Kinderneurologie
A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Medulloblastoom

 

Wat is een medulloblastoom?
Een medulloblastoom is een kwaadaardige hersentumor die ontstaat uit voorloper hersencellen en die zich in de buurt van de hersenstam bevindt.

Hoe wordt een medulloblastoom ook wel genoemd?
Het medullo geeft aan dat deze tumor in de buurt van een stuk van de hersenstam ligt, die medullo oblongata heet. Het woord blastoom geeft aan deze tumor ontstaat uit voorloper hersencellen.

PNET
Een meduloblastoom behoort tot de groep van tumoren die PNET wordt genoemd. PNET staat voor Primitieve Neuro-Ectodermale Tumor. Het woord primitieve geeft aan dat deze tumor uit voorlopercellen ontstaat. Het woord neuro-ectodermaal geeft aan dat deze voorlopercellen afkomstig zijn van weefsel wat het ectoderm wordt genoemd. Uit het ectoderm ontstaat verschillende weefsels waaronder de hersenen en de huid. Het woord neuro geeft aan dat de tumor ontstaat uit primitieve cellen die zich hadden moeten ontwikkelen tot hersencellen, maar dat om een of andere reden niet hebben gedaan.
Een PNET kan in de grote hersenen of in de buurt van de hersenstam en de kleine hersenen heten. Een PNET in de grote hersenen heet gewoon PNET. Een PNET in de buurt van de hersenstam en kleine hersenen wordt medulloblastoom genoemd.

WHO-indeling
De WHO (Wereld Gezondheidsorganisatie) heeft alle hersentumoren in vier groepen onderverdeeld: groep 1 t/m 4. Groep 1 zijn de minst kwaadaardige tumoren en groep 4 de meest kwaadaardige tumoren. Een medulloblastoom is een tumor uit categorie 4.

Subtypes
Dankzij steeds betere technieken kan er onderscheid gemaakt worden in verschillende soorten medulloblastoom. De 5 subtypes die onderscheiden worden zijn: 1) het klassieke medulloblastoom 2) het desmoplastische medulloblastoom 3) het grootcellig medulloblastoom 4) het anaplastisch medulloblastoom 5) het medulloblastoom met excessieve nodulariteit (MBEN).  Elk subtype gedraagt zich op een eigen manier. Een desmoplastisch medulloblastoom is een minder agressieve tumor dan een anaplastisch medulloblastoom.

Hoe vaak komt een medulloblastoom voor?
Een medulloblastoom is een zeldzame hersentumor bij kinderen. In Nederland krijgen jaarlijks ongeveer 100 kinderen de diagnose hersentumor, van deze 100 kinderen krijgen er gemiddeld 25 kinderen de diagnose medulloblastoom.

Bij wie komt een medulloblastoom voor?
Een medulloblastoom komt vooral op kinderleeftijd voor, zelden op volwassen leeftijd. De meeste kinderen waarbij de diagnose medulloblastoom wordt gesteld zijn tussen de 3 en 9 jaar oud, sommige dus jonger, andere dus ouder.
Het medulloblastoom komt iets vaker bij jongens dan bij meisjes voor.

Wat is de oorzaak van een medulloblastoom?
Niet bekend
De oorzaak van het ontstaan van een medulloblastoom is niet bekend. De hersenen van kinderen moeten groeien. Normaal gesproken is er een balans tussen groei en rem op deze groei. In de cellen van een medulloblastoom is deze balans verstoord. Er is wel groei van de cellen, maar de natuurlijk rem op groei van cellen is weg gevallen.

Veranderingen in erfelijk materiaal
In het erfelijk materiaal staat precies beschreven hoe de groei van cellen is geregeld en ook hoe de rem op de groei van cellen is geregeld. In de tumorcellen van een medulloblastoom blijken veranderingen in het erfelijk materiaal voor te komen, waardoor de informatie voor rem op groei van tumorcellen verloren is gegaan. Hierdoor blijven de cellen zich delen en blijft de tumor groeien.
Hoe deze veranderingen in het erfelijk materiaal ontstaan is niet goed bekend.

Kankerpredispositie syndroom
Er bestaan erfelijke syndromen die in families voorkomen en waarbij familieleden ene verhoogde kans hebben op het krijgen van verschillende type tumoren, zoals een medulloblastoom. Zo’n syndroom wordt een kankerpredispositie syndroom genoemd.
Het Gorlin syndroom, het Li-Fraumeni syndroom en het Turcot syndroom zijn syndromen waarbij kinderen met dit syndroom een verhoogde kans hebben op het krijgen van een medulloblastoom.

Uitzaaiingen
Het medulloblastoom is een hersentumor die gemakkelijker uitzaait naar de hersenvliezen, naar andere plekken in de hersenen of in het ruggenmerg. Bij een op de drie kinderen waarbij de diagnose medulloblastoom wordt gesteld, worden uitzaaiingen gevonden. Vooral bij kinderen met een anaplastisch medulloblastoom worden uitzaaiingen gevonden.
 Een medulloblastoom heeft niet de neiging om zich uit te zaaien naar andere organen in het lichaam zoals de longen of de lever.

Wat zijn de symptomen van een medulloblastoom?
Waterhoofd
Een medulloblastoom zit meestal in de vierde hersenholte. Door de aanwezigheid van de tumor in deze hersenholteholte, kan het hersenvocht niet meer normaal doorstromen. Het hersenvocht hoopt zich daarom op in de holtes boven de vierde hersenholte. Deze holtes worden wijder door al het extra vocht, waardoor een waterhoofd ontstaat. Hierdoor ontstaan hoofdpijnklachten in combinatie met misselijkheid en braken. Door druk op de hersenstam, kunnen de ogen van kinderen met een waterhoofd naar beneden gericht staan. Dit wordt het fenomeen van de ondergaande zon genoemd.

Hoofdpijn
Hoofdpijn in het achterhoofd in combinatie met misselijkheid en braken is vaak een van de eerste symptomen van een medulloblastoom. Kenmerkend is dat deze hoofdpijn met braken vaak in de ochtend voorkomt, nadat kinderen opgestaan zijn.

Problemen met de balans
Een medulloblastoom zit in de buurt van de kleine hersenen die een belangrijke rol spelen bij het bewaren van de balans. Kinderen met een medulloblastoom krijgen vaak problemen met de balans. Ze vallen gemakkelijk om. Om niet om te vallen tijdens het lopen zetten kinderen hun voeten verder uit elkaar. Wanneer kinderen iets willen pakken, kunnen kinderen mis grijpen, vaak maken de handen daarbij een trillende beweging.

Scheelzien
Door de aanwezigheid van het medulloblastoom ontstaat er druk op de 6e hersenzenuw. Deze zenuw zorgt er normaal voor dat het oog in de richting van de neus kan bewegen. Door druk op de zenuw lukt die niet goed en staat een oog of staan beide ogen in de richting van de neus. Kinderen gaan hierdoor scheel kijken. Ook zien kinderen de beelden twee keer wanneer ze in werkelijkheid maar een keer aanwezig zijn, dit wordt dubbelzien genoemd.

Wazig zien
Door de verhoogde druk in het hoofd, ontstaat er druk op de oogzenuwen wat tot problemen met zien kan leiden. Meestal gaat het om problemen van wazig zien of om problemen met het zien van de juiste kleuren (vooral van de kleur rood).Jonge kinderen kunnen dit nog niet goed aangeven. Bij jonge kinderen valt dan op dat ze grote wijde pupillen hebben en dat ze niet meer goed een persoon of een voorwerp volgen met de ogen.

Schokkende oogbewegingen
Een deel van de kinderen krijgt schokkerige oogbewegingen. De ogen staan niet meer stil, maar maken schokkerige bewegingen vooral wanneer in een bepaalde richting wordt gekeken.

Te snel groeiend hoofd
Bij jonge kinderen bestaat het schedelbot nog niet uit een geheel, maar uit een aantal losse delen. In de loop van de eerste 2 levensjaren groeien de verschillende delen van het schedelbot aan elkaar. Wanneer de druk in het hoofd omhoog gaat bij kinderen waarbij het schedelbot nog niet aan elkaar gegroeid is, dan zal de druk zorgen dat de verschillende delen van het schedelbot juist uit elkaar gaan groeien. Hierdoor zal het hoofdje snel veel groter worden. Ook kon de fontanel, de ruimte tussen de verschillende delen van het schedelbot boven op het hoofd bol kunnen gaan staan.

Gedragsveranderingen
De hersenen spelen ook een belangrijke rol in het gedrag dat kinderen laten zien. Kinderen met een hersentumor kunnen zich anders gaan gedragen dan zij voorheen deden. Ze worden bijvoorbeeld erg sloom, hebben weinig interesse mee of ze worden juist druk of gaan klagelijk huilen.

Uitzaaiingen
Eén op de 3 kinderen met een medulloblastoom heeft uitzaaiingen naar andere plekken in de hersenen of het ruggenmerg op moment dat de diagnose medulloblastoom wordt gesteld.

Ruggenmerg
Uitzaaiingen naar het ruggenmerg geven vaak pijnklachten in de rug die uitstralen naar een been of een arm. Vaak is er ook sprake van incontinentie voor urine of voor ontlasting wanneer kinderen al zindelijk waren. Sommige kinderen zijn ook niet meer in staat om te plassen, hun blaas raakt dan overvuld.

 

Hoe wordt de diagnose medulloblastoom gesteld?
Verhaal en onderzoek
Op grond van het verhaal van het kind met hoofdpijn, braken, problemen met zien en uitvalsverschijnselen en de bevindingen bij lichamelijk onderzoek kan de kinderneuroloog vermoeden dat er sprake is van een tumor in de hersenen of in het ruggenmerg. Er zal meer onderzoek nodig zijn om na te gaan wat er precies aan de hand is. Ook andere aandoeningen dan een hersentumor kunnen namelijk deze klachten geven.

MRI scan
Wanneer op grond van het verhaal en het onderzoek van een kind gedacht wordt aan een tumor zal zo snel mogelijk een scan van het hoofd en/of van de rug gemaakt worden. Meestal wordt direct gekozen voor een gedetailleerde MRI scan en niet meer voor een CT-scan.
Op de MRI scan is dan vaak een tumor te zien in de vierde hersenholte tussen de hersenstam en de kleine hersenen in. De tumor neemt contrastvloeistof op. Met behulp van diffusie technieken kan een indruk gekregen worden over de mate van celdeling en daarmee over de groei van de tumor.
Op de MRI kan ook gezien worden hoever de tumor zich heeft uitgebreid. Een medulloblastoom kan zich uitzaaien naar andere plaatsen in de hersenen of de hersenvliezen. Daarom zal er vaak zowel een scan van het hoofd als een scan van de hele rug gemaakt worden.
Als gevolg van een medulloblastoom kan de circulatie van het hersenvocht verstoord raken waardoor een waterhoofd kan ontstaan. Dit is ook zichtbaar op een MRI scan.

Weefsel
Op grond van de afwijkingen op de MRI scan kan vermoed worden dat het om een medulloblastoom gaat, maar de diagnose kan pas met zekerheid gesteld worden door onderzoek van het tumorweefsel. Andere tumoren zoals een laaggradig glioom, een ependymoom of een ATRT kunnen soortgelijke afwijkingen geven op de MRI-scan.
Daarom zal geprobeerd worden tumorweefsel te verkrijgen. Dit gebeurt door middel van een operatie door de neurochirurg. Dit tumorweefsel wordt door de patholoog onder de microscoop bekeken. Voor dit onderzoek zijn verschillende kleuringen nodig zodat de uitslag meestal pas na een paar dagen komt. Wanneer op grond van de scan al met grote zekerheid wordt vermoed dat het om een medulloblastoom gaat zal het verkrijgen van weefsel voor de definitieve diagnose meestal gelijk gecombineerd worden met het zo veel mogelijk verwijderen van het medulloblastoom. Kenmerkend voor een medulloblastoom is dat de patholoog een beeld ziet bestaande uit kleine delende cellen, ook wel small blue round cell tumor genoemd. De patholoog deelt het medulloblastoom in een van de 5 groepen in: klassiek 70%, desmoplastisch 10%, anaplastisch 15%, grootcellig 5% of MBEN 5%.

De patholoog zal altijd goed kijken of er ook zogenaamde cellen met rhabdoide kenmerken aanwezig zijn, in dat geval is er namelijk sprake van een ATRT tumor en niet van een medulloblastoom. Een andere tumor die veel kan lijken op een medulloblastoom is een embryonal neoplasm with abundant neuropil and true rosettes (ETANTR), de patholoog ziet dan ependymoblastische rosetten en kenmerken van neuronen in de tumor, die niet voorkomen bij medulloblastoom. Een speciale techniek met antistoffen kan ook gebruikt worden om een ETANTR te herkennen, deze tumor kleurt namelijk aan met LIN28 antistoffen, een medulloblastoom doet dit niet.
Ook genetische technieken kunnen helpen om onderscheid te maken tussen een medulloblastoom en andere tumoren. ATRT tumoren hebben geen INI/SNF-gen meer in hun tumorcellen, terwijl medulloblastoomcellen dit wel hebben. ETANTR tumoren hebben verdubbeling van een stukje materiaal C19MC op chromsoom 19, medulloblastomen hebben dit niet.

Nadere indeling
De patholoog beschikt over steeds meer mogelijkheden om specifieke kenmerken van medulloblastomen te onderzoeken. Tegenwoordig wordt ook gekeken naar het genetische profiel van de tumor. Op grond van het genetisch profiel zijn de medulloblastomen in 4 groepen in te delen:

Ruggenprik
Wanneer op de scan geen aanwijzingen zijn voor uitzaaiingen zal bij een medulloblastoom vaak een ruggenprik verricht worden om vocht te verkrijgen dat rondom de hersenen en het ruggenmerg stroomt. Dit vocht kan dan onderzocht worden op het voorkomen van uitzaaiingen die niet te zien zijn op een scan. Het voorkomen van uitzaaiingen heeft consequenties voor de behandeling die gekozen wordt. Vaak wordt deze ruggenprik pas twee tot drie weken na de operatie gedaan, voor de operatie is het meestal re risico vol om een ruggenprik te verrichten.

Bloedonderzoek
Vaak wordt bloed afgenomen om de hormoonspiegels in het bloed te bepalen: schildklierhormoon, groeihormoon, bijnierschorshormoon en geslachtshormonen. Dit om een uitgaanswaarde te hebben, omdat als gevolg van de behandeling van een medulloblastoom er een verstoorde functie van een of meer van deze hormonen kan ontstaan.

Oogarts
Een medulloblastoom kan problemen met zien geven. Daarom worden kinderen met een medulloblastoom door de oogarts gezien die goed kan vast te leggen wat een kind nog kan zien en hoe groot zijn of haar gezichtsveld is. De oogarts kan ook zien of er sprake is van druk op de oogzenuwen.

Hoe wordt een medulloblastoom behandeld?
Multidisciplinair team
In een multidisciplinair team waar alle behandelaars betrokken bij een kind met een hersentumor in zitten, wordt besproken voor welke behandeling of combinatie van behandelingen gekozen gaat worden bij dit specifieke kind met een medulloblastoom. In het multidisciplinaire team zitten een kinderneuroloog, een kinderneurochirurg, een kinderoncoloog (kankerspecialist), een radiotherapeut (bestralingsspecialist), een gespecialiseerd verpleegkundige, een oogarts, een kinderartsendocrinoloog, een patholoog, een nucleair geneeskundige, een psycholoog en een maatschappelijk werkende en zo nodig nog meer specialisten indien dit nodig is. In Nederland bestaan vier van deze multidisciplinaire teams in het Amalia kinderziekenhuis/Radboudumc in Nijmegen, het Beatrix kinderziekenhuis/UMCG in Groningen, het Emma kinderziekenhuis/AMC in Amsterdam en het Sophia kinderziekenhuis/Erasmusmc in Rotterdam.

Behandelmogelijkheden
Er bestaan verschillende behandelmogelijkheden voor het medulloblastoom, namelijk een operatie, bestraling of chemotherapie. Meestal is een combinatie van deze behandelingen noodzakelijk. In het multidisciplinaire team zal afhankelijk van de grootte en de plaats van de tumor, de uitgebreidheid van de tumor en de conditie van het kind, besloten worden welke behandeling voor een kind de beste behandeling is.

Standaard risk of high risk
Er worden momenteel twee behandelgroepen onderscheiden, een groep met een hoog risico op terugkeer van de behandeling (de high risk groep) en de groep met een iets minder hoog risico (de standaard risk groep). Beide groepen hebben een intensief behandeltraject nodig. Het traject in de high risk groep is nog intensiever dan het traject uit de standaard risk groep.
In de high risk groep vallen alle kinderen jonger dan 3 jaar, kinderen met uitzaaiingen van de tumor en kinderen waarbij na de operatie meer dan 1,5 ml tumor volume is achtergebleven.

Vochtafdrijvende medicijnen
Wanneer door middel van een scan is vastgesteld dat er sprake is van een hersentumor zal de eerste stap van de behandeling bestaan uit het geven van vochtafdrijvende medicijnen. Dit komt omdat er rond de tumor, net als bij een verzwikte enkel die dik wordt, zich vocht verzameld. Dit vocht zorgt voor een verergering van de klachten. Met meest gebruikte medicijn om vocht af te drijven is dexametason. Dit kan via een infuus of in tabletvorm gegeven worden. Dit medicijn heeft vaak goed effect. Nadeel van dit medicijn is wel dat het de eetlust doet toenemen en dat kinderen er vocht door gaan vasthouden waardoor kinderen dikker kunnen gaan worden.

Waterhoofd
Een medulloblastoom zorgt vaak voor het ontstaan van een waterhoofd. Door het waterhoofd kunnen kinderen in coma raken. Het kan dan nodig zijn om eerst een behandeling voor het waterhoofd te geven en dan in tweede instantie een operatie voor de hersentumor zelf uit te voeren. Het waterhoofd kan behandeld worden door het maken van extra verbinding tussen de hersenholtes en de ruimte rondom de hersenen worden gemaakt (een zogenaamde endoscopische 3e ventriculostomie (ETV)). Het overtollige vocht kan dan langs deze weg afgevoerd worden. Ook kan de neurochirurg een drain inbrengen in de hersenholtes en deze drain verbinding aan een zakje aan de buitenkant van het lichaam. Dit wordt een externe ventrikel drain (EVD) genoemd.
Vaak kan deze drain verwijderd worden, nadat de tumor verwijderd is. Wanneer dit niet kan, dan kan de drain in plaats van naar een zakje buiten het lichaam, naar de buikholte worden gelegd. Het extra vocht loopt dan naar de buikholte, de buik die gewend is om vocht op te ruimen, voert dit overtollige vocht dan af.

Operatie
Een van de belangrijke behandelingen van een medulloblastoom is een operatie. Tijdens de operatie zal geprobeerd worden om de tumor helemaal te verwijderen voor zover dit mogelijk is, zonder al te veel gezond hersenweefsel te beschadigen. Of dit mogelijk is hangt erg af van de mate waarin de tumor vergroeid is met omliggende structuren. Het lukt lang niet altijd om het medulloblastoom helemaal te verwijderen. Het is belangrijk dat de operatie wordt uitgevoerd door een ervaren kinderneurochirurg die de juiste balans weet tussen zo veel mogelijk weg halen en zo min mogelijk extra schade te veroorzaken. In de bovengenoemde 4 centra in Nederland werken kinderneurochirurgen met veel ervaring.
Het verwijderde hersenweefsel zal naar de patholoog worden gestuurd zodat onder de microscoop kan worden bekeken van welke type tumor er sprake is.

Bestraling
Kinderen ouder dan drie jaar krijgen binnen vier weken na de operatie een nabehandeling met bestraling. Hierbij krijgt het kind gedurende een aantal dagen per week gedurende enkele weken stralen toegediend via een bestralingsapparaat. De frequentie van bestraling en de hoeveelheid bestraling die nodig is wordt bepaalde door de bestralingsarts of radiotherapeut. Meestal krijgen kinderen gedurende 6 weken, 5 dagen per week bestraling, in totaal 54-55,8 Gy op het gebied rondom de tumor. Daarnaast wordt ook de rest van de hersenen en het hele ruggenmerg bestraald om uitzaaiingen te voorkomen. Tumoren uit de standaard risk groep krijgen 23,4 Gy aan bestraling op deze weefsels, kinderen uit de high risk groep krijgen meer namelijk 36 Gy. Er wordt onderzoek gedaan of kinderen uit een gunstiger groep misschien ook met minder bestraling af zouden kunnen. Ook wordt gekeken wat de rol van protontherapie kan zijn.
Door de bestraling wordt de groei van de tumor afgeremd. Bestraling heeft bij vrijwel alle kinderen een goed effect.
Bij kinderen onder de vier jaar wordt liever geen bestraling gegeven omdat het bij hen erg negatieve gevolgen voor de ontwikkeling heeft.

Chemotherapie
Aanvullend aan operatie en bestraling wordt chemotherapie gegeven. De ze chemotherapie bestaat uit een combinatie van medicijnen, waarbij de meeste via een infuus worden gegeven. Medicijnen die vaak gebruikt worden zijn lomustine (CCNU), cisplatina of carboplatin, cyclofosfoamide en vincristine. Kinderen uit de standaard risk groep krijgen minder kuren, dan kinderen uit de high risk groep.
Bij jonge kinderen met een medulloblastoom zal aanvullend op een operatie gekozen worden voor chemotherapie als behandeling. Aan jonge kinderen onder de drie jaar wordt liever geen bestraling gegeven, omdat dit grote gevolgen voor de ontwikkeling van de hersenen kan hebben. Jonge kinderen krijgen vaak combinaties van chemotherapie behandeling in combinatie met het chemotherapie medicijn methotrexaat wat toegediend wordt in het hersenvocht door middel van een ruggenprik. Bij sommige jonge kinderen wordt een hele hoge dosis chemotherapie gegeven in combinatie met een beenmergtransplantatie.

Er wordt onderzoek gedaan om gerichte medicijnen te gaan geven aan de hand van veranderingen in het erfelijk materiaal die gevonden worden in de tumorcellen. Zo’n gerichte behandeling heet targeted therapie. Voorbeelden van medicijnen die onderzocht worden, zijn lapatinib en tipifarnib. Deze medicijnen worden alleen in onderzoek setting toegediend.
Ouders en kinderen kunnen besluiten om aan zo’n onderzoek mee te doen. Wat het effect is en wat de bijwerkingen zijn van deze nieuwe behandelingen moet uit het onderzoek blijken.
Er wordt ook onderzoek gedaan of het toevoegen van vitamine A zuur zorgt voor een kleinere kans op terugkeer van de tumor.

Regelmatig controles
Na afloop van de behandeling zal een kind wat een medulloblastoom heeft gehad, regelmatig gecontroleerd worden door de kinderneuroloog, de kinderoncoloog vaak samen met een gespecialiseerde verpleegkundige. Vaak zijn er ook controles in een multidisciplinair team waar ook een kinderendocrinoloog, een kinderrevalidatiearts en een kinderpsycholoog betrokken zijn.
Deze doen regelmatig een neurologisch en lichamelijk onderzoek in combinatie met MRI-scans wordt gekeken of er aanwijzingen zijn dat het medulloblastoom weer gaat groeien of om bijwerkingen van de behandeling op het spoor te komen.

Recidief groei
Door middel van scans eerst om het paar maanden, later jaarlijks zal gekeken worden of de tumor weg blijft of eventueel toch weer gaat groeien. Helaas is dit bij een op de vier kinderen het geval, vaak in de eerste drie jaar na ontdekken van de tumor. Wanneer de tumor weer gaat groeien is dit geen goed teken. Opnieuw zal bekeken worden welke behandelopties er dan zijn, zoals een nieuwe operatie mogelijk, een nieuwe bestraling of chemotherapie. Jonge kinderen die nog geen bestraling hebben gehad, kunnen nu alsnog bestraling krijgen.
Ook wordt dan bekeken wat het doel van deze behandeling is, is het nog mogelijk om genezing te bereiken of de is de behandeling bedoeld om tumorgroei zo lang mogelijk tegen te gaan en kan er geen genezing meer bereikt worden. Meestal zal de laatste situatie aan de orde zijn.
Het multidisciplinaire team zal een advies geven over de opties en de kinderneuroloog of kinderoncoloog zal samen met het kind (als dat kan) en de ouders kiezen wat de beste mogelijk optie is in de specifieke situatie van het kind.

Begeleiding
Het is heel ingrijpend voor het kind zelf en het hele gezin/familie van het kind om te horen dat een kind een hersentumor heeft. Er volgt een periode van onzekerheid, spanning en mogelijk ook zware behandelingen. Dit heeft vaak een grote weerslag op het kind met de hersentumor maar ook voor de ouders, eventuele broertjes en zusjes en andere familieleden. Het is heel belangrijk voor alle betrokkenen om hun verhaal kwijt te kunnen en steun te krijgen. Naast steun door mensen uit de omgeving is ook begeleiding door maatschappelijk werk, psycholoog of gespecialiseerde verpleegkundige van belang. Zij weten wat behandelingen inhouden en wat de gevolgen hiervan zijn. Daarom maken zij standaard uit van het behandelingsteam.

Contact met andere ouders
Via het kopje contact met andere ouders van dit forum van deze site kunt u ook een oproepje plaatsen om in contact te komen met andere ouders van een kind wat ook een medulloblastoom heeft (gehad).

 

Wat betekent het hebben van een medulloblastoom voor de toekomst?
Genezen
Met behulp van intensieve behandeling kan een deel van de kinderen met een medulloblastoom genezen van de tumor. Het is lastig om hier een algemene prognose te geven van een medulloblastoom. Die is namelijk voor elk kind verschillend en hangt af van de leeftijd van het kind, het type medulloblastoom, de grootte van de resttumor na operatie, de bevindingen bij het onderzoek van de patholoog en de reactie op behandeling en het eventueel terug keren van de tumor na behandeling. Wanneer gekeken wordt naar grote groepen kinderen uit de standaard risico groep dan zijn van 75 tot 85 van de 100 kinderen na 5 jaar in leven, voor kinderen uit de hoge risico groep geldt dit voor 30 tot 65 van de 100 kinderen met dit type medulloblastoom.
Omdat tegenwoordig onderscheid gemaakt wordt in subtypes van het medulloblastoom zijn deze getallen voor grote groepen kinderen aan het veranderen. Kinderen met een WNT hebben een betere prognose dan hier boven beschreven, kinderen met een MYCC verdubbeling of een isochromosoom 17 hebben een somberder prognose.
Deze getallen blijven getallen voor grote groepen kinderen. Het blijft moeilijk om deze getallen toe te passen op een individueel kind.

Terugkeer van de tumor
Na het doormaken en de behandeling van een medulloblastoom zullen kinderen onder regelmatige controle blijven bestaan om te kijken of er het medulloblastoom terugkomt.
Wanneer de tumor terugkomt, is dit een somber teken. Er bestaan nog wel behandelmogelijkheden, maar deze zijn wel beperkt. Meestal is genezing bij terugkeer van de tumor niet meer mogelijk.

Overlijden
Helaas komen er ook kinderen te overlijden als gevolg van het hebben van een medulloblastoom. Wanneer naar grote groepen kinderen met een medulloblastoom wordt gekeken geldt dit voor drie van tien kinderen. Tegenwoordig worden steeds meer subtypes van het medulloblastoom onderscheiden. Het blijkt dat kinderen die komen te overlijden aan de gevolgen van een medulloblastoom vaak het anaplastisch medulloblastoom hebben en veel minder vaak een klassiek of een desmoplastisch medulloblastoom.

Restverschijnselen
Ook wanneer een kind genezen is van een medulloblastoom kunnen er wel blijvende gevolgen voor de rest van het leven als gevolg van de tumor en de behandeling. Dit hangt vooral af van het soort behandeling, dat nodig was. Problemen met het evenwicht, problemen met zien, problemen met leren, veranderd gedrag kunnen blijvende symptomen zijn.

Problemen met leren
Als gevolg van de operatie en de eventuele bestraling op de hersenen hebben kinderen na de behandeling meer moeite met leren dan zij voor de behandeling hadden. Soms is het nodig om van het reguliere onderwijs naar het speciaal onderwijs te gaan. Aandacht-, concentratie- en geheugenstoornissen komen vaak voor na behandeling van een hersentumor. Een deel van de problemen verdwijnt in de eerste twee jaren na de behandeling, een ander deel zal blijvend zijn voor de rest van het leven. Ook gedragsproblemen komen vaker voor na behandeling van een medulloblastoom. De problemen met leren die voorkomen bij kinderen met het medulloblastoom staan beschreven in het stuk cerebellair cognitief affectief syndroom.

Problemen met horen
Chemotherapie kan zorgen voor gehoorsverlies, waardoor kinderen slechthorend kunnen worden. Hier wordt tijdens de behandeling op gecontroleerd. Wanneer er aanwijzingen zijn voor gehoorsverlies, kan dit reden zijn om de dosering van de chemotherapie te verlagen.

Hormonen
Bij een blijvend tekort aan bepaalde hormonen als gevolg van behandeling zullen levenslang hormoonbevattende medicijnen gebruikt moeten worden, zoals bijvoorbeeld schildklierhormoon of geslachtshormonen. Een deel van de kinderen groeit onvoldoende als gevolg van de behandeling. Een behandeling met groeihormoon kan dan nodig zijn.

Andere tumor
Als gevolg van de behandelingen hebben kinderen met een hersentumor een verhoogde kans om een tweede tumor te krijgen, zoals bijvoorbeeld leukemie of een meningeoom.

Emotionele gevolgen
Het hebben van kinderkanker en het ondergaan van een zware behandeling hiervoor is een grote belasting voor ouders en kind. Zowel tijdens de behandeling, maar ook zeker in de periode na de intensieve behandeling waarin het gewone leven weer opgepakt moet worden en waarin duidelijk is wat de restverschijnselen zullen zijn. Iedereen die betrokken is geweest bij een kind met een medulloblastoom verwerkt dat op zijn eigen manier en in eigen tempo. Regelmatige controles en scans zijn vaak spannende tijden die veel onzekerheid geven of het medulloblastoom nog onder controle is of eventueel weer is gaan groeien.

Kinderen krijgen
De behandelingen die nodig zijn om het medulloblastoom te kunnen genezen zijn zware behandelingen. Deze kunnen gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid van een kind op volwassen leeftijd.

Hebben broertjes en zusjes een verhoogde kans om ook een medulloblastoom te krijgen?
De oorzaak waarom een kind een medulloblastoom krijgt is niet goed bekend. In de tumor zelf worden veranderingen in het erfelijk materiaal gevonden, maar deze zijn in de tumor zelf ontstaan en niet overgeërfd van de ouders. Bij een heel klein deel van de kinderen is er in de familie sprake van een syndroom waardoor een verhoogde kans bestaat op het krijgen van een hersentumor, zoals het Gorlin syndroom, het Turcot syndroom of het bi-allelisch lynch syndroom. Wanneer er sprake is van een dergelijk syndroom hebben broertjes en zusjes een verhoogde kans om ook zelf een hersentumor te krijgen. Wanneer er niet sprake is van een dergelijk syndroom is de kans dat broertjes en zusjes een hersentumor krijgen niet duidelijk groter dan de kans dat elk ander kind uit bijvoorbeeld de klas een hersentumor kan krijgen.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

 

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

Links en verwijzingen
www.hersentumor.nl
(Site met informatie over hersentumoren)
www.vokk.nl
(Vereniging ouders van kinderen met kanker)

Referenties

  1. Pediatric Brain Tumors: Innovative Genomic Information Is Transforming the Diagnostic and Clinical Landscape. Gajjar A, Bowers DC, Karajannis MA, Leary S, Witt H, Gottardo NG.J Clin Oncol. 2015;33:2986-98
  2. A systematic review of neuropsychological outcomes following posterior fossa tumor surgery in children. Hanzlik E, Woodrome SE, Abdel-Baki M, Geller TJ, Elbabaa SK. Childs Nerv Syst. 2015;31:1869-75
  3. Management of posterior fossa tumors and hydrocephalus in children: a review.Lin CT, Riva-Cambrin JK. Childs Nerv Syst. 2015;31:1781-9
  4. Factors affecting survival of medulloblastoma in children: the changing concept of management. Wong TT, Liu YL, Ho DM, Chang KP, Liang ML, Chen HH, Lee YY, Chang FC, Lin SC, Hsu TR, Chen KW, Kwang WK, Hou WY, Wang CY, Yen SH, Guo WY, Chen YW. Childs Nerv Syst. 2015;31:1687-98

 

Laatst bijgewerkt 2 januari 2016  voorheen mei 2007

 


Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.