A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

MED12-gerelateerd-syndroom

 

Wat is het MED12-gerelateerd-syndroom?
Het MED12-gerelateerd-syndroom is een erfelijke aandoening waarbij kinderen een ontwikkelingsachterstand hebben al dan niet in combinatie met een of meerdere aangeboren afwijkingen.

Hoe wordt het MED12-gerelateerd-syndroom ook wel genoemd?
MED12 is de naam van de plaats op het X-chromosoom waar kinderen met dit syndroom een fout hebben zitten die de oorzaak is van het ontstaan van hun ontwikkelingsachterstand. Het woord gerelateerd betekent verband houdend met.
Verschillende syndromen die al bekend waren, bleken allemaal veroorzaakt te kunnen worden door een fout in het MED12-gen. Het gaat om de syndromen die Lujan-syndroom, het OHDO-syndroom, het FG-syndroom (tegenwoordig het Opitz-Kaveggia syndroom) zijn genoemd. Deze syndromen hebben overeenkomsten, maar bij het ene syndroom staan andere kenmerken meer op de voorgrond dan bij het andere syndroom.

Hoe vaak komt het MED12-gerelateerd-syndroom voor bij kinderen?
Het is niet goed bekend hoe vaak het MED12-gerelateerd-syndroom bij kinderen voorkomt. Het is een zeldzame aandoening. Momenteel wordt geschat dat deze aandoening bij een op de 100.000 kinderen voorkomt, maar waarschijnlijk is dat een onderschatting. Vooral bij kinderen met een milde vorm van het syndroom, zal de diagnose vaak niet gesteld zijn.
Dankzij nieuwe genetische technieken wordt het steeds gemakkelijker om na te gaan van welk syndroom er sprake is. In de toekomst zal dus meer duidelijk worden hoe vaak dit syndroom daadwerkelijk voorkomt.

Bij wie komt het MED12-gerelateerd-syndroom voor?
Het MED12-gerelateerd-syndroom is al voor de geboorte aanwezig. Het kan even duren voordat duidelijk wordt dat er sprake is van een syndroom. Meestal wordt tijdens het eerste of het tweede levensjaar duidelijk dat de ontwikkeling van kinderen met dit syndroom anders verloopt dan van andere kinderen zonder dit syndroom.
Het MED12-gerelateerd syndroom komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes, al zijn er de laatste tijd ook meisjes ontdekt met dit syndroom.

Wat is de oorzaak van het MED12-gerelateerd-syndroom?
Fout in het erfelijk materiaal
Het MED12-gerelateerd-syndroom wordt veroorzaakt door een fout in het erfelijk materiaal op het X-chromosoom op een plaats die het MED-12 gen wordt genoemd.

X-gebonden recessief
De fout in het MED12-gen ( is een zogenaamd X-gebonden recessieve fout. Dit houdt in dat een kind pas klachten krijgt wanneer alle X-chromosomen die een kind heeft deze fout bevatten. Dit verklaart ook waarom voornamelijk jongens dit syndroom krijgen. Jongens hebben namelijk een X-chromosoom (en daarnaast een Y-chromosoom), meisjes hebben 2 X-chromosomen.
Wanneer het ene X-chromosoom die een jongen heeft een fout bevat dan krijgt deze jongen klachten van dit syndroom. Een meisje krijgt pas klachten wanneer beide X-chromosomen heen fout bevatten.

Scheve X-inactivatie
Meisjes hebben 2 X-chromosomen. In elke cel wordt maar een X-chromosoom gebruikt om af te lezen. Het andere X-chromosoom wordt inactief gemaakt. Normaal gesproken is in 50% van de cellen het ene X-chromosoom actief en in de andere 50% van de cellen het ander X-chromosoom. Wanneer een van beide X-chromosomen een fout bevat, dan zal dit X-chromosoom vaker uitgeschakeld worden. In de meeste cellen is het dan normale X-chromosoom actief. Kinderen waarbij in 90% van de cellen het normale X-chromosoom actief is en in 10% van de cellen het afwijkende X-chromosoom zullen nauwelijks klachten hebben als gevolg van het hebben van een fout in het X-chromosoom in het MED12-gen. Dit wordt scheve X-inactivatie genoemd.
Bij een deel van de meisjes wordt wel in 50% van de cellen het X-chromosoom met de fout afgelezen. Deze meisjes zullen dan wel dus wel klachten hebben als gevolg van het hebben van een fout in het MED12-gen. Daarom zijn er tegenwoordig ook meisjes bekend met dit syndroom. Het is mogelijk te onderzoeken hoe de verhouding is tussen cellen waarbij het normale X-chromosoom wordt afgelezen en cellen waarbij het X-chromosoom met de fout wordt afgelezen.

Overgeërfd van een ouder
Een deel van de kinderen met MED12-gerelateerd syndroom heeft de fout in het MED12-gen geërfd van de moeder. Omdat moeders meestal zelf geen klachten hebben omdat zij nog een X-chromosoom zonder fout hebben, was dit vaak niet bekend. Het wordt vaak pas duidelijk dat een moeder deze fout op het X-chromosoom heeft, wanneer zij een zoon krijgt met een MED12-gerelateerd syndroom. Wanneer de moeder alleen dochters krijgt, zal meestal niet ontdekt worden dat zij een fout bij zich draagt in het MED12-gen.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij een deel van de kinderen met het MED12 gerelateerd syndroom is de fout in het DNA bij het kind zelf ontstaan tijdens de bevruchting van de eicel door de zaadcel. Dit wordt ook wel de novo genoemd. Dit betekent nieuw bij het kind ontstaan, het kind is dan de eerste in de familie met deze aandoening.

Afwijkend eiwit
Als gevolg van de verandering in het erfelijk materiaal wordt een bepaald eiwit niet goed aangemaakt. Dit eiwit wordt mediator of RNA polymerase II transcription subunit 12 genoemd, afgekort als MED12. Dit eiwit speelt een belangrijke rol bij het juist wel of juist niet aflezen van het DNA, waardoor op bepaalde momenten wanneer het nodig is eiwitten worden aangemaakt die nodig zijn in het lichaam. Deze eiwitten zijn nodig voor een goede aanleg van de hersenen en andere organen in het lichaam.

 

Wat zijn de symptomen van het MED12-gerelateerd-syndroom?
Variatie
Er bestaat een grote variatie in hoeveelheid en in ernst van de symptomen die verschillende kinderen met het MED12-gerelateerd-syndroom hebben. Geen kind zal alle onderstaande symptomen hebben. Het valt van te voren niet te voorspellen van welke symptomen het kind wel en van welke symptomen het kind niet last zal gaan krijgen. Ook de mate waarin kinderen last hebben van een bepaald syndroom kan erg verschillen.

Zwangerschap en bevalling
Meestal zijn er geen bijzonderheden tijdens de zwangerschap of tijdens de bevalling. De meeste kinderen met dit syndroom hebben een normaal geboortegewicht en een normale lengte en grootte van het hoofdje.

Lage spierspanning
Kinderen met het MED12-gerelateerd-syndroom hebben een lage spanning in hun spieren. Ze voelen daarom slapper aan en moeten goed gesteund worden wanneer ze opgetild worden. Door de slappere spieren is het moeilijk om het hoofdje op te tillen en verloopt de ontwikkeling van kinderen met het MED12-gerelateerd-syndroom langzamer dan dit van kinderen zonder dit syndroom. Ook kunnen de gewrichten gemakkelijk overstrekt worden door de lagere spierspanning. Veel kinderen hebben platvoetjes.

Problemen met drinken en eten
Baby’s met het MED12-gerelateerd-syndroom hebben vaak problemen met drinken. Ze pakken de borst of speen niet goed, drinken onregelmatig en stoppen snel met drinken. Het kost vaak veel tijd om baby’s met dit syndroom de borst of de fles te geven. Ook op latere leeftijd zijn kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom meestal geen goed eters.

Ontwikkelingsachterstand
Kinderen met het MED12-gerelateerd-syndroom ontwikkelen zich langzamer dan hun leeftijdsgenoten. Ze gaan later rollen, zitten, staan en lopen dan hun leeftijdsgenoten.
Het grootste deel van de kinderen leert wel zelfstandig zonder steun te lopen, maar vaak op latere leeftijd dan gebruikelijk. Voor een klein deel van de kinderen is het te moeilijk om te leren om zelfstandig te lopen.

Problemen met praten
Veel kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom gaan vaker later praten dan hun leeftijdsgenootjes. Sommige kinderen leren alleen enkele woorden, anderen leren praten in korte zinnen. Kinderen met dit syndroom praten vaak in een rustig tempo. Door de slappere spierspanning rondom de mond kunnen er problemen zijn met de verstaanbaarheid, vooral wanneer kinderen vermoeid zijn. Dit wordt dysatrie genoemd. Bij kinderen met het Lujan syndroom kan de stem klinken alsof kinderen verkouden zijn (nasale klank), terwijl kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom juist vaak een geknepen stem hebben.

Problemen met leren
Kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom hebben vaker problemen met leren. De mate waarin deze problemen voorkomen kan verschillen van matig tot ernstig. Bij een deel van de kinderen is het IQ lager dan 70, de grens waaronder wordt gesproken van een verstandelijke beperking.

Epilepsie
Een deel van de kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom krijgt last van epilepsie aanvallen. Verschillende type epilepsie aanvallen kunnen voorkomen. Verschillende type aanvallen kunnen ontstaan: aanvallen waarbij de spieren van het lichaam verstijven (tonische aanvallen), aanvallen waarbij de spieren van het lichaam eerst verstijven en daarna schokkende bewegingen maken (tonisch-clonische aanvallen), aanvallen waarbij de spieren verslappen (atone aanvallen), aanvallen met korte schokjes op verschillende plaatsen in het lichaam (myoclonieën), aanvallen met staren (absences) of aanvallen met verstijven of schokken in een arm en/of been waarbij kinderen minder goed reageren (focale aanvallen). Vaak hebben kinderen verschillende typen aanvallen naast elkaar.

Problemen met slapen
Slaapproblemen komen vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Sommige kinderen hebben moeite met het inslapen. Een groot deel van de kinderen wordt ’s nachts regelmatig wakker en komt dan maar moeilijk weer in slaap. Ook zijn kinderen vaak vroeg in de ochtend wakker.
Bij een deel van de kinderen worden de slaapproblemen veroorzaakt door epilepsie gedurende de nacht.

AD(H)D
AD(H)D komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Kinderen met ADHD hebben moeite om bij een taakje langere tijd de aandacht te houden. Ze spelen maar kort met een bepaald speelgoed en gaan dan weer naar een ander stukje speelgoed. Kinderen zijn snel afgeleid door een geluid of een beweging in de kamer. Op school hebben kinderen moeite langer tijd hun aandacht bij het schoolwerk te houden.
Kinderen kunnen moeite hebben met stil zitten en bewegen het liefst de hele dag. Kinderen hebben de neiging om eerst te doen en dan pas te denken of dit wel verstandig is, dit wordt impulsief gedrag genoemd.

Autistiforme kenmerken
Kinderen met het MED12- gerelateerd-syndroom hebben vaker autistiforme kenmerken. Kinderen zijn meer in zich zelf gekeerd en hebben niet zo’n behoefte aan contact met andere mensen. Zij leven in een eigen wereld. Het maken van oogcontact vinden kinderen vaak moeilijk.
Kinderen met autistiforme kenmerken houden vaak van een vaste voorspelbare structuur in de dag. Zij vinden het lastig wanneer hiervan wordt afgeweken. Ook onverwachte gebeurtenissen zijn moeilijk. Kinderen kunnen door onverwachte gebeurtenissen heel boos of juist heel verdrietig worden, omdat ze niet goed weten hoe ze hier mee om moeten gaan.Kinderen met autisme vinden het vaak moeilijk om emoties van andere mensen te kunnen begrijpen en weten niet goed hier op te reageren. Samen spelen en samen plezier hebben is vaak moeilijk voor kinderen met autisme.
Ook hebben kinderen vaak voorkeur voor bepaald speelgoed of een bepaalde hobby waar ze zich heel lang mee kunnen vermaken.

Stereotypieën
Veel kinderen maken graag bewegingen met hun armen en hun handen die vaak terug keren. Zulke bewegingen worden stereotypieën genoemd. Sommige kinderen gaan wapperen met hun handen, anderen maken draaiende bewegingen of wrijvende bewegingen over de borst heen. Deze bewegingen komen vaak voor wanneer kinderen iets heel leuks of iets spannends gaan doen. Kinderen hebben hier zelf geen last van.

Dwang
Kinderen met dit syndroom hebben vaker last van dwang. Zij moeten bepaalde handelingen op een bepaalde manier uitvoeren, bijvoorbeeld allerlei voorwerpen netjes op een rij zetten, anders worden kinderen erg onrustig, verdrietig of boos.

Vriendelijk karakter
Kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom hebben meestal een vriendelijk karakter. Ze zijn vaak vrolijk en houden van contact met andere mensen.

Waterhoofd
Bij een klein deel van de kinderen is er sprake van een waterhoofd. De holtes in de hersenen bevatten te veel vocht, waardoor de druk in het hoofd omhoog gaat. Bij jonge kinderen onder de leeftijd van 2 jaar kan dit zorgen voor een te snelle toename van de hoofdgrootte. De ogen kunnen regelmatig naar beneden toe staan, dit worden zogenaamde sunset eyes genoemd. Bij oudere kinderen kan een waterhoofd zorgen voor hoofdpijn, braken en toegenomen slaperigheid met niet goed wekbaar zijn.

Typische uiterlijke kenmerken
Bij veel syndromen hebben kinderen vaak wat veranderde uiterlijke kenmerken. Hier hebben kinderen zelf geen last van, maar het kan de dokters helpen om te herkennen dat er sprake is van een syndroom en mogelijk ook van welk syndroom. Ook maakt dit vaak dat kinderen met hetzelfde syndroom vaak meer op elkaar lijken dan op hun eigen broertjes en zusjes, terwijl de kinderen toch niet familie van elkaar zijn
Kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom hebben een aantal typische uiterlijke kenmerken, maar deze kunnen erg verschillen van kind tot kind. Vaak hebben kinderen een wat driehoekige vorm van hun gezicht, aan de boven kant is het hoofd breed en hoog is, aan de kant van de kin is het gezicht smal. Het gezicht is vaak langwerpig. De ogen kunnen dieper in het gezicht liggen, waardoor de ogen klein lijken. Vaak hebben kinderen een brede neusbrug die wat ingezonken ligt. De neus kan kort of lang zijn, de neuspunt vaak wat opgewipt en stevig. De mond is vaak smal, de lippen zijn aak dun. Het gehemelte is vaak hoog.De ruimte tussen de neus en de mond bevat geen groef maar is vaak vlak. De onderkaak is vaak kleiner dan de bovenkaak. De wangen zijn vaak bol. e oren zijn vaak wat kleiner en bevatten minder windingen. De pink heeft vaak een kromme stand. De 2e teen staat vaak over de 3e teen heen. Sommige kinderen hebben een brede grote teen en duim.

Lengte
Een deel van de kinderen met het MED12-syndroom (vooral kinderen met het Lujan syndroom) heeft een grote lengte. Deze kinderen zijn vaak lang en dun. Een ander deel van de kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom zis juist kleiner dan hun leeftijdsgenoten (kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom)

Gewicht
Kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom zijn vaak licht van gewicht en hebben een slank postuur. Kinderen met het Lujan syndroom hebben veel uiterlijke kenmerken overeenkomstig met kinderen met het Marfan syndroom.

Groot hoofd
Een groot deel van de kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom heeft een grote hoofdomtrek. Wanneer het hoofd zo groot is dat het in de grafiek voor de hoofdomtrek boven het bovenste lijntje uitkomt wordt gesproken van een macrocefalie.

Grote fontanel
Bij kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom is de grote fontanel vaak heel groot. Ook sluit de grote fontanel vaak laat.

Handen en voeten
Kinderen met het Lujan syndroom hebben lange dunne handen. Vaak zijn de duimen en grote tenen breed. De vingers zijn heel soepel en kunnen gemakkelijk achterover gebogen worden. Bij kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom kunnen twee vingers gedeeltelijk met elkaar vergroeid raken. Ook kunnen zijn een handlijn hebben die van de ene naar de andere kant van de handpalm loopt. Bij kinderen met OHDO syndroom kan de 3e teen over de andere tenen heen krullen.

Haren
Kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom hebben vaak dunne fijne haren. Ook hebben zij meestal geen dikke haardos. Aan de voorkant van het hoofd kan een kruin zitten, waardoor het haar daar naar boven toe draait.

Huid
Kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom hebben vaak een dunne huid, die gemakkelijk rimpels maakt. Bij kinderen met het OHDO-syndroom kunnen lichtbruine vlekken op de huid voorkomen: cafe-au-lait vlekken.

Ogen
Een deel van de kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom (vooral met de variant OHDO-syndroom) heeft een nauwe oogspleet. Hierdoor is maar een klein deel van het oog te zien. Dit wordt blepharophimosis genoemd. Ook kunnen de oogleden wat hangen, dit wordt ptosis genoemd. Naast de ogen aan de kant van de neus kunnen extra plooitjes voorkomen. Dit wordt epicanthus genoemd. Scheelzien komt vaker voor bij kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom. Bij een deel van de kinderen is de lens troebel, dit wordt cataract genoemd. Sommige kinderen hebben ook kleinere ogen dan gebruikelijk, dit wordt micro-ophtalmie genoemd. Kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom hebben vaak weinig haar in hun wenkbrauwen.

Oren
Slechthorendheid komt bij een deel van de kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom voor, vooral bij kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom. De oren zijn vaak kleiner dan gebruikelijk en hebben weinig windingen. Sommige kinderen hebben een nauwe gehoorgang waar gemakkelijk oorsmeer in achter blijft.

Gebit
Kinderen met dit syndroom hebben vaak kleine tanden die niet tegen elkaar, maar een stukje uit elkaar staan waardoor er ruimte tussen de tanden is. Ook kunnen de tanden niet in een rij, maar op wisselende plaatsen in de mond staan. De tanden van het melkgebit kunnen op een andere plaats doorkomen dan de tanden van het volwassen gebit.

Schisis
Een deel van de kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom heeft een spleetje in de lip of in het gehemelte. Dit wordt schisis genoemd. Dit spleetje kan heel klein en weinig opvallend zijn. Soms is alleen te zien dat de huig uit twee delen bestaat in plaats vanuit een deel. Een schisis kan ook zorgen voor het ontstaan van problemen met drinken en eten.

Open mond
Kinderen met dit syndroom hebben de neiging om door hun mond te ademen in plaats van door hun neus. Dit komt door zwakte van de spieren in het gezicht waardoor kinderen meer moeite moeten doen om hun mond dicht te houden. Wanneer ze hier niet aan denken, dan valt hun mond open. Door de open mond loopt het speeksel gemakkelijker uit de mond, waardoor kinderen sneller last hebben van kwijlen.

Kwijlen
Kinderen met dit syndroom hebben gemakkelijk last van kwijlen. Dit komt door slapheid van de spieren in het gezicht en rondom de mond, waardoor het speeksel gemakkelijk uit de mond loopt.

Reflux
Kinderen met dit syndroom hebben vaker last van het terugstromen van voeding vanuit de maag naar de slokdarm. Dit wordt reflux genoemd. Omdat de maaginhoud zuur is, komt het zuur zo ook in de slokdarm, soms zelfs ook in de mond. Dit zuur kan zorgen voor pijnklachten, waardoor kinderen moeten huilen en soms ook niet willen eten. Ook kan het maken dat kinderen moeten spugen.

Pylorusstenose
Bij een deel van de kinderen (vooral bij kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom) is er sprake van een vernauwing van de uitgang van de maag. Dit zorgt dat baby's met grote golven hun voeding weer uit spugen.

Borstbeen
Bij een deel van de kinderen staat het borstbeen naar binnen toe. Dit wordt een pectus excavatum genoemd. Kinderen hebben hier meerstal geen last van.

Aangeboren hartafwijking
Een deel van de kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom heeft een aangeboren hartafwijking hebben.Vaak gaat het om een gaatje tussen de beide boezems van het hart, dit wordt een ASD genoemd. Of een gaatje tussen de beide hartkamers, dit wordt een VSD genoemd.
De meeste kinderen hebben zelf geen last van de hartafwijking, vaak lost het lichaam de hartafwijking ook zelf weer op met het ouder worden. Wanneer kinderen last hebben van hun hartafwijking dan geeft dit vaak klachten zoals vermoeidheid, zweten bij het eten of drinken of een blauwe verkleuring tijdens inspanning. Een deel van de kinderen heeft een verwijding van de grote lichaamsslagader (aneurysma).

Nieren
Bij een deel van de kinderen zijn de nieren niet goed in staat om eiwitten uit de urine terug te nemen in de nier, waardoor de urine te veel eiwit bevat.

Verstopping van de darmen
Verstopping van de darmen komt vaak voor bij kinderen met dit syndroom. De ontlasting komt dan niet elke dag en is vaak hard waardoor kinderen moeite hebben met poepen. Dit kan buikpijnklachten geven en zorgen voor een bolle buik. Ook kan de eetlust hierdoor minder worden.
Bij een deel van de kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom wordt deze verstopping van de darmen veroorzaakt door een verkeerde draaiing van de darmen (malrotatie genoemd).

Ontbreken poepgaatje
Bij een deel van de kinderen (vooral kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom) ontbreekt het poepgaatje of zit het poepgaatje op de verkeerde plek. Dit wordt anusatresie genoemd. Hierdoor wordt poepen voor kinderen erg moeilijk. Rondom het poepgaatje kunnen extra huidaanhangsels (skin tags) worden gezien.

Plasser
Soms eindigt de plasbuis niet op de top van de plasser. Dit wordt een hypospadie genoemd. Dit kan problemen geven met plassen.

Zindelijkheid
De meeste kinderen met dit syndroom worden op latere leeftijd zindelijk dan gebruikelijk.

Niet ingedaalde zaadballen
Bij een groot deel van de jongens zitten de zaadballen niet in de balzak. Dit wordt cryptorchisme genoemd. Bij jongens met het Lujan syndroom kunnen de zaadballen groter zijn van volume dan gebruikelijk.

Liesbreuk of navelbreuk
Een deel van de  kinderen met dit syndroom  heeft een liesbreuk of een navelbreuk.
Dit is te zien en te voelen als een bult in de lies of naast de navel. Vaak hebben kinderen hier geen last van, soms zorgt de liesbreuk of navelbreuk voor pijnklachten.

Hypermobiliteit
Kinderen met dit syndroom hebben een lage spierspanning. Door de lagere spierspanning kunnen bijvoorbeeld de gewrichten van de ellebogen en de knieën gemakkelijk overstrekt worden. Dit wordt hypermobiliteit genoemd. Veel kinderen hebben platvoeten door de lagere spierspanning.

Contractuur
Bij een deel van de kinderen kunnen de gewrichten juist minder verder bewegen dan gebruikelijk. Dit wordt een contractuur genoemd.

Holle rug
Kinderen met dit syndroom hebben vaak een holle rug. Hierdoor staat de buik meer naar voren toe en de billen meer naar achteren. Dit wordt toegenomen lendenlordose genoemd.

Tethered cord
Kinderen met het Opitz-Kaveggia syndroom hebben een grotere kans om een tethered cord te krijgen. Een tethered cord kan zorgen voor problemen met de zinderlijkheid of van pijnklachten in de benen en in de rug. Laag op de huid kan een putje (sacrale dimple) te zien zijn als aanwijzing dat er sprake is van een tethered cord. hebben een grotere kans om een tethered cord te krijgen. Een tethered cord kan zorgen voor problemen met de zinderlijkheid of van pijnklachten in de benen en in de rug. Laag op de huid kan een putje (sacrale dimple) te zien zijn als aanwijzing dat er sprake is van een tethered cord.

Hoe wordt de diagnose MED12-gerelateerd-syndroom gesteld?
Verhaal en onderzoek
Op grond van het verhaal van een kind met een ontwikkelingsachterstand, typische uiterlijke kenmerken en/of een of meerdere aangeboren kenmerken, kan vermoed worden dat er sprake is van een syndroom. Er zijn echter veel verschillende syndromen die allemaal voor deze symptomen kunnen zorgen, zodat niet altijd gemakkelijk is om vast te stellen dat er sprake is van het MED12-gerelateerd syndroom. Er zal dus nadere diagnostiek nodig zijn om de diagnose MED12-gerelateerd syndroom te stellen.

Bloedonderzoek
Bij routine bloedonderzoek worden bij kinderen met het MED12-gerelateerd-syndroom geen afwijkingen gevonden.

Genetisch onderzoek
Wanneer aan de diagnose gedacht wordt omdat de aandoening in de familie voorkomt, kan door middel van gericht genetisch onderzoek op bloed gezocht worden naar een fout in het MED12-gen
Tegenwoordig zal door middel van een nieuwe genetische techniek (exome sequencing genoemd) deze diagnose gesteld kunnen worden zonder dat er specifiek aan gedacht was of naar gezocht is.

MRI van de hersenen
Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand zal vaak een MRI scan gemaakt worden om te kijken of er bijzonderheden aan de hersenen te zien zijn. Vaak worden op deze MRI scan wel afwijkingen gezien, maar deze afwijkingen worden bij veel kinderen met een syndroom gezien en zijn niet alleen kenmerkend voor het MED12-gerelateerd-syndroom. Bij een groot deel van de kinderen is de hersenbalk afwezig of onderontwikkeld. Bij een klein deel van de kinderen is er sprake van een waterhoofd, dit kan ook zichtbaar zijn op de MRI-scan.

MRI van de rug
Bij verdenking op een tethered cord kan een MRI scan van de rug gemaakt worden om te beoordelen of hier aanwijzingen voor zijn.

Stofwisselingsonderzoek
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand krijgen vaan stofwisselingsonderzoek om te kijken of er sprake is van een stofwisselingsziekte die verklarend is voor de ontwikkelingsachterstand. Bij kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom worden hierbij geen bijzonderheden gezien.

EEG
Kinderen met epilepsie krijgen vaak een EEG om te kijken van welk soort epilepsie er sprake is. Op het EEG worden vaak epileptiforme afwijkingen gezien. Deze afwijkingen zijn niet kenmerkend voor het MED12-gerelateerd-syndroom, maar kunnen bij veel andere syndromen met epilepsie ook gezien worden.

KNO-arts
Kinderen met het MED12-gerelateerd- syndroom worden vaak gezien door de KNO-arts. Dit is om te kijken of er sprake is van slechthorendheid wat vaak voorkomt bij kinderen met het MED12-gerelateerd-syndroom.

Oogarts
De oogarts kan vaststellen of er sprake is van een probleem met zien en van welke problemen er sprake is.

Kindercardioloog
De kindercardioloog kan door middel van een ECHO onderzoek van het hart beoordelen of er aanwijzingen zijn voor een aangeboren hartafwijking.

Hoe worden kinderen met het MED12-gerelateerd-syndroom behandeld?
Geen genezing
Er bestaat geen behandeling om het MED12-gerelateerd syndroom te genezen. De behandeling is er op gericht om de ontwikkeling van kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom zo goed mogelijk te laten verlopen en bijkomende problemen zo vroeg mogelijk op te sporen en waar mogelijk te behandelen.

Kinderarts
In Nederland wordt door de zorg voor kinderen met een zeldzaam syndroom vaak gecoordineerd door de kinderarts in de eigen woonomgeving. Daarnaast kunnen kinderen ook begeleid worden door een speciale kinderarts die zich gespecialiseerd heeft in de zorg voor kinderen met een aangeboren en vaak zeldzame aandoeningen. Deze kinderarts heet kinderarts EAA: kinderarts voor erfelijke en aangeboren aandoeningen. In steeds meer ziekenhuizen in Nederland werken kinderartsen EAA. De kinderarts EAA stemt met de eigen kinderarts in de woonomgeving van het kind af hoe de zorg voor het kind zo optimaal mogelijk kan verlopen.

Fysiotherapie
Een fysiotherapeut kan ouders tips en adviezen geven hoe ze hun kind zo goed mogelijk kunnen stimuleren om er voor te zorgen dat de ontwikkeling zo optimaal als mogelijk verloopt.

Logopedie
Een logopediste kan tips en adviezen geven indien er problemen zijn met zuigen, drinken, kauwen of slikken. Sommige kinderen hebben baat bij een speciale speen (special need speen) waardoor het drinken uit de fles beter verloopt. Moeders kunnen borstvoeding kolven, zodat kinderen op deze manier toch borstvoeding als voeding kunnen krijgen via de fles.De logopediste kan ook adviezen geven hoe de mondspieren getraind kunnen worden, waardoor kinderen minder last hebben van kwijlen.
Ook kan de logopediste helpen om de spraakontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Praten kan ook ondersteund worden door middel van gebaren of pictogrammen. Op die manier kunnen kinderen zich leren uitdrukken ook als ze nog geen woorden kunnen gebruiken. Sommige kinderen hebben baat bij een spraakcomputer.

Ergotherapie
Een ergotherapeut kan tips en adviezen geven hoe de verzorging en de dagelijks activiteiten van een kind zo soepel mogelijk kunnen verlopen. Ook kan de ergotherapeut advies geven over materialen die de ontwikkeling van een kind kunnen stimuleren.

Revalidatiearts
Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën en adviseert ook over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een aangepaste buggy, steunzolen of aangepaste schoenen.
Ook is het mogelijk via een revalidatie centrum naar een aangepaste peutergroep te gaan en daar ook therapie te krijgen en later op dezelfde manier onderwijs te gaan volgen.

School
Een deel van de kinderen kan regulier onderwijs volgen met extra ondersteuning. Een ander deel van de kinderen gaat naar het speciaal onderwijs waar de klassen kleiner zijn en er meer ondersteuning is om kinderen in hun eigen leertempo vooruit te laten gaan. Vaak hebben kinderen hebben kinderen meer oefening en meer herhaling nodig om een vaardigheid te leren. Vaak volgen kinderen MLK (moeilijk lerend) of ZMLK (zeer moeilijk lerend) onderwijs. Epilepsie is een stoorzender die het proces van leren en onthouden verstoort.

Orthopedagoog
Een orthopedagoog kan ouders tips en adviezen geven hoe om gaan met problemen met de korte aandachtsboog of met dwang.

Kinder- en jeugdpsychiater
Een kinder- en jeugdpsychiater kan advies geven hoe om te gaan met gedragsproblemen zoals ADHD of autisme. Soms is het nodig om gedragsregulerende medicatie zoals methylfenidaat voor ADHD of risperidon of aripiprazol voor prikkelovergevoeligheid te geven.

Aanvalsbehandeling epilepsie
De meeste epilepsieaanvallen gaan vanzelf over binnen enkele minuten. Omstanders hoeven dan niets te doen om de aanval te doen stoppen. Het is belangrijk om zo rustig mogelijk te blijven en het kind zo veel mogelijk met rust te laten.
Wanneer een aanval na 3-5 minuten nog niet vanzelf gestopt is, dan zal vaak geadviseerd worden om medicijnen te geven om een aanval te doen stoppen. De behandelende arts zal altijd aangeven welk tijdstip voor een bepaald kind het beste is. Medicijnen die gebruikt kunnen worden voor het stoppen van een aanval zijn diazepam rectiole (Stesolid®), midazolam neusspray, midazolam rectiole, lorazepam of clonazepam druppels.
Het effect van deze medicijnen ontstaat na enkele minuten. Nadien zal het kind meestal in slaap vallen, soms ook niet.

Behandeling epilepsie
Met behulp van medicijnen wordt geprobeerd om de epilepsieaanvallen zo veel mogelijk te voorkomen en het liefst er voor te zorgen dat er helemaal geen epilepsieaanvallen meer voorkomen. Soms lukt dit vrij gemakkelijk met een medicijn, maar bij een deel van de kinderen is het niet zo eenvoudig en zijn combinaties van medicijnen nodig om de epilepsie aanvallen zo veel mogelijk of helemaal niet meer te laten voorkomen.
Verschillende soorten medicijnen kunnen gebruikt worden om de epilepsie onder controle te krijgen. Er bestaat geen duidelijk voorkeursmedicijn. Medicijnen die vaak gebruikt worden zijn natriumvalproaat (Depakine ®), levetiracetam (Keppra ®), clobazam (Frisium ®) en zonisamide (Zonegran®).

Bij een deel van de kinderen zal het niet lukken om de epilepsieaanvallen met medicijnen onder controle te krijgen. Er bestaan ook andere behandelingen die een goed effect kunnen hebben op de epilepsie, zoals een ketogeen dieet, een nervus vagusstimulator, of een behandeling met methylprednisolon. Ook een combinatie van deze behandelingen met medicijnen die epilepsie onderdrukken is goed mogelijk.

Behandeling slaapproblemen
Een vast slaapritueel en een vast slaappatroon kunnen kinderen helpen om beter te kunnen slapen. Het medicijn melatonine kan helpen om beter in slaap te kunnen vallen. Er bestaan ook vormen van melatonine met vertraagde afgifte die ook kunnen helpen om weer in slaap te vallen wanneer kinderen in de nacht wakker worden. Slaapmiddelen worden liever niet gegeven aan kinderen omdat kinderen hier aangewend raken en niet meer zonder deze medicatie kunnen. Soms wordt het medicijn promethazine gebruikt om kinderen beter te kunnen laten slapen. Het is altijd belangrijk om uit te sluiten dat epilepsie de oorzaak is van de slaapproblemen, in geval van epilepsie is epilepsie behandeling nodig.

KNO-arts
Een deel van de kinderen krijgt van de KNO-arts trommelvliesbuisjes om zo minder snel last te hebben van middenoorontstekingen. Kinderen die slechthorend zijn kunnen baat hebben bij gehoorapparaatjes.

Tandarts
Kinderen met het MED12-gerelateerd syndroom worden vaak extra gecontroleerd door de tandarts. Er bestaan speciale tandartsen die zich gespecialiseerd hebben in de tandheelkundige zorg van kinderen met een ontwikkelingsachterstand omdat dit vaak speciale aanpak en extra tijd vraagt. De tandarts bekijkt of een fluor behandeling nodig is om gaatjes in de tanden en kiezen te voorkomen.

Schisisteam
Kinderen met een schisis worden vaak gezien en behandeld door een schisisteam. In dit team zitten vaak verschillende artsen, verpleegkundigen en andere ondersteunende personen die bekijken op welke manier de schisis het beste behandeld kan worden. Een of meerdere operaties kunnen nodig zijn.

Reflux
Reflux kan er ook voor zorgen dat kinderen slecht eten. Door de voeding in te dikken met johannesbroodpitmeel kan de voeding minder gemakkelijk terug stromen van de maag naar de slokdarm. Ook zijn er medicijnen die de maaginhoud minder zuur kunnen maken waardoor de slokdarm minder geprikkeld wordt bij terugstromen van de maaginhoud. Medicijnen die hiervoor gebruikt worden zijn ranitidine, omeprazol of esomeprazol. Indien dit allemaal niet voldoende is, kan een operatie nodig zijn waarbij de overgang van de slokdarm naar de maag nauwer wordt gemaakt, waardoor de voeding ook minder gemakkelijk terug kan stromen. Dit wordt een Nissen-operatie genoemd.

Kwijlen
Er bestaan medicijnen die het kwijlen minder kunnen maken. Het meest gebruikte medicijn hierdoor is glycopyrrhonium. Ook kan een behandeling van de speekselklieren door middel van botox of door middel van een operatie er voor zorgen dat kinderen minder kwijlen.

Diëtiste
Een diëtiste kan adviezen geven hoe kinderen voldoende voeding binnen kunnen krijgen om zich goed te voelen en voldoende te kunnen groeien. Soms is het nodig om kinderen (aanvullend) energieverrijkte voeding of sondevoeding te geven om te zorgen dat zij voldoende voedingsstoffen binnen krijgen.

Kindercardioloog
De kindercardioloog beoordeelt of een behandeling van een aangeboren hartafwijking nodig is of dat alleen controle nodig is. Soms zijn medicijnen nodig om het hart te ondersteunen. Ook kunnen in bepaalde situaties antibiotica nodig zijn. Bij een ernstige hartafwijking kan een operatie nodig zijn. Deze operaties worden uitgevoerd door de thoraxchirurg.

Verstopping van de darmen
Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt. Verder blijft het belangrijk om te zorgen dat kinderen voldoende vocht en vezels binnen krijgen en zo veel als kan bewegen. Regelmatig zijn zetpillen (bisacodyl) of clysma's nodig om de ontlasting op gang te krijgen. Wanneer dit onvoldoende helpt kan darmspoelen een optie zijn.

Kinderchirurg
De kinderchirurg kan indien nodig een operatie verrichten om een liesbreuk of afwijkingen aan de maag en darmen te corrigeren. Wanneer voor langere tijd een sonde nodig is, kan de chirurg een rechtstreekse sonde naar de maag toe inbrengen. Dit wordt een PEG-sonde genoemd.

Kinderuroloog
Wanneer de zaadballen niet goed indalen, dan kan de kinderuroloog door middel van een operatie er voor zorgen dat de zaadballen wel in de balzak komen te liggen. Ook kan de kinderuroloog door middel van een operatie zorgen dat de uitgang van de plasbuis weer op de top van de plasser terecht komt.

Kinderneurochirurg
In geval van een waterhoofd of een tethered cord kan de kinderneurochirurg dit met een operatie verhelpen.

Scoliose
Lichte vormen van verkromming van de wervelkolom hebben meestal geen behandeling nodig en alleen controle om te kijken of de verkromming toeneemt. Bij toename kan een behandeling met een gipscorset nodig zijn om verdergaande verkromming van de wervelkolom te voorkomen. Wanneer een gipscorset onvoldoende effect heeft, kan een operatie nodig zijn waarbij de wervels vastgezet. Deze behandeling wordt uitgevoerd door een orthopeed.

Financiële kant van zorg voor een kind met een beperking
De zorg voor een kind met een beperking brengt vaak extra kosten met zich mee. Er bestaan verschillende wetten die zorg voor kinderen met een beperking vergoeden.
Daarnaast bestaan regelingen waar ouders een beroep op kunnen doen, om een tegemoetkoming te krijgen voor deze extra kosten. Meer informatie hierover vindt u in de folder financiën kind met een beperking.

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak even tijd voor ouders om te verwerken dat de toekomstverwachtingen van hun kind er anders uit zien dan van andere kinderen. Ook vinden veel ouders het vaak lastig hoe zij hun tijd en aandacht moeten verdelen tussen het kind met de beperking en andere kinderen in het gezin. In de folder aandacht en tijd voor brussen vindt u tips die u hierbij kunnen helpen.

Contact met andere ouders
Door middel van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met het MED12-gerelateerd-syndroom.

Wat betekent het hebben van het MED12-gerelateerd-syndroom voor de toekomst?
Blijvende beperking
De meeste kinderen houden last van beperkingen in het dagelijks leven als gevolg van het hebben van het MED12-gerelateerd-syndroom. Zij zijn afhankelijk van de hulp van anderen bij allerlei dagelijkse activiteiten. Een deel van de volwassenen kan zelfstandig wonen, de meeste volwassenen wonen begeleid of in een woongroep.

Groffere gelaatskenmerken
Met het ouder worden krijgen jongeren met het MED12-gerelateerd-syndroom groffere gelaatskenmerken.

Transitie van zorg
Tussen de leeftijd van 16 en 18 jaar wordt de zorg vaak overgedragen van kinderspecialisten naar specialisten die de zorg aan volwassenen geven. Het is belangrijk om tijdig hierover na te denken. Is er behoefte de zorg over te dragen naar specialisten voor volwassenen of kan de huisarts de zorg leveren die nodig is.En als er behoefte is aan overdragen van de zorg naar specialisten voor volwassenen, naar welke dokter(s) wordt de zorg dan overgedragen? In welk ziekenhuis kan de zorg het beste geleverd worden. Het proces van overdragen van de zorg wordt transitie genoemd. Het is belangrijk hier tijdig over na te denken en een plan voor te maken samen met de dokters die betrokken zijn bij de zorg op de kinderleeftijd.
Ook verandert er veel in de zorg wanneer een jongere de leeftijd van 18 jaar bereikt. Voor meer informatie over deze veranderingen verwijzing wij u naar het artikel veranderingen in de zorg 18+.

AVG
Een AVG is een arts die zich gespecialiseerd heeft in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. De AVG richt zich op het voorkomen, behandelen en beperken van lichamelijke en psychische problemen die te maken hebben met een verstandelijke of lichamelijke beperking. De AVG werkt hiervoor samen met de huisarts, de medische specialist, de gedragsdeskundige en/of andere therapeuten (zoals een fysiotherapeut of een logopedist). Er zijn steeds meer poliklinieken in Nederland waar AVG werken en waar kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking terecht kunnen met hun hulpvragen die te maken hebben met hun beperking. Daarnaast werken AVG ook in instellingen en zijn ze betrokken bij gespecialiseerde kinderdagcentra. Op de website van de NVAVG (Nederlandse Vereniging van Artsen voor Verstandelijk Gehandicapten) is een lijst met poliklinieken te vinden.

Pyschose
Een deel van de volwassenen met dit syndroom krijgt tijdens de puberteit of op jong volwassen leeftijd een psychose. Een psychose is een verwardheidstoestand waarbij jongeren beelden kunnen zien of geluiden kunnen horen die er in werkelijkheid niet zijn. Hier kunnen jongeren heel verward en angstig van worden.

Levensverwachting
Er is nog maar weinig bekend over volwassenen met dit syndroom. Het is dus nog niet goed aan te geven hoe de levensverwachting is voor mensen met dit syndroom. Voor kinderen met een moeilijker behandelbare vorm van epilepsie en/of steeds terugkerende longontstekingen zou de levensverwachting verkort kunnen zijn.

Kinderen krijgen
Volwassenen met het MED12-gerelateerd syndroom kunnen kinderen krijgen. Een man met het MED12-gerelateerd syndroom kan de fout in het MED12-gen doorgeven aan zijn dochters. Vaak hebben meisjes geen of weinig klachten als gevolg van het hebben van de fout in het MED12-gen. Wanneer deze dochters later zelf zonen krijgen, kunnen deze zonen het MED12-gerelateerd syndroom krijgen. Een man met het MED12-gerelateerd syndroom kan de aandoening niet doorgeven aan zijn zonen, een man geeft immers het Y-chromosoom door in geval van een zoon en en niet het X-chromosoom. Wanneer deze zonen later kinderen krijgen, hebben deze kinderen geen verhoogde kans om zelf ook het MED12-gerelateerd syndroom te krijgen. Indien de volwassene geen kinderen wil of kan krijgen, moet wellicht nagedacht moeten worden over anticonceptie, waarover u in deze folder meer informatie vindt.

Hebben broertjes en zusjes een verhoogde kans om ook het MED12-gerelateerd syndroom te krijgen?
Wanneer de moeder drager is van een fout in het MED12-gen, dan hebben haar zonen 50% kans om een MED12-gerelateerd syndroom te krijgen. Ook haar dochters hebben 50% kans de fout in het MED12-gen te krijgen, maar meisjes hebben meestal geen of weinig last van het hebben van deze fout.
Wanneer de fout in het MED12-gen bij het kind zelf is ontstaan, dan is de kans klein dat broertjes ook het MED12-gerelateerd syndroom zullen gaan krijgen. Dit zou alleen kunnen wanneer de moeder deze fout in haar eicellen heeft, de kans hierop is kleiner dan 1%.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek
Door middel van een vlokkentest in de 12e zwangerschapsweek of een vruchtwaterpunctie in de 16e zwangerschapsweek bestaat de mogelijkheid om tijdens een zwangerschap na te gaan of een broertje of zusje ook deze aandoening heeft. Beide ingrepen hebben een klein risico op het ontstaan van een miskraam (0,5% bij de vlokkentest en 0,3% bij de vruchtwaterpunctie). De uitslag van deze onderzoeken duurt twee weken. Voor prenatale diagnostiek kan een zwangere de 8ste week verwezen worden door de huisarts of verloskundige naar een afdeling klinische genetica. Meer informatie over prenatale diagnostiek kunt u vinden op de website: www.npdn.nl.

 

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Referenties
1.MED12 related disorders.  Graham JM Jr, Schwartz CE. Am J Med Genet A. 2013;161A:2734-40.
2. Clinical and neurocognitive characterization of a family with a novel MED12 gene frameshift mutation.  Lesca G, Moizard MP, Bussy G, Boggio D, Hu H, Haas SA, Ropers HH, Kalscheuer VM, Des Portes V, Labalme A, Sanlaville D, Edery P, Raynaud M, Lespinasse J.
Am J Med Genet A. 2013;161A:3063-71
3. Mutations in MED12 cause X-linked MED12-gerelateerd syndrome. Vulto-van Silfhout AT, de Vries BB, van Bon BW, Hoischen A, Ruiterkamp-Versteeg M, Gilissen C, Gao F, van Zwam M, Harteveld CL, van Essen AJ, Hamel BC, Kleefstra T, Willemsen MA, Yntema HG, van Bokhoven H, Brunner HG, Boyer TG, de Brouwer AP. Am J Hum Genet. 2013;92:401-6
4. Beyond MED12-gerelateerd syndrome: A familial missense mutation broadens the MED12 spectrum. Langley KG, Brown J, Gerber RJ, Fox J, Friez MJ, Lyons M, Schrier Vergano SA. Am J Med Genet A. 2015;167A:3180-5
5. Insights into the regulatory role and clinical relevance of mediator subunit, MED12, in human diseases. Srivastava S, Kulshreshtha R. J Cell Physiol. 2021;236:3163-3177

 

Laatst bijgewerkt: 6 maart 2021

 

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.