegingsstoornissen te krijgen?
Functionele bewegingsstoornissen is een aandoening die niet erfelijk is. Wel komt het vaker voor bij kinderen die wat meer moeite hebben met het uiten van hun emoties en die het moeilijker vinden om hulp te vragen. Ieder gezin heeft zijn eigen manier in het omgaan met emoties en in de manier waarop iemand om hulp mag vragen en dit dan ook krijgt. Broertjes en zusjes kunnen het hierdoor ook bijvoorbeeld moeilijker vinden om hun emoties te uiten of om hulp te vragen en hierdoor iets gevoeliger zijn om functionele bewegingsstoornissen te krijgen.

 

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

 

Links
www.neurosymptoms.org
(Engelstalige website over functionele bewegingsstoornissen)

Referenties
1. Phenomenology of psychogenic movement disorders in children.
Canavese C, Ciano C, Zibordi F, Zorzi G, Cavallera V, Nardocci N. Mov Disord. 2012;27:1153-7.
2. Depression and epilepsy, pain and psychogenic non-epileptic seizures: clinical and therapeutic perspectives. Kanner AM, Schachter SC, Barry JJ, Hersdorffer DC, Mula M et al. Epilepsy Behav. 2012;24:169-81
4. Anxiety in the pediatric medical setting. Gandhi B, Cheek S, Campo JV. Child Adolesc Psychiatr Clin N Am. 2012;21:643-53.
5. Annual research review: functional somatic symptoms and associated anxiety and depression--developmental psychopathology in pediatric practice. Campo JV.
J Child Psychol Psychiatry. 2012;53:575-92

Laatst bijgewerkt: 20 december 2016

 

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.