A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektenbeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Floating-Harbor syndroom

 

Wat is het Floating-Harbor syndroom?

Het Floating-Harbor syndroom is een aandoening waarbij kinderen klein blijven van lengte en grote problemen hebben met praten.

 

Hoe wordt het Floating-Harbor syndroom ook wel genoemd?

Vaak zijn syndromen genoemd naar dokters die dit syndroom voor het eerst beschreven hebben, maar dit is voor dit syndroom niet het geval. De naam is een samenstelling van de naam van twee ziekenhuizen waar de eerste twee patienten met dit syndroom beschreven zijn. Het wordt ook wel afgekort met de letters FHBS.

 

Hoe vaak komt het Floating-Harbor syndroom voor bij kinderen?

Het Floating-Harbor syndroom is een zeldzame aandoening. Het is niet goed bekend hoe vaak het voorkomt bij kinderen. Waarschijnlijk is ook bij lang niet alle kinderen de diagnose gesteld.

 

Bij wie komt het Floating-Harbor syndroom voor?

Het Floating-Harbor syndroom is al vanaf de geboorte aanwezig. Vaak wordt het pas met het ouder worden duidelijk dat er sprake is van dit syndroom omdat kinderen te klein blijven en niet gaan praten. Zowel jongens als meisjes kunnen dit syndroom krijgen.

 

Wat is de oorzaak van het Floating-Harbor syndroom?

Foutje in erfelijk materiaal

Het Floating Harbor syndroom wordt veroorzaakt door een foutje in het erfelijk materiaal op het 16 e chromosoom (16p11.2). De plaats van het foutje in het erfelijk materiaal wordt het SRCAP-gen genoemd.

Bij het kind zelf ontstaan

Bij het merendeel van de kinderen is dit foutje in het erfelijk materiaal bij het kind zelf ontstaan na de bevruchting van de eicel en de zaadcel.

Overgeërfd van de ouders

Een ander deel van de kinderen heeft dit foutje geërfd van een van de ouders die dan zelf ook het Floating-Harbor syndroom heeft.

Autosomaal dominant

Het foutje in het SRCAP-gen is een zogenaamd autosomaal dominant foutje. Dat houdt in dat op een van de twee chromosomen16 al voldoende is om dit syndroom te krijgen. Dit in tegenstelling tot een autosomaal recessieve aandoening waarbij iemand pas klachten krijgt wanneer beide chromosomen een fout bevatten op dezelfde plaats.

Afwijkend eiwit

Als gevolg van het foutje in het erfelijk materiaal wordt een bepaald eiwit niet goed aangemaakt. Dit eiwit speelt een belangrijke rol bij de aansturing van een ander eiwit (CREBBP of CBP genoemd). Dit laatste eiwit speelt een belangrijke rol bij regulatie van de groei van het lichaam en de aanleg van de hersenen.

 

Wat zijn de symptomen van het Floating-Harbor syndroom?

Grote variatie

Er bestaat een grote variatie in de hoeveelheid en de ernst van de symptomen die verschillende mensen met dit syndroom hebben.

Kleine lengte

Kinderen met dit syndroom zijn klein. Dit is meestal al vanaf de geboorte zo, maar gaat geleidelijk aan steeds meer opvallen. Kinderen zijn wel helemaal in verhouding klein, het is niet zo dat ze bijvoorbeeld alleen korte benen hebben of een korte romp, maar de verhoudingen kloppen.
De hoofdgrootte klopt ook bij de lengte, een deel van de kinderen heeft verhoudingsgewijs een wat kleiner hoofdje wat vaak dan een wat puntige vorm heeft.

Gewicht

Bij de geboorte zijn kinderen vaak lichter dan gebruikelijk, net het ouder worden hebben ze een normaal gewicht horend bij hun lengte.

Problemen met praten

Kinderen met dit syndroom hebben grote problemen met het leren praten. Het duurt vaak lang voordat ze hun eerste woordjes gaan spreken. Ook daarna houden ze een beperkte woordenschat en praten ze in losse woorden of korte zinnen van enkele woorden. Ook is het begrijpen wat er tegen hen gezegd wordt erg lastig. Veel kinderen praten ook wat binnensmonds en klinkt hun stem alsof ze verkouden zijn (er ontsnapt lucht uit de neus), soms is de stem ook opvallend hoog.

Ontwikkeling

Kinderen met dit syndroom leren wel allemaal rollen, zitten, staan, kruipen en lopen. Dit verloopt vaak hetzelfde als bij kinderen zonder dit syndroom of iets langzamer.

Lagere spierspanning

Veel kinderen hebben een lagere spierspanning, voelen wat slapper aan. De gewrichten kunnen gemakkelijk overstrekt worden.

Intelligentie

Kinderen met dit syndroom kunnen een normale intelligentie hebben ondanks hun problemen met praten. Een deel van de kinderen heeft een licht verlaagde intelligentie.

Aandacht en concentratie

Veel kinderen met dit syndroom hebben een probleem met het vasthouden van de aandacht en de concentratie. Kinderen zijn snel afgeleid door alles wat er om hen heen gebeurd, ze moeten op alles wat er gebeurd reageren waardoor het niet goed lukt om een werkje af te maken. Vaak zijn kinderen ook beweeglijk en kunnen ze niet goed stil zitten. ADHD komt vaak voor bij kinderen met dit syndroom

Gedragsproblemen

Gedragsproblemen komen vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Voor een deel komt dit door de moeite die deze kinderen hebben om zich te kunnen uitdrukken. Voor een deel ook omdat ze minder goed kunnen omgaan met hun emoties en er door overspoeld kunnen worden. Kinderen met dit syndroom kunnen gemakkelijk heel boos worden en dan ook agressief gedrag laten zien waarbij ze anderen lichamelijk pijn kunnen doen. Ook komen angsten vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Sommige kinderen plukten aan hun huid of hadden andere handelingen die ze steeds opnieuw uitvoerden.

Contact maken

Een deel van de kinderen met dit syndroom heeft moeite met het maken van contact. Deels komt omdat er problemen zijn met praten en met uitdrukken. Mogelijk spelen soms autistiforme kenmerken ook een rol.

Typisch uiterlijk

Vaak hebben kinderen met dit syndroom enkele typische uiterlijke kenmerken. Geen kind heeft al deze kenmerken tegelijkertijd. Het gezicht heeft vaak een wat driehoekige vorm, breder van boven en smaller naar onderen toe. Vaak liggen de ogen diep in het gezicht en zijn de wenkbrauwen kort. Sommige kinderen hebben opvallend lange wimpers. Sommige kinderen hebben op het voorhoofd een richeltje (metopic rich) De neus is smal aan de basis en loopt breed uit naar de neuspunt, waardoor de neus een driehoekige vorm heeft. Met het ouder worden wordt de neuspunt vaak dikker en staat de punt wat naar beneden toe gericht. De afstand tussen de neus en de mond is kort, de afstand tussen de twee verticale streepjes tussen de neus en de mond is te groot. De mond is vaak breed, de lippen zijn dun, de onderste lip staat vaak een beetje naar buiten toe gekruld, bij een deel van de kinderen hangen de mondhoeken naar beneden toe. De onderkaak is vaak smal. De oren staan vaak lager op het hoofd en zijn naar achteren gedraaid. De nek is vaak kort, de haren groeien tot laag in de nek door. De borstkas is breed. De duim kan breder zijn dan gebruikelijk, een deel van de kinderen heeft korte stevige vingers waarbij de vingers naar het uiteinde toe vaak breder worden, vaak staat de pink een beetje krom. Sommige kinderen heen een extra vinger. Een deel van de kinderen heeft extra beharing over het lichaam.

Epilepsie

Een deel van de kinderen heeft last van epilepsie aanvallen. Verschillende soorten aanvallen kunnen voorkomen.

Hartafwijking

Een deel van de kinderen heeft een aangeboren hartafwijking. Hartafwijkingen die vaker voorkomen zijn een gaatje tussen de beide hartkamers (atriumseptumdefect), een vernauwing van de longslager (pulmonaalstenose) of meerdere gecombineerde afwijkingen die de tetralogie van Fallot worden genoemd.

Tekort aan hormonen

Een deel van de kinderen heeft een te kort aan groeihormoon en/of aan schildklierhormoon. Een deel van de kinderen komt te vroeg in de puberteit.

Reflux

Bij jonge kinderen komt reflux, het terug stromen van voeding en maagsap vanuit de maag naar de slokdarm en/of de mond komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom.

Obstipatie

Kinderen met dit syndroom hebben vaker last van obstipatie, ze poepen weinig en de ontlasting is vaak hard. Dit kan zorgen voor buikpijnklachten.

Coeliakie

Coeliakie komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Zij reageren over gevoelig op gluten, wat in allerlei graanprodukten zoals brood zit. Dit geeft allerlei buikpijnklachten en zorgt er voor dat kinderen nog slechter gaan groeien.

Oorontsteking

Kinderen met dit syndroom hebben vaak last van terugkerende oorontstekingen. Hierdoor kunnen ze slechter horen, wat weer gevolgen heeft voor de spraaktaalontwikkeling.

Problemen met de gewrichten

Problemen met de gewrichten komen vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Zo komen heup problemen zoals heupdyslasie en het perthes syndroom vaker voor en ook problemen met het sleutelbeen (sprengel deformatie) en het ontbreken van ribben worden vaker gezien.

Afwijkingen aan het gebit

Afwijkingen aan de tanden komt vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Omdat de onderkaak klein is er vaak sprake van een overbeet. Vaak zijn de tanden kleiner en staan ze verder uit elkaar. Sommige kinderen hebben extra tanden.

Afwijking aan de plasbuis

Bij jongetjes wordt wel gezien dat de plasbuis niet eindigt op de top van de penis, maar aan de onderkant van de penis, dit wordt een hypospadie genoemd.

Spina bifida

Een klein deel van de kinderen met dit syndroom heeft ook een aanlegstoornis van de rug waarbij de wervels niet mooi gesloten zijn, maar open staan. Dit kan zorgen voor het ontstaan van spina bifida, maar ook voor bijvoorbeeld een tethered cord syndroom. Bij een kind is een tumor in het ruggenmerg beschreven.

Aneurysma

Een paar patiënten hebben last gehad van een vaatuitstulping op de bloedvaten van de hersenen, dit wordt een anuerysma genoemd.

 

Hoe wordt de diagnose Floating-Harbor syndroom gesteld?

Verhaal en onderzoek

Op grond van het verhaal van een kind wat niet goed groeit en grote problemen heeft met praten kan dit syndroom worden vermoed. Dit syndroom lijkt veel op het Rubinstein-Taybi syndroom, het velocardiofaciaal syndroom en het Silver-Russel syndroom.

DNA onderzoek

Wanneer gedacht wordt aan dit syndroom, dan kan door middel van een buisje bloed DNA-onderzoek verricht worden om te kijken of er sprake is van het foutje in het SRCAP-gen op chromosoom 16.

Bloedonderzoek

Bij kinderen die te klein zijn, zal vaak bloedonderzoek worden verricht om te kijken of er sprake is van een tekort aan groeihormoon of schildklierhormoon. Bij een deel van de kinderen is hier dus sprake van, maar bij een deel van de kinderen met dit syndroom dus ook niet.
Bij een deel van de kinderen worden antistoffen tegen gluten aangetroffen in het bloed (anti-gliadine, anti-reticuline).

Foto van de botten

Wanneer kinderen te klein zijn zal er vaak ook een foto van de botten gemaakt worden om de botleeftijd te bepalen. Op deze foto is te zien dat op jonge leeftijd de botleeftijd achter loopt bij de leeftijd van het kind, op latere leeftijd (6-12 jaar) is dat niet meer het geval.
Op foto’s kan ook te zien zijn dat de uiteinden van de lange botten (epifyse) niet mooi rond zijn, maar juist een kegelvorm hebben.

MRI van de hersenen

Wanneer kinderen achter blijven in hun spraaktaalontwikkeling zal vaak een MRI scan van de hersenen gemaakt worden om te kijken of de hersenen normaal aangelegd zijn en/of dat er sprake is van een beschadiging van de hersenen. Bij kinderen met dit syndroom worden geen kenmerkende bijzonderheden gezien op de MRI scan die doen denken aan dit syndroom. Vaak zijn de hersenen wel een beetje anders aangelegd dan gebruikelijk.

MRI van de rug

Wanneer er sprake is van een open ruggetje of er verdenking bestaat op een tethered cord syndroom dan zal vaak een MRI van de rug gemaakt worden om te kijken of hier daadwerkelijk sprake van is.

EEG

Wanneer de taalontwikkeling achterblijft is dit ook reden voor het maken van een EEG om te kijken of kinderen misschien zonder dat zichtbaar is last hebben van epileptische activiteit in hun hoofd. Hier is bij kinderen met dit syndroom geen sprake van.
Bij kinderen met epilepsie aanvallen worden vaal wel epileptiforme afwijkingen gezien op het EEG.

Kinderendocrinoloog

Kinderen die te klein zijn worden vaak gezien door de kinderendocrinoloog die kan kijken of er een probleem is met de hormonen die betrokken zijn bij de groei.

Kindercardioloog

Kinderen met dit syndroom worden vaak een keer gezien door de kindercardioloog om te kijken of er sprake is van een aangeboren afwijking van het hart.

 

Hoe worden kinderen met dit syndroom behandeld?

Geen genezing

Er bestaat helaas geen behandeling die het foutje in het erfelijk materiaal ongedaan kan maken. De behandeling bestaat er uit om kinderen zo goed mogelijk te leren om gaan met de gevolgen van dit syndroom en alert te blijven op problemen die kunnen voorkomen bij dit syndroom (zoals coeliakie,tethered cord syndroom, heupproblemen en hoge bloeddruk).

Kinderlogopedie

De logopediste kan kinderen en ouders adviezen geven hoe de spraaktaalontwikkeling zo goed mogelijk gestimuleerd kan worden. Ook kijkt de logopediste vaak naar andere manieren van communiceren zoals met gebaren, met plaatjes, met een spraakcomputer zodat kinderen toch mogelijkheden krijgen om zich te kunnen uitdrukken.

Kinderfysiotherapie

Wanneer kinderen achterblijven in hun ontwikkeling qua bewegen dan kan de fysiotherapeut adviezen geven hoe deze ontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren.

Revalidatiearts

Vaak is ook een revalidatiearts betrokken om te volgen hoe het gaat met de ontwikkeling en om advies te geven ten aanzien van therapie en eventuele hulpmiddelen.

Kinder- en jeugdpsychiater

Een kinder- en jeugdpsychiater kan vaak met het team aan behandelaren goede adviezen geven hoe om te gaan met de gedragsproblemen die kinderen met dit syndroom hebben. Soms is het ook nodig om medicatie te geven voor bijvoorbeeld het verbeteren van de aandacht en concentratie (met bijvoorbeeld metylfenidaat of atomoxetine), ook kan gedragsregulerende medicatie ingezet worden als dat nodig is om andere behandeling mogelijk te maken.

Speciaal onderwijs

De meeste kinderen volgen speciaal onderwijs uit cluster 2, het onderwijstype voor kinderen die problemen hebben met horen en/of spreken.

Kinderendocrinoloog

Indien er sprake is van een tekort aan schildklierhormoon of groeihormoon dan is het mogelijk om dit tekort te verminderen door het geven van deze hormonen. Deze behandeling wordt vaak geregeld via een kinderendocrinoloog.

Algemeen kinderarts

Vaak zijn kinderen met deze aandoening ook onder behandeling bij een algemeen kinderarts die kijkt of er sprake is van obstipatie en daar adviezen (veel drinken, veel vezels, bewegen) en eventueel medicatie voor geeft (macrogol), of er aanwijzingen zijn voor het ontstaan van reflux of coeliakie, terugkerende oorontstekingen, heupproblemen of een hoge bloeddruk.

Begeleiding ouders

Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan ouders helpen en ondersteunen in hoe het beste om te gaan met een kindje waarbij de ontwikkeling anders verloopt dan vaak verwacht is.

Contact met andere ouders

Door het plaatsen van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders die ook te maken hebben met dit syndroom.

 

Wat betekent het hebben van dit syndroom voor de toekomst?

Blijvende beperkingen

Volwassen met dit syndroom blijven problemen houden met het praten en uitdrukken. Dit belemmert hen in een normale deelname aan de maatschappij. Vaak vinden ze een speciale werkplek voor mensen met een beperking, waar het werk aangepast kan worden aan de mogelijkheden die de persoon heeft en rekening wordt gehouden met de beperkingen.

Begeleid wonen

De meeste volwassen met dit syndroom kunnen vrij zelfstandig wonen maar hebben op bepaalde onderdelen (met name met uitdrukken en lezen) hulp en ondersteuning nodig. Vaak wonen volwassenen met dit syndroom dan ook in een vorm van zelfstandig wonen met begeleiding.

Kleine lengte

De meeste volwassen bereiken een eindlengte tussen 100 en 150 cm.

Hoge bloeddruk

Volwassen hebben een verhoogde kans om een hoge bloeddruk te krijgen. Het is belangrijk om hier alert op te blijven.

Gewrichten

Ook hebben volwassen een verhoogde kans om problemen met hun gewrichten te krijgen, het is ook belangrijk om hier alert op te blijven en vooral om niet te zwaar van gewicht te worden.

Kinderen

Wanneer een volwassene met dit syndroom zelf kinderen krijgt, dan hebben deze kinderen 50% kans ook zelf dit syndroom te krijgen.

 

Hebben broertjes en zusjes een verhoogde kans om het Floating-Harbor syndroom te krijgen?

Bij de meeste kinderen is het foutje ontstaan na de bevruchting van de eicel en de zaadcel en is het foutje niet overgeërfd van de ouders. Broertjes en zusjes hebben dan nauwelijks een verhoogde kans om ook zelf dit syndroom te krijgen. Dit zou alleen kunnen wanneer het foutje bij de vader of moeder in de zaadcel of eicel aanwezig is en niet in de andere lichaamscellen van de vader of moeder.
Wanneer de vader of moeder zelf het Floating-Harbor syndroom heeft dan hebben broertjes en zusjes tot 50% kans om zelf ook dit syndroom te krijgen.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek

Wanneer het foutje in het erfelijk materiaal bekend is, dan is het mogelijk bij een volgende zwangerschap door middel van een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie te kijken of dit kindje ook het Floating-Harbor syndroom heeft.

 

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

 

Links

www.floatingharborsyndromesupport.com

 

referenties

 

 

Laatst bijgewerkt: 17 oktober 2013

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.