A|A|A
kinderneurologie
 

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Het GNAO1-syndroom

 

Wat is het GNAO1-syndroom?
Het GNAO1-syndroom is een erfelijke aangeboren aandoening waarbij kinderen een ontwikkelingsachterstand hebben in combinatie met epilepsieaanvallen en/of problemen met bewegen.

Hoe wordt het GNAO1-syndroom ook wel genoemd?
Het GNAO1-syndroom is genoemd naar de fout in het erfelijk materiaal wat de oorzaak is van dit syndroom. De plaats van deze fout in het erfelijk materiaal wordt het GNAO1-gen genoemd.

Early infantile epileptic encephalopathy 17
Het GNAO1 syndroom staat ook bekend onder de Engelse term early infantile epileptic encephalopathy 17. Early infantile epileptic encephalopathy geeft aan dat een deel van de kinderen met dit syndroom op jonge leeftijd (early infantile) een ernstige vorm van epilepsie ontwikkelt (epileptic encephalopathy). Er bestaan verschillende genen die op jonge leeftijd voor een ernstige vorm van epilepsie kunnen zorgen. GNAO1 is het 17e foutje wat ontdekt is en heeft daarom nummer 17 gekregen.
Early infantile epileptic encephalopathy wordt ook wel afgekort tot EIEE17.

Neurodevelopmental disorder with involuntary movements
Ook wordt de naam neurodevelopmental disorder with involuntary movements wel gebruikt. Het woord neurodevelopmental disorder geeft aan dat kinderen met deze aandoening zich langzamer ontwikkelen dan kinderen zonder dit syndroom. Involuntary movements is de naam voor onbedoelde bewegingen die kinderen met dit syndroom kunnen maken. Dit wordt ook wel afgekort met de letters NEDIM.

Spectrum
Kinderen met het GNAO1-syndroom hebben vaak last van epilepsie, een bewegingsstoornis en/of ontwikkelingsachterstand. Bij het ene kind staat de epilepsie meer op de voorgrond, bij het andere kind de bewegingsstoornis of de ontwikkelingsachterstand. Hoe dit syndroom eruit ziet kan dus per kind verschillen. Daarom wordt ook wel gesproken van een spectrum waarin alle drie de problemen kunnen voorkomen.

Hoe vaak komt het GNAO1-syndroom voor?
Het GNAO1-syndroom is een zeldzame ziekte. Het is niet precies bekend hoe vaak het GNAO1-syndroom voorkomt. Pas sinds 2013 is de fout in het erfelijk materiaal die verantwoordelijk is voor dit syndroom ontdekt. Dit maakt het gemakkelijker om deze diagnose te stellen.
Waarschijnlijk is bij een deel van de kinderen die het GNAO1-syndroom heeft, de juiste diagnose niet gesteld, omdat het syndroom niet herkend is.
Door nieuwe genetische technieken zoals exome sequencing zal deze diagnose waarschijnlijk vaker gesteld gaan worden bij kinderen en volwassenen met dit syndroom.



Bij wie komt het GNAO1-syndroom voor?
Het GNAO1-syndroom is al vanaf de geboorte aanwezig. Het kan wel enige tijd duren voordat duidelijk is dat er sprake is van het GNAO1-syndroom. De leeftijd waarop de eerste klachten ontstaan, lijkt te bepalen welk soort klachten er zullen ontstaan. Kinderen die op de babyleeftijd klachten krijgen hebben vaak met name last van epilepsie-aanvallen, wanneer kinderen op de dreumesleeftijd hun eerste klachten krijgen, hebben kinderen vaak meer last van bewegingsstoornissen. Beide groepen kinderen hebben vaak tijdens hun eerste levensjaar al wel een verlaagde spierspanning.
Zowel jongens als meisjes kunnen het GNAO1-syndroom krijgen. Opvallend is dat tot nu toe vaker bij meisjes deze diagnose gesteld is dan bij jongens. Of dit toevallig is of een reden heeft is niet bekend.

Waar wordt het GNAO1-syndroom door veroorzaakt?
Fout in het erfelijk materiaal
Het GNAO1-syndroom wordt veroorzaakt door een fout op een stukje materiaal op het 16e chromosoom. De plaats van deze fout wordt het GNAO1-gen genoemd. Bij 9 van de 10 kinderen met het GNAO1-syndroom blijkt er sprake te zijn van een fout in een specifiek deel van het GNAO1-gen namelijk het deel wat exon 6 en exon 7 wordt genoemd. De veranderingen Glu246, Gly203 en ARG209 zijn het meest voorkomend bij kinderen met het GNAO1-syndroom.

Autosomaal dominant
Het GNAO1-syndroom wordt veroorzaakt door een zogenaamde autosomaal dominant fout. Dit houdt in dat een fout op een van de twee chromosomen 16 die een kind heeft in het GNAO1-gen al voldoende is om de aandoening te krijgen. Dit in tegenstelling tot een autosomaal recessief foutje waarbij kinderen pas klachten krijgen wanneer beide chromosomen een fout bevatten.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij een groot deel van de kinderen met een GNAO1-syndroom is het foutje bij het kind zelf ontstaan na de bevruchting van de eicel door de zaadcel en niet overgeërfd van een van de ouders. Dit wordt ook wel de novo genoemd, wat nieuw ontstaan betekent.



Geërfd van een ouder
Een klein deel van de kinderen heeft de fout in het DNA geërfd van een ouder zonder dat deze ouder zelf het GNAO1-syndroom. Deze ouder blijkt dan de fout in het stukje DNA van het GNAO1-gen alleen in de eicellen (in geval van de moeder) of de in de zaadcellen (in geval van de vader te hebben). Andere lichaamscellen van de ouder bevatten deze fout niet, waardoor de ouder zelf geen last heeft van het GNAO1-syndroom. Dit wordt mocaïsisme genoemd.

Afwijkend eiwit
Dit stukje chromosoom bevat informatie voor de aanmaak van een eiwit, de zogenaamde alpha subunit van het heterotrimere guanine nucleotide-binding proteïne (een zogenaamd GNAO1-eiwit). Het GNAO1-eiwit is een belangrijk onderdeel van het G-eiwit. Dit G-eiwit speelt een belangrijke rol bij het doorgeven van signalen van een hersencel naar de volgende hersencel. Door het ontbreken van een goed werkend G-eiwit kunnen de zenuwcellen niet goed met elkaar kunnen samenwerken. Hierdoor verloopt de ontwikkeling van kinderen vertraagd en kunnen er epilepsie of problemen met bewegen ontstaan.


Gain of loss of function
Het blijkt dat fouten in het GNAO1-gen die zorgen voor een minder goede werking van het eiwit vaak de oorzaak zijn van het ontstaan ven epilepsie. Fouten die zorgen dat het eiwit juist meer actief wordt , zorgen eerder voor het ontstaan van een bewegingsstoornis en/of een verstandelijke beperking. Een verminderde werking van het eiwit wordt een loss of function genoemd, terwijl een toegenomen werking een gain of function wordt genoemd. Op dit moment is nog niet goed mogelijk om op grond van de fout in het DNA te voorspellen of er sprake is van een gain of juist een loss of function.

cAMP
Als gevolg van de fout in het GNAO1-gen wordt er een veranderde hoeveelheid van de stof cAMP aangemaakt. GNAO1 remt namelijk de aanmaak van cAMP. Bij kinderen met een loss of function zal er dus meer cAMP worden aangemaakt, terwijl bij kinderen met een gain of function er minder cAMP wordt aangemaakt.
Andere aandoeningen die ook overeenkomsten hebben met het GNAO1-syndroom zoals het ADCY5-syndroom en het PDE10A-syndroom zorgen ook voor een veranderde hoeveelheid cAMP. Dit verklaart waarschijnlijk voor een deel de overeenkomsten tussen deze syndromen.

Afgifte boodschapperstofjes
Bij kinderen met het GNAO1-syndroom is de afgifte van allerlei boodschapperstofjes anders dan bij kinderen zonder het GNAO1-syndroom. GNAO1 remt namelijk de afgifte van boodschapperstofjes. Bij kinderen met een loss of function zal er meer boodschapperstofjes worden afgegeven, terwijl bij kinderen met een gain of function er minder boodschapperstofjes worden afgegeven. Het tekort aan boodschapperstofje dopamine kan zorgen dat er problemen met bewegen ontstaan.
Een te veel aan het boodschapperstofje glutamaat kan juist zorgen dat er epilepsie ontstaat. Een andere naam voor deze boodschapperstofjes is neurotransmitters.

Twee bronnen van GNAO1-eiwit
Het GNAO1-eiwt blijkt op twee plaatsen in de cel vooral voor te komen, namelijk in het Golgi-apparaat en in de plasmamembraan van de cel.

Wat zijn de symptomen van het GNAO1-syndroom?
Variatie
Er bestaat variatie in de hoeveelheid en de ernst van de symptomen die verschillende kinderen met het GNAO1-syndroom hebben. Het valt van te voren niet goed te voorspellen van welke symptomen een kind last zal krijgen. Geen kind zal alle onderstaande symptomen tegelijkertijd hebben. De leeftijd waarop het kind voor het eerst klachten krijgt, lijkt ook het soort klachten wat ontstaat, te bepalen.
Omdat het GNAO1-syndroom nog maar korte tijd bekend is, is het mogelijk dat ook andere klachten het gevolg zijn van dit syndroom, zonder dat dit op dit moment nu bekend is.
Ook is het goed mogelijk dat er in de loop van de tijd bij kinderen met dit syndroom gediagnosticeerd worden, die een mildere vorm van dit syndroom hebben, dan de kinderen die tot nu toe met dit syndroom bekend zijn.

Zwangerschap en bevalling
Meestal zijn er geen bijzonderheden tijdens de zwangerschap. Omdat baby’s met deze aandoening vaak een lage spierspanning hebben, kan de bevalling moeizamer verlopen.

Lage spierspanning
Jonge kinderen met het GNAO1-syndroom zijn vaak erg slap in hun spieren. Ze moeten goed vastgehouden en ondersteund worden wanneer ze opgetild worden. Door de lagere spierspanning is het voor kinderen lastig om hun hoofd op te tillen en overeind te houden. Hierdoor is het voor kinderen veel moeilijker om zich te gaan ontwikkelen.

Epilepsie
Ongeveer de helft van de kinderen met het GNAO1-syndroom heeft last van epilepsieaanvallen.
Een deel van de kinderen krijgt in de eerste levensmaanden last van epilepsieaanvallen. Verschillende soorten epilepsieaanvallen kunnen voorkomen.
Vaak gaat het om aanvallen waarbij een arm of been stijf wordt en/of schokkende bewegingen maakt. Kinderen kunnen tijdens deze aanvallen hun adem inhouden waardoor ze blauw verkleuren in het gezicht. Hoofd en ogen zijn vaak naar een kant gedraaid worden. Deze aanvallen kunnen in langdurige series achter elkaar voorkomen zonder dat kinderen tussendoor tijd hebben om bij te komen van deze aanvallen. Het is vaak heel moeilijk om de epilepsieaanvallen met behulp van medicijnen of andere behandelingen onder controle te krijgen. Deze moeilijk behandelbare vorm van epilepsie wordt ook wel het syndroom van Otahara genoemd.
Bij een deel van de kinderen ontstaat de epilepsie op latere leeftijd. Dan kunnen ook ander type epilepsieaanvallen voorkomen zoals aanvallen met staren, aanvallen met algeheel verstijven al dan niet gevolgd door schokken (tonische aanvallen of tonisch-clonische aanvallen) of korte kleine schokjes (myoclonieen).
Er zijn ook kinderen met het GNAO1-syndroom die geen last hebben van epilepsie.

Bewegingsstoornis
Vanaf de peuterleeftijd krijgt een deel van de kinderen te maken met bewegingsonrust in hun lijf. Armen, benen, tong, nek of romp gaan in een vreemde stand staan of maken voortdurend onbedoelde bewegingen. Zulke bewegingen worden dystonie of chorea genoemd. Ook wordt de term dyskinesie gebruikt. Ook kunnen ongecontroleerde bewegingen van de spieren van de mond en de tong ontstaan. Dit wordt orofaciale dyskinesie genoemd. De ernst van de bewegingsstoornissen kan sterk wisselen, soms zijn de bewegingsstoornissen meer aanwezig en soms ook in mindere mate. Het maken van deze bewegingen kost veel energie en is daardoor vermoeiend voor het kind.
Er zijn ook kinderen die door stijfheid en traagheid weinig kunnen bewegen, dit wordt hypokinesie genoemd.

Status dystonicus
Kinderen met het GNAO1-syndroom kunnen last krijgen van langdurige aanvallen waarbij het lichaam overtollige bewegingen maakt of in een afwijkende stand staat. Wanneer deze aanval langer dan 30 minuten duurt, wordt gesproken van een status dystonicus. Koorts, ziek zijn, een operatie, stress, pijn, emoties, vocht te kort, slaapgebrek en een onverwachte snelle verandering van houding kunnen aanleiding zijn voor het ontstaan van een status dystonicus. Bij een deel van de kinderen kan deze status dystonicus meerdere dagen aanhouden. Tijdens de status dystonicus kan er sprake zijn van toegenomen zweten, koorts, verhoogde bloeddruk en hartslag en een veranderde ademhaling. Het doormaken van een status dystonicus is een nare ervaring voor een kind. Bovendien kost het veel energie, waardoor kinderen helemaal uitgeput kunnen raken. Een deel van de kinderen moet tijdens de status dystonicus op een intensive care unit worden opgenomen.

Stereotypieën
Een deel van de kinderen met het GNAO1-syndroom maken terugkerende bewegingen met hun lijf. Zulke bewegingen worden stereotypieën genoemd. Voorbeeld van stereotypieën zijn het heen en weer bewegen van het bovenlijf (bodyrocking), het heen en weer bewegen van het bekken (pelvis thrusting), de hand van en naar de mond trekken of trekken aan het haar. Deze bewegingen komen vaak voor wanneer kinderen iets heel leuks of iets spannends gaan doen en helpen kinderen vaak om met deze emoties om te gaan. Kinderen hebben zelf geen last van deze stereotypieën.

Zelfverwonding
Een deel van de kinderen met het GNAO1-syndroom maakt bewegingen, waardoor kinderen zichzelf verwonden. kinderen bijten bijvoorbeeld herhaaldelijk op hun lip waardoor een bijtwond in de lip ontstaat of trekken haren bij zichzelf uit.

Problemen met het evenwicht
Het is voor kinderen met GNAO1-syndroom vaak lastiger om hun evenwicht te bewaren. Ze vallen gemakkelijker dan andere kinderen. Vaak zetten kinderen hun voeten wat verder uit elkaar om zo meer steun te hebben en minder snel om te vallen.
De handen kunnen een trillende beweging maken wanneer kinderen wat willen pakken.
Daardoor wordt het bijvoorbeeld moeilijker om te schrijven, een kopje naar de mond te brengen of knoopjes dicht te maken.

Spasticiteit
Een klein deel van de kinderen heeft last van spasticiteit in de benen of armen. Spasticiteit zorgt ook voor stijfheid van de spieren. Het is niet altijd gemakkelijk om goed na te gaan of er sprake is van spasticiteit of van dystonie.

Ontwikkelingsachterstand
Kinderen met het GNAO1-syndroom ontwikkelen zich langzamer dan hun leeftijdsgenoten. Ze gaan op latere leeftijd rollen en zitten dan hun leeftijdsgenoten. Voor een groot deel van de kinderen is het te moeilijk om zelfstandig te leren zitten of lopen. Dit geldt vooral voor kinderen met een moeilijk behandelbare vorm van epilepsie. Voor een ander deel van de kinderen is het wel mogelijk om zelfstandig te leren lopen.

Vrolijk karakter
Een groot deel van de kinderen met het GNAO1-syndroom heeft een vrolijk karakter en lacht graag.

Problemen met slapen
Slaapproblemen komen vaak voor bij kinderen met het GNAO1-syndroom. Sommige kinderen hebben moeite met het inslapen. Een groot deel van de kinderen wordt ’s nachts regelmatig wakker en komt dan maar moeilijk weer in slaap. Ook zijn kinderen vaak vroeg in de ochtend wakker.
Bij een deel van de kinderen worden deze slaapproblemen veroorzaakt door epilepsie gedurende de nacht.

Uiterlijke kenmerken
Bij veel syndromen hebben kinderen vaak wat veranderde uiterlijke kenmerken. Hier hebben kinderen zelf geen last van, maar het kan de dokters helpen om te herkennen dat er sprake is van een syndroom en mogelijk ook van welk syndroom. Ook maakt dit vaak dat kinderen met hetzelfde syndroom vaak meer op elkaar lijken dan op hun eigen broertjes en zusjes, terwijl de kinderen toch niet familie van elkaar zijn.
Kinderen met het GNAO1- syndroom hebben meestal niet veel opvallende uiterlijke kenmerken.

Klein hoofdje
Het hoofd van kinderen met GNAO1-syndroom groeit niet zo hard als bij leeftijdsgenoten, hierdoor hebben kinderen met het GNAO-1syndroom een kleinere hoofdomtrek. Een te kleine hoofdomtrek wordt l microcefalie genoemd.

Problemen met zien
Kinderen met het GNAO1 syndroom hebben vaak problemen met zien. Dit komt omdat de hersenen de prikkel die de ogen doorgeven niet of niet goed verwerken, waardoor kinderen slecht kunnen zien. Dit wordt een cerebrale visusstoornisgenoemd, ook wel afgekort als CVI (naar de Engelse termen cerebral visual impairment).
Scheelzien komt vaker voor bij kinderen met het GNAO1-syndroom.

Niet goed tegen fel licht kunnen
Een deel van de kinderen kan niet goed fel licht, zij vinden dit heel vervelend.

Problemen met praten
Voor veel kinderen met het GNAO1-syndroom is het heel moeilijk om te leren praten. Voor een groot deel van de kinderen met dit syndroom zal het niet haalbaar zijn om te leren praten. Kinderen die wel leren praten, beginnen hier pas op latere leeftijd mee. Deze kinderen zijn in staat om korte zinnen te maken. Dystonie van de tong of van de lippen kan praten moeilijk maken.

Problemen met eten
Door de afwijkende spierspanning in de spieren van het gezicht, hebben kinderen met het GNAO1-syndroom vaker problemen met eten. Het afhappen en het kauwen van eten gaat lastig. Kinderen kunnen minder goed overweg met stukjes in het eten. Kinderen verslikken zich ook gemakkelijker tijdens het eten, waardoor ze moeten hoesten.

Slikken
Ook bij het slikken zijn veel verschillende spieren nodig. Een deel van de kinderen heeft problemen met slikken. Het slikken gaat langzamer en kost daardoor meer tijd. Kinderen kunnen zich verslikken en daarom moeten hoesten tijdens eten of drinken. Dit kan gevaarlijk zijn, omdat er tijdens verslikken eten of drinken in de longen terecht kan komen, waardoor een longontsteking kan ontstaan. Het kan daarom nodig zijn om kinderen via een sonde voeding te geven. Ook kan een aanval van dystonie in de tong of kaakspieren zorgen voor problemen met slikken.

Reflux
Kinderen met het GNAO1-syndroom hebben heel vaak last van het terugstromen van voeding vanuit de maag naar de slokdarm. Dit wordt reflux genoemd. Omdat de maaginhoud zuur is, komt het zuur zo ook in de slokdarm, soms zelfs ook in de mond. Dit zuur kan zorgen voor pijnklachten, waardoor kinderen moeten huilen en soms ook niet willen eten. Ook kan het maken dat kinderen moeten spugen.
Door het zuur kan de slokdarm geïrriteerd en ontstoken raken. Wanneer dit niet tijdige ontdekt en behandeld wordt, kan dit zorgen voor het spuug met daarin bloedsliertjes.

Kwijlen
Kinderen met het GNAO1-syndroom hebben gemakkelijk last van kwijlen. Dit komt door slapheid van de spieren in het gezicht en rondom de mond, waardoor het speeksel gemakkelijk uit de mond loopt.

Verstopping
Verstopping van de darmen komt vaak voor bij kinderen met het GNAO1-syndroom. De ontlasting komt dan niet elke dag en is vaak hard waardoor kinderen moeite hebben met poepen. Dit kan zorgen voor het ontstaan van buikpijnklachten en bolle opgezette buik.

Zindelijkheid
Het is voor de meeste kinderen met het GNAO1-syndroom moeilijk om zindelijk te worden. Als dit lukt, dan is dit op latere leeftijd dan gebruikelijk.

Vatbaarder voor infecties
Kinderen met het GNAO1-syndroom zijn op jonge leeftijd vatbaarder voor het krijgen van infecties. Regelmatig komen luchtweginfecties of oorontstekingen voor. Verborgen reflux kan de oorzaak zijn van het ontstaan van deze infecties.

Temperatuurregulatie
Een deel van de kinderen heeft moeite met het goed regelen van hun lichaamstemperatuur.

Scoliose
Een deel van de kinderen met het GNAO1-syndroom krijgt een zijwaartse verkromming van de rug. Dit wordt een scoliose genoemd. Van een milde scoliose zullen kinderen zelf geen last hebben. Toename van de scoliose kan zorgen voor het ontstaan van pijnklachten in de rug en problemen met zitten en staan.

Heupdysplasie
Heupdysplasie komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Hierbij is de heupkom niet goed ontwikkeld, waardoor de heupkop gemakkelijker uit de heupkom schiet.

Botleeftijd
Kinderen met het GNAO1-syndroom een grotere kans op het krijgen van botontkalking. Dit kan maken dat zij gemakkelijker een botbreuk oplopen wanneer ze vallen.

Hoe wordt de diagnose GNAO1-syndroom gesteld?
Verhaal en onderzoek
Op grond van het verhaal van een kind met epilepsie vanaf de babyleeftijd in combinatie met een ontwikkelingsachterstand en problemen met bewegen kan vermoed worden dat er sprake is van een syndroom. Er zijn echter veel verschillende syndromen die allemaal voor deze symptomen kunnen zorgen. Vaak zal aanvullend onderzoek nodig zijn om aan de diagnose GNAO1-syndroom te stellen.

Bloedonderzoek
Bij routine bloedonderzoek worden bij kinderen met het GNAO1-syndroom geen bijzonderheden gevonden.
 
Genetisch onderzoek
Wanneer aan de diagnose gedacht wordt, kan door middel van gericht genetisch onderzoek op bloed naar het voorkomen van een foutje op het 16e-chromosoom in het GNAO1-gen
Vaak worden ook alle chromosomen tegelijkertijd onderzocht (zogenaamd Array onderzoek), maar op deze manier kan niet de diagnose GNAO1-syndroom worden gesteld.
Tegenwoordig zal door middel van een nieuwe genetische techniek (exome sequencing genoemd) deze diagnose gesteld kunnen worden zonder dat er specifiek aan gedacht was of naar gezocht is.

MRI-scan
Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand en/of epilepsie zal een MRI scan gemaakt worden om te kijken of er bijzonderheden aan de hersenen te zien zijn. Vaak is op de MRI scan te zien dat de hersenen kleiner van volume zijn dan gebruikelijk. Ook is vaak te zien dat het geleidingslaagje rondom de zenuwen minder goed en snel wordt aangelegd dan gebruikelijk. Dit wordt dysmyelinisatie genoemd. De hersenbalk kan dunner zijn dan gebruikelijk. Bij een op de 6 kinderen worden afwijkingen aan de basale kernen gezien.

Stofwisselingsonderzoek
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand krijgen vaak stofwisselingsonderzoek van bloed en urine om te kijken of er sprake is van een stofwisselingsziekte die verklarend is voor de ontwikkelingsachterstand. Bij kinderen met het GNAO1-syndroom worden hierbij geen bijzonderheden gezien.

EEG
Kinderen met epilepsie krijgen vaak een EEG om te kijken van welk soort epilepsie er sprake is. Op het EEG worden vaak veel verschillende soorten epileptiforme afwijkingen gezien. Deze afwijkingen zijn niet kenmerkend voor het GNAO1-syndroom, maar kunnen bij veel andere syndromen met epilepsie ook gezien worden.

Oogarts
Kinderen met het GNAO1-syndroom worden altijd een keer door een oogarts gezien om te kijken of er problemen zijn met zien.

VEP
Met een VEP onderzoek kan aangetoond worden dat de signalen die van de ogen naar de hersenen toe gaan bij kinderen met het GNAO1-syndroom veel te traag verwerkt worden. Hierdoor hebben kinderen problemen met zien.

Foto van de botten
Wanneer er sprake is van een verkromming van de wervelkolom zal vaak een foto van de botten gemaakt worden om de mate van verkromming vast te leggen en om te kijken hoe de wervels van de rug zijn aangelegd.
Wanneer er aanwijzingen zijn voor heupdysplasie kan een foto van het bekken gemaakt worden.

Dexa-scan
Door middel van een dexa-scan kan de botdichtheid van het bot worden gemeten.

Hoe wordt het GNAO1-syndroom behandeld?
Geen genezing
Er is geen behandeling die het GNAO1-syndroom kan genezen. De behandeling is er op gericht om het kind en ouders zo goed mogelijk mee te leren om gaan met de gevolgen die dit syndroom heeft.

Aanvalsbehandeling epilepsie
De meeste epilepsieaanvallen gaan vanzelf over binnen enkele minuten. Omstanders hoeven dan niets te doen om de aanval te doen stoppen. Het is belangrijk om zo rustig mogelijk te blijven en het kind zo veel mogelijk met rust te laten.
Wanneer een aanval na 5 minuten nog niet vanzelf gestopt is, dan zal vaak geadviseerd worden om medicijnen te geven om een aanval te doen stoppen. De behandelende arts zal altijd aangeven welk tijdstip voor een bepaald kind het beste is. Medicijnen die gebruikt kunnen worden voor het stoppen van een aanval zijn diazepam rectiole (Stesolid®), midazolam neusspray, midazolam rectiole, lorazepam of clonazepam druppels.
Het effect van deze medicijnen ontstaat na enkele minuten. Nadien zal het kind meestal in slaap vallen, soms ook niet.

Behandeling epilepsie
Met behulp van medicijnen wordt geprobeerd om de epilepsieaanvallen zo veel mogelijk te voorkomen en het liefst er voor te zorgen dat er helemaal geen epilepsieaanvallen meer voorkomen. Het is bij kinderen met het GNAO1-syndroom vaak moeilijk om de epilepsie onder controle te krijgen. Vaak zijn combinaties van medicijnen nodig om de epilepsie aanvallen zo veel mogelijk niet meer te laten voorkomen.
Verschillende soorten medicijnen kunnen gebruikt. Er bestaat geen duidelijk voorkeursmedicijn. Medicijnen die vaak gebruikt worden zijn fenobarbital, vigabatrine (Sabril ®), natriumvalproaat (Depakine ®), levetiracetam (Keppra ®), clobazam
(Frisium ®), oxcarbazepine (Trileptal®), topiramaat (Topamaxl®)en zonisamide (Zonegran®). Zogenaamde benzodiazepines kunnen beter niet gebruikt worden bij kinderen met absences als uiting van epilepsie, omdat de absences hierdoor kunnen verergeren.

Bij een deel van de kinderen zal het niet lukken om de epilepsieaanvallen met medicijnen onder controle te krijgen.Er bestaan ook andere behandelingen die een goed effect kunnen hebben op de epilepsie, zoals een ketogeen dieet, een nervus vagusstimulator, of een behandeling met methylprednisolon. Ook een combinatie van deze behandelingen met medicijnen die epilepsie onderdrukken is goed mogelijk. Kinderen waarbij de adenosine A1 receptor niet goed werkt hebben vaak baat bij et ketogeen dieet.

Medicijnen bij bewegingsstoornissen
Er bestaan ook medicijnen die kunnen maken dat kinderen minder last hebben van bewegingsstoornissen. Per kind zal gekeken moeten worden of de voordelen van het effect van het medicijn opwegen tegen het nadeel van eventuele bijwerkingen als gevolg van het medicijn. Het type bewegingsstoornis bepaalt welk medicijn het meest geschikt is. Voor  dystonie kunnen baclofen (Lioresal ®), trihexyfenidyl (Artane ®), tetrabenazine (Xenazine ®), clonazepam (Rivotril ®), gabapentine (Neurontin®), botuline toxine injecties of L-dopa (Sinemet ®)behulpzaam zijn. Voor chorea haloperidol (Haldol ®), tetrabenazine (Xenazine ®) of carbamazepine (Tegretol ®). Voordeel van het gebruik van tetrabenazine is het dat dit medicijn zowel effect op de dystonie als de chorea kan hebben, daarom is het een van de voorkeurs middelen geworden voor kinderen met het GNAO1-syndroom die last hebben van bewegingsstoornissen. Ook kunnen de anti-epileptica levetiracetam en topiramaat effect hebben op de bewegingsstoornissen en tegelijkertijd (indien nodig) de epilepsie aanvallen verminderen. Sommige kinderen hebben ook goed effect van het medicijn risperidon.
Er bestaat ook een mogelijkheid om het medicijn baclofen via een pompje toe te dienen, een baclofenpomp.
Een deel van de kinderen met een status dystonicus heeft baat bij het medicijn clonidine.
Helaas hebben medicijnen vaak ook bijwerkingen en kan het effect van het gebruik van deze medicijnen bij de aandoening GNAO1-syndroom tegen vallen. Per kind zal dan ook gekeken moeten worden of de voordelen van het gebruik van medicijnen opweegt tegen de nadelen van het gebruik van deze medicijnen.

Deep brain stimulation
Bewegingsstoornissen kunnen ook verbeteren door middel van een operatie die deep-brain-stimulatie in de globus pallidus internus wordt genoemd. Deze operatie kan ook acuut ingezet worden, wanneer kinderen dreigen uitgeput te raken door een voortdurende bewegingsstoornis (een status dystonicus). Het duurt 1-2 weken voordat deze behandeling effect heeft. Deep brain stimulation wordt tegenwoordig bij steeds jongere kinderen toegepast om de ernst van de bewegingsstoornissen te verminderen en status dystonicus te voorkomen.

Behandeling slaapproblemen
Een vast slaapritueel en een vast slaappatroon kunnen kinderen helpen om beter te kunnen slapen. Het medicijn melatonine kan helpen om beter in slaap te kunnen vallen. Er bestaan ook vormen van melatonine met vertraagde afgifte die ook kunnen helpen om weer in slaap te vallen wanneer kinderen in de nacht wakker worden. Slaapmiddelen worden liever niet gegeven aan kinderen omdat kinderen hier aangewend raken en niet meer zonder deze medicatie kunnen. Soms wordt het medicijn promethazine gebruikt om kinderen beter te kunnen laten slapen. Het is altijd belangrijk om uit te sluiten dat epilepsie de oorzaak is van de slaapproblemen, in geval van epilepsie is epilepsie behandeling nodig.

Kinderfysiotherapie
Een kinderfysiotherapeut kan ouders tips en adviezen geven hoe ze hun kindje zo goed mogelijk kunnen stimuleren om er voor te zorgen dat de ontwikkeling zo optimaal als mogelijk verloopt.
Een kinderfysiotherapeut kan kinderen helpen hoe zij zich zo goed mogelijk kunnen bewegen ondanks de problemen die zij met bewegen hebben. Ook probeert de fysiotherapeut er voor te zorgen dat kinderen geen vergroeiing van hun gewrichten krijgen omdat ze zelf onvoldoende bewegen.

Kinderlogopedie
Een logopediste kan tips en adviezen geven indien er problemen zijn met zuigen, drinken, kauwen of slikken. Ook kan de logopediste helpen om de spraakontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Praten kan ook ondersteund worden door middel van gebaren of pictogrammen of door middel van muziek. Op die manier kunnen kinderen zich leren uitdrukken ook als ze nog geen woorden kunnen gebruiken. Sommige kinderen hebben baat bij een spraakcomputer.

Kinderergotherapie
Een ergotherapeut kan tips en adviezen geven hoe de verzorging en de dagelijks activiteiten van een kind zo soepel mogelijk kunnen verlopen. Ook kan de ergotherapeut advies geven over materialen die de ontwikkeling van een kind kunnen stimuleren.

Revalidatiearts
Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën en adviseert ook over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een aangepaste buggy, een rolstoel, steunzolen of aangepaste schoenen.
Ook is het mogelijk via een revalidatie centrum naar een aangepaste peutergroep te gaan en daar ook therapie te krijgen en later op dezelfde manier onderwijs te gaan volgen.

School
De meeste kinderen met het GNAO1-syndroom volgen speciaal onderwijs.
Vaak volgen kinderen MLK (moeilijk lerend) of ZMLK (zeer moeilijk lerend) onderwijs.
Voor een deel van de kinderen is het niet haalbaar om onderwijs te volgen. Zij gaan naar een dagcentrum waar kinderen een dagprogramma volgen.

Diëtiste
Wanneer kinderen onvoldoende groeien, kan een diëtiste kijken hoe met energieverrijkte voeding toch voor een voldoende groei kan worden gezorgd.

Sondevoeding
Veel kinderen met dit syndroom hebben moeite met het drinken van voeding uit de borst of uit de fles. Daarom is het vaak nodig om kinderen voeding via een sonde te gaan geven, zodat kinderen wel voldoende voeding binnen krijgen om te groeien. De sonde loopt via de neus en de keel naar de maag toe. Wanneer langere tijd een sonde nodig is, kan er voor gekozen worden om door middel van een kleine operatie een sonde via de buikwand rechtstreeks in de maag aan te brengen. Zo’n sonde wordt een PEG-sonde genoemd. Later kan deze vervangen worden door een zogenaamde mickeybutton.

Reflux
Reflux kan er ook voor zorgen dat kinderen slecht eten. Door de voeding in te dikken met johannesbroodpitmeel kan de voeding minder gemakkelijk terug stromen van de maag naar de slokdarm. Ook zijn er medicijnen die de maaginhoud minder zuur kunnen maken waardoor de slokdarm minder geprikkeld wordt bij terugstromen van de maaginhoud. Medicijnen die hiervoor gebruikt worden zijn ranitidine en omeprazol of esomeprazol. Indien dit allemaal niet voldoende is, kan een operatie nodig zijn waarbij de overgang van de slokdarm naar de maag nauwer wordt gemaakt, waardoor de voeding ook minder gemakkelijk terug kan stromen (een zogenaamde Nissen-operatie).

Kwijlen
Kwijlen kan verminderen door kinderen er bewust van te maken dat ze hun speeksel moeten doorslikken. Ook kunnen oefeningen waarbij geoefend wordt om de mond te sluiten helpen. Er bestaan moderne halsdoekjes die kwijl kunnen opvangen, zodat de kleding niet vies en nat wordt.
Er bestaan medicijnen die het kwijlen minder kunnen maken. Het meest gebruikte medicijn hierdoor is glycopyrrhonium. Soms kan een behandeling van de speekselklieren door middel van botox of door middel van een operatie nodig zijn om er voor zorgen dat kinderen minder kwijlen. Per kind zullen de voor- en nadelen van elke behandeling moeten worden afgewogen.

Verstopping van de darmen
Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt. Verder blijft het belangrijk om te zorgen dat kinderen voldoende vocht en vezels binnen krijgen en zo veel als kan bewegen. Soms zijn zetpillen nodig om de ontlasting op gang te krijgen.

Oogarts
Een deel van de kinderen heeft een bril nodig om goed te kunnen zien. Wanneer kinderen scheel kijken, dan kan het nodig zijn om een oog een aantal uur per dag af te plakken, om op die manier te voorkomen dat kinderen een lui oog ontwikkelen.

VISIO/Bartimeus
VISIO is een instelling die kinderen en volwassenen die slechtziend of blind zijn begeleidt. Zij kunnen vaak tips hebben hoe kinderen die slecht kunnen zien het best kunnen spelen of benaderd kunnen worden.

Scoliose
Lichte vormen van verkromming van de wervelkolom hoeft niet behandeld te worden. Een al wat ernstigere verkromming van de wervelkolom kan worden behandeld met een gipscorset om verdergaande verkromming van de wervelkolom te voorkomen. Wanneer een gipscorset onvoldoende effect heeft en de verkromming toeneemt, kan een operatie nodig zijn waarbij de wervels vastgezet. Deze behandeling wordt uitgevoerd door een orthopeed.

Botontkalking
Om botontkalking te voorkomen wordt geadviseerd om kinderen met dit syndroom dagelijks 400IE vitamine D te geven en 500 mg calcium.

Antibiotica
Een deel van de kinderen die vaak terugkerende infecties heeft, heeft baat bij een lage dosering antibiotica om nieuwe infecties te voorkomen. Per kind moeten de voordelen van het geven van de antibiotica worden afgewogen tegen de nadelen ervan (antibiotica doden ook nuttige bacteriën in de darmen).

Onderzoek
Er wordt onderzoek gedaan naar nieuwe behandelvormen voor het GNAO1-syndroom. Er zijn speciale fruitvliegjes modellen en muismodellen gemaakt waarbij de fruitvliegjes en muizen ook een fout in het GNAO1-gen hebben. Zo kan op deze manier gekeken worden wat het effect van bepaalde vormen van behandeling is.

Kindercomfortteam
In Nederland zijn in de academische ziekenhuizen speciale kindercomfortteams. Dit zijn teams bestaande uit meerdere hulpverleners (verpleegkundigen, pedagogisch medewerkers, maatschappelijk werkenden, psychologen, geestelijke verzorgging, artsen) die ervaring hebben met de zorg voor kinderen met een aandoening die niet te genezen is. Dit team kijkt samen met kind en ouders hoe het kind een zo goed mogelijke kwaliteit van leven kan krijgen en hoe kind en ouders hierin zo goed mogelijk ondersteund kunnen worden. Dit kan per kind en ouders verschillen.

Financiële kant van zorg voor een kind met een beperking
De zorg voor een kind met een beperking brengt vaak extra kosten met zich mee. Er bestaan verschillende wetten die zorg voor kinderen met een beperking vergoeden.
Daarnaast bestaan regelingen waar ouders een beroep op kunnen doen, om een tegemoetkoming te krijgen voor deze extra kosten. Meer informatie hierover vindt u in de folder financiën kind met een beperking. .

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak tijd voor ouders om te verwerken dat de toekomstverwachtingen van hun kind er anders uit zien dan waarschijnlijk verwacht is. Ook vinden veel ouders het vaak lastig hoe zij hun tijd en aandacht moeten verdelen tussen het kind met de beperking en andere kinderen in het gezin. In de folder aandacht en tijd voor brussen vindt u tips die u hierbij kunnen helpen.

Contact met andere ouders
Door middel van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met het GNAO1-syndroom.

Wat is de prognose van het GNAO1-syndroom?
Blijvende problemen
Kinderen die een ontwikkelingsachterstand hebben als gevolg van het GNAO1-syndroom, blijven deze problemen vaak houden op volwassen leeftijd. Jong volwassenen hebben de hulp van anderen nodig hebben om te kunnen functioneren in het dagelijks leven.

Transitie van zorg
Tussen de leeftijd van 16 en 18 jaar wordt de zorg vaak overgedragen van kinderspecialisten naar specialisten die de zorg aan volwassenen geven. Het is belangrijk om tijdig hierover na te denken. Is er behoefte de zorg over te dragen naar specialisten voor volwassenen of kan de huisarts de zorg leveren die nodig is.En als er behoefte is aan overdragen van de zorg naar specialisten voor volwassenen, naar welke dokter(s) wordt de zorg dan overgedragen? In welk ziekenhuis kan de zorg het beste geleverd worden. Het proces van overdragen van de zorg wordt transitie genoemd. Het is belangrijk hier tijdig over na te denken en een plan voor te maken samen met de dokters die betrokken zijn bij de zorg op de kinderleeftijd.
Ook verandert er veel in de zorg wanneer een jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt. Voor meer informatie over deze veranderingen verwijzing wij u naar het artikel veranderingen in de zorg 18+.

Volwassenen
Omdat deze ziekte nog niet heel lang bekend is, is er niet heel veel bekend over volwassenen met deze aandoening.
Het valt dus lastig aan te geven wat het hebben van GNAO1-syndroom voor de toekomst betekent.

Osteoporose
Volwassenen met dit syndroom hebben een vergrote kans om last te krijgen van botontkalking ook wel osteoporose genoemd. Daarom is het van belang om kinderen vanaf jonge leeftijd regelmatig te laten staan, bijvoorbeeld in een statafel om dit probleem voor een deel te voorkomen. Ook helpen extra vitamine D en calcium om osteoporose te voorkomen.

Levensverwachting
De levensverwachting van kinderen en volwassenen met het GNAO1-syndroom hangt sterk samen met de klachten die worden veroorzaakt door het GNAO1-syndroom. De levensverwachting kan worden verkort wanneer er sprake is van een moeilijk behandelbare vorm van epilepsie, een ernstige bewegingsstoornis of wanneer er vaak ernstige longontstekingen zijn.

Kinderen krijgen
In theorie hebben kinderen van een volwassene met het GNAO1-syndroom zelf 50% kans om zelf ook het GNAO1-syndroom te krijgen. In praktijk zullen de meeste volwassenen een te grote handicap hebben om zelf kinderen te krijgen. Er is nog te weinig bekend over dit syndroom om te weten of er problemen zijn met de vruchtbaarheid als gevolg van dit syndroom.

Hebben broertjes en zusjes ook een verhoogde kans om ook het GNAO1-syndroom te krijgen?
Bij de meeste kinderen is de fout in het erfelijk materiaal bij het kind zelf ontstaan en niet overgeërfd van de vader of van de moeder. Broertjes en zusjes hebben dan nauwelijks een verhoogde kans om zelf het GNAO1-syndroom te krijgen. Dit zou alleen kunnen als het foutje in de eicellen of zaadcellen aanwezig is, zonder dat het in de andere lichaamscellen van de ouder aanwezig is. Dit wordt ouderlijke mocaisisme genoemd. De kans hierop is klein, ongeveer 1-2%
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek
Wanneer bekend is welk foutje in een familie heeft gezorgd voor het ontstaan van het GNAO1- syndroom, dan is het mogelijk om tijdens een volgende zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten in de vorm van een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie. Beide ingrepen hebben een klein risico op het ontstaan van een miskraam (0,5% bij de vlokkentest en 0,3% bij de vruchtwaterpunctie).Meer informatie over prenatale diagnostiek kunt u vinden op de website: www.npdn.nl.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

Heeft u foto's die bepaalde kenmerken van deze aandoening duidelijk maken en die hier op de website mogen worden geplaatst, dan vernemen wij dit graag.

Links
www.gnao1.nl
(Website van de stichting GNAO1 syndroom Nederland)
/www.facebook.com/GNAO1FAMILY/
(Facebook site over GNAO1 syndroom)

 

Referenties

  1. Clinical Course of Six Children With GNAO1 Mutations Causing a Severe and Distinctive Movement Disorder. Ananth AL, Robichaux-Viehoever A, Kim YM, Hanson-Kahn A, Cox R, Enns GM, Strober J, Willing M, Schlaggar BL, Wu YW, Bernstein JA. Pediatr Neurol. 2016;59:81-4
  2. GNAO1 encephalopathy: further delineation of a severe neurodevelopmental syndrome affecting females.  Marcé-Grau A, Dalton J, López-Pisón J, García-Jiménez MC, Monge-Galindo L, Cuenca-León E, Giraldo J, Macaya A. Orphanet J Rare Dis. 2016;11:38
  3. Progressive Movement Disorder in Brothers Carrying a GNAO1 Mutation Responsive to Deep Brain Stimulation. Kulkarni N, Tang S, Bhardwaj R, Bernes S, Grebe TA. J Child Neurol. 2016;31:211-4
  4. Phenotypic spectrum of GNAO1 variants: epileptic encephalopathy to involuntary movements with severe developmental delay. Saitsu H, Fukai R, Ben-Zeev B, Sakai Y, Mimaki M, Okamoto N, Suzuki Y, Monden Y, Saito H, Tziperman B, Torio M, Akamine S, Takahashi N, Osaka H, Yamagata T, Nakamura K, Tsurusaki Y, Nakashima M, Miyake N, Shiina M, Ogata K, Matsumoto N. Eur J Hum Genet. 2016;24:129-34
  5. Spectrum of neurodevelopmental disease associated with the GNAO1 guanosine triphosphate-binding region. Kelly M, Park M, Mihalek I, Rochtus A, Gramm M, Pérez-Palma E, Axeen ET, Hung CY, Olson H, Swanson L, Anselm I, Briere LC, High FA, Sweetser DA; Undiagnosed Diseases Network, Kayani S, Snyder M, Calvert S, Scheffer IE, Yang E, Waugh JL, Lal D, Bodamer O, Poduri A. Epilepsia. 2019;60:406-418.
  6. Phenomenology and clinical course of movement disorder in GNAO1 variants: Results from an analytical review. Schirinzi T, Garone G, Travaglini L, Vasco G, Galosi S, Rios L, Castiglioni C, Barassi C, Battaglia D, Gambardella ML, Cantonetti L, Graziola F, Marras CE, Castelli E, Bertini E, Capuano A, Leuzzi V. Parkinsonism Relat Disord. 2019;61:19-25.
  7. Humanization of Drosophila Galphao to Model GNAO1 Paediatric Encephalopathies. Savitsky M, Solis GP, Kryuchkov M, Katanaev VL. Biomedicines. 2020;8:395

Laatst bijgewerkt: 12 januari 2021 voorheen: 8 februari 2020, 1 december 2019, 18 oktober 2019, 26 maart 2019, 25 november 2018, 11 november 2017 en 25 juli  2016

 

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.