A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

PHIP-syndroom

 

Wat is het PHIP-syndroom?
Het PHIP-syndroom is een syndroom waarbij kinderen of volwassenen een ontwikkelingsachterstand hebben in combinatie met een verhoogde kans op het krijgen van overgewicht.

Hoe wordt het PHIP-syndroom ook wel genoemd?
Het PHIP-syndroom is genoemd naar de plaats in het erfelijk materiaal (het DNA) waar een foutje wordt gevonden bij kinderen met dit syndroom. De plaats in het erfelijk materiaal wordt het PHIP-gen genoemd.
Soms krijgen syndromen in de loop van de tijd een andere naam, ze worden bijvoorbeeld genoemd naar een dokter die deze aandoening beschreven heeft of naar een patiënt waarbij deze diagnose voor het eerst gesteld wordt. Dit is nog niet het geval bij het PHIP-syndroom.

Hoe vaak komt het PHIP-syndroom voor?
Het PHIP-syndroom is een zeldzame ziekte. Het is niet precies bekend hoe vaak PHIP-syndroom voorkomt. Waarschijnlijk is bij een deel van de kinderen die het PHIP-syndroom heeft, de juiste diagnose ook niet gesteld, omdat het syndroom niet herkend is.
Door nieuwe genetische technieken zoals exome sequencing zal deze diagnose waarschijnlijk vaker gesteld gaan worden bij kinderen en volwassenen met dit syndroom. Dan zal ook pas duidelijk worden hoe vaak dit syndroom voorkomt bij kinderen en volwassenen.

Bij wie komt het PHIP-syndroom voor?
Het PHIP-syndroom is al voor de geboorte aanwezig. Het kan wel enige tijd duren voordat duidelijk is dat er sprake is van het PHIP-syndroom en voordat de juiste diagnose gesteld is.
Zowel jongens als meisjes kunnen het PHIP-syndroom krijgen.

Waar wordt het PHIP-syndroom door veroorzaakt?
Foutje in erfelijk materiaal
Het PHIP-syndroom wordt veroorzaakt door een foutje op een stukje erfelijk materiaal (DNA) op het 6e-chromosoom. De plaats van dit foutje wordt het PHIP-gen genoemd.

Autosomaal dominant
Het PHIP-syndroom wordt veroorzaakt door een zogenaamde autosomaal dominant foutje. Dit houdt in dat een foutje op een van de twee chromosomen 6 die een kind heeft in het PHIP-gen al voldoende is om de aandoening te krijgen. Dit in tegenstelling tot een autosomaal recessief foutje waarbij kinderen pas klachten krijgen wanneer beide chromosomen 6 op precies dezelfde plek een foutje bevatten.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij een groot deel van de kinderen met het PHIP-syndroom is het foutje in het erfelijk materiaal bij het kind zelf ontstaan na de bevruchting van de eicel door de zaadcel en niet overgeërfd van een van de ouders. Dit wordt ook wel de novo genoemd, wat nieuw bij het kind ontstaan betekend.

Geërfd van een ouder
Een ander deel van de kinderen heeft het foutje in het PHIP-gen geërfd van een ouder die zelf ook het foutje in het PHIP-gen heeft. Soms was dit al bekend, soms wordt de diagnose bij de ouder pas gesteld wanneer bij het kind de diagnose gesteld wordt.



Afwijkend eiwit
Als gevolg van het foutje in het erfelijk materiaal wordt een bepaald eiwit niet goed aangemaakt. Dit eiwit heet Pleckstein Homology domain Interacting Protein, ook wel afgekort als PHIP-eiwit. Dit eiwit speelt een belangrijke rol het ontwikkelen van voorloperhersencellen naar definitieve hersencellen. Zonder dit eiwit verloopt de ontwikkeling van de hersenen anders dan met de aanwezigheid van dit eiwit.
Ook speelt dit eiwit een belangrijke rol bij de werking van de insulinereceptor. Insuline speelt een belangrijke rol het regelen van de suikerhuishouding van het lichaam. Mogelijk verklaard dit waarom kinderen met het PHIP-syndroom gemakkelijk te maken krijgen met overgewicht.

Wat zijn de symptomen van het PHIP-syndroom?
Variatie
Er bestaat een grote variatie in de hoeveelheid en de ernst van de symptomen die verschillende kinderen of volwassenen met het PHIP-syndroom hebben.
Het valt van te voren niet goed te voorspellen van welke symptomen een kind last zal krijgen. Geen kind zal alle onderstaande symptomen tegelijkertijd hebben.

Lage spierspanning
Jonge kinderen met het PHIP-syndroom zijn vaak slap in hun spieren. Ze moeten goed vastgehouden en ondersteund worden wanneer ze opgetild worden. Door de lagere spierspanning is het voor kinderen lastiger om hun hoofdje op te tillen. Het duurt vaak langer voordat kinderen dit kunnen. Ook hebben kinderen door de lage spierspanning vaak platvoetjes.

Problemen met drinken
Baby’s met het PHIP-syndroom hebben vaak problemen met drinken. Ze pakken de borst of de speen van de fles maar moeilijk. Vaak laten kinderen na korte tijd drinken de borst of de speen al weer los. Het kost vaak veel tijd om kinderen met deze aandoening voeding te geven. Vaak zijn kinderen al moe voordat ze voldoende gedronken hebben. Op jonge leeftijd komen kinderen met het PHIP-syndroom vaak moeilijk aan in gewicht. Met het ouder worden gaat het eten en drinken steeds beter en hebben de meeste kinderen hier geen problemen meer mee.

Ontwikkelingsachterstand
Kinderen met het PHIP-syndroom ontwikkelen zich langzamer dan hun leeftijdsgenoten. Ze gaan later rollen, zitten en staan dan hun leeftijdsgenoten. De meeste kinderen leren wel lopen, maar op een latere leeftijd dan leeftijdsgenoten. Het lopen gaat vaak houterig, kinderen vallen gemakkelijker dan andere kinderen. Voor een ander deel van de kinderen is het leren lopen te moeilijk. Zij een rolstoel nodig hebben om zich te kunnen verplaatsen.
Kinderen met deze aandoening hebben vaak ook moeite met het leren van tekenen, plakken, knippen en schrijven. Zij zijn vaak wat onhandig hierin. Deze onhandigheid wordt ook wel dyspraxie genoemd.

Problemen met praten
Voor kinderen met het PHIP-syndroom is het moeilijker om te leren praten. De eerste woordjes komen vaak later dan gebruikelijk. Een deel van de kinderen is in staat om te leren praten in zinnen. De zinnen die ze maken zijn vaak kort en bevatten weinig woorden. Het begrijpen van taal van anderen gaat kinderen met dit syndroom vaak beter af dan het zelf spreken.

Problemen met leren
Kinderen met het PHIP-syndroom hebben vaak problemen met leren. De problemen met leren kunnen variëren van licht tot heel ernstig.

Stereotypieën
Veel kinderen met dit syndroom maken graag bewegingen met hun armen en hun handen die vaak terug keren. Zulke bewegingen worden stereotypieën genoemd. Sommige kinderen gaan wapperen met hun handen, anderen maken draaiende bewegingen of wrijvende bewegingen over de borst heen. Deze bewegingen komen vaak voor wanneer kinderen iets heel leuks of iets spannends gaan doen.

ADHD
AD(H)D komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Kinderen hebben moeite om langer ergens de aandacht bij te houden. Ze spelen maar kort met een bepaalde speelgoed en dan weer met een ander stukje speelgoed. Kinderen zijn snel afgeleid door een geluid of een beweging in de kamer.
Kinderen kunnen moeite hebben met stil zitten en bewegen het liefst de hele dag. Op school hebben kinderen moeite langer tijd hun aandacht bij het schoolwerk te houden.

Autistiforme kenmerken
Kinderen met een PHIP-syndroom hebben vaker autistiforme kenmerken. Kinderen zijn vaak op zichzelf en hebben niet zo’n behoefte aan contact met andere mensen. Het maken van oogcontact vinden kinderen vaak moeilijk.
Kinderen met autistiforme kenmerken houden vaak van een vaste voorspelbare structuur in de dag. Zij vinden het lastig wanneer hiervan wordt afgeweken. Onverwachte gebeurtenissen zijn vaak moeilijk voor kinderen. Kinderen kunnen door onverwachte gebeurtenissen heel boos of juist heel verdrietig worden, omdat ze niet goed weten hoe ze hier mee om moeten gaan.
Ook hebben kinderen vaak voorkeur voor bepaald speelgoed of een bepaalde hobby waar ze zich heel lang mee kunnen vermaken. Ander speelgoed vinden zij niet interessant.

Angst
Kinderen met het PHIP-syndroom hebben gemakkelijker last van angsten. Bijvoorbeeld angst om alleen zonder de ouders te zijn, angst voor het donker of angst voor onbekende en vreemde situaties.

Problemen met slapen
Slaapproblemen komen vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Veel kinderen vinden het lastig om in de avond in slaap te vallen. Kinderen kunnen licht slapen en gemakkelijk wakker worden door geluiden in de omgeving. Sommige kinderen worden heel vroeg wakker.

Uiterlijke kenmerken
Bij veel syndromen hebben kinderen veranderde uiterlijke kenmerken. Hier hebben kinderen zelf geen last van, maar het kan de dokters helpen om te herkennen dat er sprake is van een syndroom en mogelijk ook van welk syndroom. Ook maakt dit vaak dat kinderen met hetzelfde syndroom vaak meer op elkaar lijken dan op hun eigen broertjes en zusjes, terwijl de kinderen toch niet familie van elkaar zijn.
Kinderen met het PHIP-syndroom hebben vaak veel haar in hun wenkbrauwen. De wenkbrauwen lopen vaak ver door in de richting van de neus. Soms raken de rechter en de linker wenkbrauw elkaar (bijna). Dit wordt ook wel synophrys genoemd. De oogspleet is vaak nauw, sommige kinderen hebben wat hangende oogleden. De neuspunt staat vaak een beetje opgewipt. De afstand tussen de neus en de lippen kan vergroot zijn. De kin is vaak vol. De oren zijn vaak groter dan gebruikelijk en hebben stevige oorranden. De vingers worden in de richting van het topje van de vingers steeds smaller. De pink kan krom staan. Dit wordt ook wel clinodactylie genoemd.

Lengte
Een deel van de kinderen met dit syndroom is kleiner dan leeftijdsgenoten. Een ander deel van de kinderen heeft een normale lengte.

Overgewicht
Kinderen met het PHIP-syndroom hebben vaak een hoog gewicht in verhouding tot hun lengte. Tijdens de tienerleeftijd bestaat er een vergrote kans op het ontstaan van overgewicht. Het is voor kinderen met deze aandoening niet gemakkelijk om gewicht te verliezen.

Grotere hoofdomtrek
Een deel van de kinderen met het PHIP-syndroom heeft een grotere hoofdomtrek dan gebruikelijk. Een te grote hoofdomtrek wordt ook wel macrocefalie genoemd.

Problemen met zien
Scheelzien komt vaker voor bij kinderen met deze aandoening. Een deel van de kinderen is slechtziend omdat de ooglens troebel en niet helder is. Dit wordt ook wel staar of cataract genoemd.

Suikerziekte
Kinderen met het PHIP-syndroom hebben een verhoogde kans op het krijgen van suikerziekte. Suikerziekte geeft klachten zoals het hebben van veel dorst en het veel moeten plassen.

Verstopping
Verstopping van de darmen komt vaak voor bij kinderen met dit syndroom. De ontlasting komt dan niet elke dag en is vaak hard waardoor kinderen moeite hebben met poepen.

Niet ingedaald balletjes
Bij een groot deel van de jongentjes zitten de balletjes niet in het balzakje. Dit wordt cryptorchisme genoemd.

Scoliose
Een deel van de kinderen met het PHIP-syndroom krijgt een zijwaartse verkromming van de rug. Dit wordt een scoliose genoemd. Van een milde scoliose zullen kinderen zelf geen last hebben. Toename van de scoliose kan zorgen voor het ontstaan van pijnklachten in de rug en problemen met zitten en staan.

Heupdysplasie
Heupdysplasie komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Hierbij is de heupkom niet goed ontwikkeld, waardoor de heupkop gemakkelijker uit de heupkom schiet.

Licht bruine vlekken
Een deel van de kinderen heeft licht bruine vlekken op de huid, die kleur hebben van een kopje koffie met melk. Dit worden café-au-lait vlekken genoemd.

 

Hoe wordt de diagnose PHIP-syndroom gesteld?
Verhaal en onderzoek
Op grond van het verhaal van een kind met een ontwikkelingsachterstand en enkele opvallende uiterlijke kenmerken kan vermoed worden dat er sprake is van een syndroom. Er zijn echter veel verschillende syndromen die allemaal voor deze symptomen kunnen zorgen. Vaak zal aanvullend onderzoek nodig zijn om aan de diagnose PHIP-syndroom te stellen.

Bloedonderzoek
Bij routine bloedonderzoek worden bij kinderen met PHIP-syndroom geen bijzonderheden gevonden. Bij kinderen met dit syndroom wordt met regelmaat het glucose gehalte in het bloed gecontroleerd om te beoordelen of er geen sprake is van het ontstaan van suikerziekte.
 
Genetisch onderzoek
Wanneer aan de diagnose gedacht wordt, kan door middel van gericht genetisch onderzoek op bloed naar het voorkomen van een foutje op het 6e-chromosoom in het PHIP-gen
Vaak worden ook alle chromosomen tegelijkertijd onderzocht (zogenaamd Array onderzoek), soms kan op deze manier de diagnose PHIP-syndroom worden gesteld omdat een stuk van chromosoom 6 mist waarop het PHIP-gen ligt.
Tegenwoordig zal de diagnose vaak gesteld worden door middel van een nieuwe genetische techniek (exome sequencing genoemd) zonder dat er specifiek aan gedacht was of naar gezocht is.

MRI-scan
Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand zal vaak een MRI scan gemaakt worden om te kijken of er bijzonderheden aan de hersenen te zien zijn. Vaak worden bij kinderen met dit syndroom geen afwijkingen gezien op de MRI-scan van de hersenen.

Stofwisselingsonderzoek
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand krijgen vaak stofwisselingsonderzoek van bloed en urine om te kijken of er sprake is van een stofwisselingsziekte die verklarend is voor de ontwikkelingsachterstand. Bij kinderen met het PHIP- syndroom worden hierbij geen bijzonderheden gezien.

Hoe wordt het PHIP-syndroom behandeld?
Geen genezing
Er is geen behandeling die het PHIP-syndroom kan genezen. De behandeling is er op gericht om het kind en ouders zo goed mogelijk mee te leren om gaan met de gevolgen die dit syndroom heeft.

Voorkomen overgewicht
Kinderen met het PHIP-syndroom krijgen tijdens de tienerleeftijd gemakkelijk last van overgewicht. Het is daarom belangrijk om al vanaf jonge leeftijd kinderen te leren niet te veel te snoepen. En daarnaast te zorgen dat kinderen voldoende lichaamsbeweging krijgen.

Diëtiste
Een diëtiste kan adviezen geven hoeveel kinderen op een dag mogen eten zodat voorkomen wordt dat kinderen te veel eten en te maken krijgen met overgewicht.

Suikerziekte
Kinderen met het PHIP-syndroom die suikerziekte ontwikkelen worden vaak behandeld met tabletten die de suikerwaarde in het bloed kunnen verlagen zoals bijvoorbeeld het medicijn metformine.

Verstopping van de darmen
Het medicijn macrogol kan er voor zorgen dat de ontlasting soepel en zacht blijft en stimuleert de darmwand om actief te blijven. Hierdoor kunnen kinderen gemakkelijker hun ontlasting kwijt. Verder blijft het belangrijk om te zorgen dat kinderen voldoende vocht en vezels binnen krijgen en zo veel als kan bewegen. Soms zijn zetpillen nodig om de ontlasting op gang te krijgen.

Fysiotherapie
Een fysiotherapeut kan ouders tips en adviezen geven hoe ze hun kindje zo goed mogelijk kunnen stimuleren om er voor te zorgen dat de ontwikkeling zo optimaal als mogelijk verloopt.

Logopedie
Een logopediste kan tips en adviezen geven indien er problemen zijn met zuigen, drinken, kauwen of slikken. Jonge kinderen kunnen baat hebben bij een special-need speen die drinken gemakkelijker maakt. Ook kan de logopediste helpen om de spraakontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Praten kan ook ondersteund worden door middel van gebaren of pictogrammen. Op die manier kunnen kinderen zich leren uitdrukken, ook als kinderen (nog) geen woorden kunnen gebruiken.

Ergotherapie
Een ergotherapeut kan tips en adviezen geven hoe de verzorging en de dagelijks activiteiten van een kind zo soepel mogelijk kunnen verlopen. Ook kan de ergotherapeut advies geven over materialen die de ontwikkeling van een kind kunnen stimuleren.

Revalidatiearts
Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën en adviseert ook over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een aangepaste buggy, een rolstoel, steunzolen of aangepaste schoenen.
Ook is het mogelijk via een revalidatie centrum naar een aangepaste peutergroep te gaan en daar ook therapie te krijgen en later op dezelfde manier onderwijs te gaan volgen.

School
De meeste kinderen met het PHIP-syndroom hebben problemen met leren. Een deel van de kinderen kan regulier onderwijs volgen, al dan niet met extra begeleiding. De meeste kinderen gaan naar speciaal onderwijs van cluster 2,3 of 4 omdat zij daar in kleinere klassen zitten en meer hulp en ook therapie kunnen krijgen.

Orthopedagoog
Een orthopedagoog kan adviezen geven hoe kinderen kunnen leren om beter contact te maken met anderen en hoe zij beter tegen veranderingen kunnen.

Kinder- en jeugdpsychiater
Een kinder- en jeugdpsychiater kan advies geven hoe om te gaan met gedragsproblemen zoals ADHD of autisme. Soms is het nodig om gedragsregulerende medicatie zoals methylfenidaat voor ADHD of risperidon of aripiprazol voor prikkelovergevoeligheid te geven.

Slaap
Een vast slaapritueel en een vast slaappatroon kunnen kinderen helpen om beter te kunnen slapen. Het medicijn melatonine kan helpen om beter in slaap te kunnen vallen. Er bestaan ook vormen van melatonine met vertraagde afgifte die ook kunnen helpen om weer in slaap te vallen wanneer kinderen in de nacht wakker worden. Slaapmiddelen worden liever niet gegeven aan kinderen omdat kinderen hier aangewend raken en niet meer zonder deze medicatie kunnen.

Oogarts
Bij kinderen die last hebben van scheelzien, is het vaak nodig om een oog af te plakken om te voorkomen dat een oog een zogenaamd lui oog wordt, waarmee kinderen niet meer goed kunnen zien. Een deel van de kinderen heeft een bril nodig om goed te kunnen zien. Wanneer de ooglens erg troebel is, kan de oogarts de ooglens vervangen door een heldere kunstlens.

Orthopeed
De orthopeed kan een behandeling geven voor heupdysplasie. Vaak gaat het om een behandeling met een spreidbroek. Ook kan de orthopeed een behandeling geven voor scoliose. Dit kan door middel van een corset bij milde vormen van scoliose of een operatie bij ernstige vormen van scoliose.

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak tijd voor ouders om te verwerken dat de toekomstverwachtingen van hun kind er anders uit zien dan waarschijnlijk verwacht was.

Contact met andere ouders
Door middel van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met het PHIP-syndroom.

Wat is de prognose van het PHIP-syndroom?
Blijvende problemen
Kinderen die een ontwikkelingsachterstand hebben als gevolg van het PHIP-syndroom, gaan in hun eigen tempo vooruit in hun ontwikkeling. Een deel van de volwassenen kan zelfstandig functioneren. Een ander deel van de volwassenen heeft in meer of mindere mate de hulp van anderen nodig hebben om te kunnen functioneren in het dagelijks leven.

Volwassenen
Omdat deze aandoening nog maar sinds 2016 bekend is als aandoening, is er niet heel veel bekend over volwassenen met deze aandoening. Het valt dus lastig aan te geven wat het hebben van het PHIP-syndroom voor de toekomst betekent.

Metabool syndroom
Kinderen en volwassenen met overgewicht hebben een verhoogd risico op het krijgen van een zogenaamde metabool syndroom. Het overgewicht kan zorgen voor het ontstaan van suikerziekte, van een te hoog cholesterol, van een te hoge bloeddruk en het ontstaan van hart-en vaatziekten. Roken kan deze problemen nog eens verergeren. Het is dus voor volwassenen met het PHIP-syndroom verstandig om nooit te gaan roken.

Levensverwachting
Waarschijnlijk is de levensverwachting van kinderen met het PHIP-syndroom niet veel anders dan van kinderen zonder dit syndroom. Ernstig overgewicht kan zorgen voor het ontstaan van suikerziekte en hart- en vaatziekten. Dit kan van invloed zijn op de levensverwachting.

Kinderen
Volwassenen met het PHIP-syndroom kunnen kinderen krijgen. Het is niet bekend of het hebben van dit syndroom van invloed is op de vruchtbaarheid, overgewicht kan namelijk de vruchtbaarheid beïnvloeden. Kinderen van een ouder met PHIP-syndroom hebben zelf 50% kans om zelf ook het PHIP-syndroom te krijgen. Of deze kinderen evenveel, meer of minder klachten zullen hebben als de ouder valt van te voren niet te voorspellen.

Hebben broertjes en zusjes ook een verhoogde kans om ook het PHIP-syndroom te krijgen?
Het PHIP-syndroom wordt veroorzaakt door een fout in het erfelijke materiaal van het 6e chromosoom. Vaak is dit foutje bij het kind zelf ontstaan en niet overgeërfd van een van de ouders. Broertjes en zusjes hebben daarom een nauwelijks verhoogde kans om zelf ook het PHIP-syndroom te krijgen. Dit zou alleen kunnen indien een van de ouders het foutje in een eicel of zaadcel heeft zitten zonder dat dit foutje ergens anders in de lichaamscellen voorkomt. De kans hierop is heel klein, ongeveer 1-2%.

Wanneer een van de ouders zelf het PHIP-syndroom heeft, dan hebben broertjes en zusjes 50% kans om ook zelf dit syndroom te krijgen. Broertjes en zusjes kunnen dezelfde klachten krijgen, maar ook andere klachten. Zij kunnen evenveel, meer of minder klachten hebben. Dat valt van te voren niet goed te voorspellen.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek
Het is mogelijk om tijdens een volgende zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten in de vorm van een vlokkentest in de 12e zwangerschapsweek of een vruchtwaterpunctie in de 16e zwangerschapsweek. Zo kan gekeken worden of dit kindje ook het PHIP-syndroom heeft. Beide ingrepen hebben een klein risico op het ontstaan van een miskraam (0,5% bij de vlokkentest en 0,3% bij de vruchtwaterpunctie).

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier

Referenties

  1. A genotype-first approach identifies an intellectual disability-overweight syndrome caused by PHIP haploinsufficiency. Jansen S, Hoischen A, Coe BP, Carvill GL, Van Esch H, Bosch DGM, Andersen UA, Baker C, Bauters M, Bernier RA, van Bon BW, Claahsen-van der Grinten HL, Gecz J, Gilissen C, Grillo L, Hackett A, Kleefstra T, Koolen D, Kvarnung M, Larsen MJ, Marcelis C, McKenzie F, Monin ML, Nava C, Schuurs-Hoeijmakers JH, Pfundt R, Steehouwer M, Stevens SJC, Stumpel CT, Vansenne F, Vinci M, van de Vorst M, Vries P, Witherspoon K, Veltman JA, Brunner HG, Mefford HC, Romano C, Vissers LELM, Eichler EE, de Vries BBA. Eur J Hum Genet. 2018;26:54-63.
  2. De novo PHIP-predicted deleterious variants are associated with developmental delay, intellectual disability, obesity, and dysmorphic features. Webster E, Cho MT, Alexander N, Desai S, Naidu S, Bekheirnia MR, Lewis A, Retterer K, Juusola J, Chung WK. Cold Spring Harb Mol Case Stud. 2016;2:a001172.

Laatst bijgewerkt: 17 maart 2018

 

 

 

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.