A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Het 15q11-q13 duplicatie syndroom

 

Wat is het 15q11-q13 duplicatie syndroom?
Het 15q11-q13 duplicatie syndroom is een aandoening waarbij kinderen een achterstand hebben in hun spraaktaal en sociaal emotionele ontwikkeling soms in combinatie met epilepsie.

Hoe wordt het 15q11-q13 duplicatie syndroom ook wel genoemd?
Het woord duplicatie geeft aan dat een stukje van het erfelijk materiaal dubbel aanwezig is in plaats van de gebruikelijk eenmaal. Het stukje wat extra aanwezig is een stukje van het 15e chromosoom, vandaar het cijfer 15. Niet heel chromosoom 15 is dubbel aanwezig, maar alleen het deel q11 tot en met q13. Vandaar de toevoeging van deze cijfers en letters.

Trisomie 15q11-q13
Ook wordt de term 15q11-q13 trisomie wel gebruikt. Het woord trisomie geeft aan dat kinderen dit stukje erfelijk materiaal drie keer in al hun cellen hebben zitten, in plaats van de gebruikelijke 2 keer.

AUTS4-syndroom
Een andere naam die minder vaak gebruikt wordt is AUTS4-syndroom. De letters AUTS komen van autisme. Dit is het 4e syndroom wat beschreven is bij kinderen met autistiforme kenmerken voordat duidelijk was dat het dubbel aanwezig zijn van het stukje van chromosoom 15 de oorzaak was van het ontstaan van deze autistiforme kenmerken.

CNV
Het missen van een stukje erfelijk materiaal van een chromosoom of het dubbel hebben van een stukje erfelijk materiaal wordt ook wel aangeduid met de Engelse term copy number variant, afgekort met de letter CNV. Er zijn inmiddels heel wat van deze CNV-syndromen bekend. Het 15q11-q13 duplicatie syndroom is een van deze CNV syndromen.

Angelman en Prader-Willi syndroom
Het 15q11-q13 duplicatie syndroom is verwant aan het Angelman en Prader-Willi syndroom. Beide syndromen worden veroorzaakt omdat kinderen met deze syndroom het stuk 15q11-q13 missen. Terwijl kinderen met het 15q11-q13 duplicatie syndroom dit stuk erfelijk materiaal juist extra aanwezig hebben.

Hoe vaak komt het 15q11-q13 duplicatie syndroom voor bij kinderen?
Het 15q11-q13 duplicatie syndroom is een zeldzame ziekte. Het is niet precies bekend hoe vaak Het 15q11-q13 duplicatie syndroom voorkomt. Geschat wordt dat deze aandoening bij één op de 20.000 tot 50.000 mensen voorkomt.

Bij wie komt het 15q11-q13 duplicatie syndroom voor?
Het 15q11-q13 duplicatie syndroom is al voor de geboorte aanwezig. Vaak duurt het wel enige tijd voordat duidelijk is dat er sprake is van dit syndroom. Meestal wordt rond de peuter/kleuterleeftijd duidelijk dat kinderen met dit syndroom zich anders ontwikkelen dan andere kinderen zonder dit syndroom.
Zowel jongens als meisjes kunnen dit syndroom krijgen. Het syndroom komt wel veel vaker voor bij jongens dan bij meisjes.

Wat is de oorzaak van het 15q11-q13 duplicatie syndroom?
Foutje in erfelijk materiaal
Het 15q11-q13 duplicatie syndroom wordt veroorzaakt door het dubbel aanwezig zijn van een stuk van het erfelijk materiaal (DNA) van chromosoom 15. Het stukje erfelijk materiaal wat dubbel aanwezig is wordt q11 tot en met q 13 genoemd. Bij een groot deel van de kinderen komt dit stukje 15q11-q13 als een los stukje extra chromosoom voor. Dit wordt ook wel een isodicentrische triplicatie genoemd. Bij een klein deel van de kinderen zit het extra stukje chromosoom 15 in chromosoom 15 zelf geplakt. Dit wordt een interstitiële duplicatie genoemd. Kinderen met een isodicentrische triplicatie hebben vaak meer klachten dan kinderen met een interstitiële duplicatie.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij het merendeel van de kinderen is de verandering in het erfelijk materiaal bij het kind zelf ontstaan na de bevruchting van de eicel door de zaadcel en niet overgeërfd van één van de ouders.

Geërfd van een ouder
Een ander deel van de kinderen heeft de verandering in het erfelijk materiaal geërfd van een van de ouders. Deze ouder heeft dan zelf ook het 15q11-q13 duplicatie syndroom. Soms was dit al bekend, soms wordt deze diagnose pas gesteld wanneer de diagnose bij het kind gesteld wordt. Kinderen die het stukje 15q11-q13 van de moeder krijgen hebben vaak meer klachten dan kinderen die het stukje 15q11-q13 van de vader krijgen.

Meerdere genen
Op chromosoom 15q11 tot q13 liggen meerdere stukjes erfelijk materiaal die gebruikt worden om eiwitten die belangrijk zijn voor het lichaam te maken. Deze eiwitten spelen een belangrijke rol bij de aanleg van de hersenen. Zonder deze eiwitten worden de hersenen op een ander manier aangelegd dan gebruikelijk.
Genen die in dit stukje erfelijk materiaal liggen zijn bijvoorbeeld GABRA5 en GABR3 die een belangrijke rol spelen de aanleg van de zogenaamde GABA-receptor. GABA is een belangrijk boodschapperstofje in de hersenen.

Wat zijn de symptomen van het 15q11-q13 duplicatie syndroom?
Variatie in ernst
Er bestaat een grote variatie in de hoeveelheid en de ernst van de symptomen die kinderen met het 15q11-q13 duplicatie syndroom hebben. Het ene kind heeft veel meer symptomen dan het andere kind. Van te voren valt niet te voorspellen van welke symptomen een kind last zal krijgen.

Lage spierspanning
Kinderen met het 15q11-q13 duplicatie hebben vaak een lage spierspanning. Gewrichtjes kunnen makkelijk worden overstrekt. Kinderen moeten meer moeite doen om hun gewrichten in een stabiele houding te houden. Veel kinderen met dit syndroom hebben platvoetjes.

Problemen met drinken
Een deel van de baby’s met dit syndroom heeft problemen met drinken. Kinderen pakken de borst of de speen moeizaam en laten gemakkelijk weer los. Het geven van drinken kost vaak veel tijd en moeite voor de ouders.

Ontwikkelingsachterstand
Kinderen met het 15q11-q13 duplicatie syndroom ontwikkelen zich langzamer dan kinderen zonder dit syndroom. Kinderen gaan op latere leeftijd rollen, zitten, staan en lopen. De meeste kinderen leren dit uiteindelijk allemaal wel. Gemiddeld zijn de kinderen tussen de leeftijd van 2-3 jaar voordat ze zelfstandig leren lopen. Het lopen en rennen blijft vaak wat houterig. Vaak hebben kinderen meer moeite met leren tekenen, schrijven, knippen plakken.

Vertraagd spraaktaalontwikkeling
Leren praten is voor kinderen met dit syndroom veel moeilijker dan voor kinderen zonder dit syndroom. De eerste woordjes komen vaak veel later dan gebruikelijk. Het duurt vaak lang voordat kinderen meer woorden gaan gebruiken. Een deel van de kinderen leert in zinnen te praten. Kinderen vinden het vaak wel moeilijk om te vertellen wat ze hebben mee gemaakt of om te vertellen wat ze voelen. Het begrijpen van wat andere kinderen en volwassenen zeggen, verloopt vaak beter dan het zelf praten.

Problemen met leren
Kinderen met dit syndroom hebben bijna allemaal problemen met leren. De mate van deze leerproblemen kan variëren van mild tot ernstig. Een klein deel van de kinderen is niet leerbaar.

Kwijlen
Kinderen met dit syndroom hebben gemakkelijker last van kwijlen. Dit heeft te maken met de lage spierspanning van de spieren rondom de mond. Hierdoor staat de mond vaak een beetje open waardoor het speeksel gemakkelijk via de mond toe naar buiten kan lopen.

Autistiforme kenmerken
Een groot deel van de kinderen met dit syndroom heeft autistiforme kenmerken. Kinderen vinden het vaak moeilijk om oogcontact te maken met anderen. Veel kinderen hebben behoefte aan een duidelijke structuur in de dag en vinden het lastig wanneer er een onverwachte verandering in deze structuur komt. Kinderen kunnen hierdoor heel verdrietig of heel boos worden. Vaak hebben kinderen voorkeur voor bepaald speelgoed of een bepaald activiteit. In andere speelgoed of andere activiteiten hebben ze geen interesse.

Stereotypieën
Veel kinderen maken graag bewegingen met hun armen en hun handen die vaak terug keren. Zulke bewegingen worden stereotypieën genoemd. Sommige kinderen gaan wapperen met hun handen, anderen maken draaiende bewegingen met de handen, draaien met hun hoofd of met hun hele lichaam of bijten in vingers of kleren. Deze bewegingen komen vaak voor wanneer kinderen iets heel leuks of iets spannends gaan doen.

ADHD
AD(H)D komt vaker voor bij kinderen met dit syndroom. Kinderen hebben moeite om langer ergens de aandacht bij te houden. Ze spelen maar kort met een bepaalde speelgoed en dan weer met een ander stukje speelgoed. Kinderen zijn snel afgeleid door een geluid of een beweging in de kamer.
Kinderen kunnen moeite hebben met stil zitten en bewegen het liefst de hele dag. Op school hebben kinderen moeite langer tijd hun aandacht bij het schoolwerk te houden.

Angsten
Een deel van de kinderen met dit syndroom heeft last van angsten. Bijvoorbeeld angst om zonder de moeder te zijn, angst om alleen te zijn, angst voor onbekenden of angst voor het donker. Sommige kinderen kunnen dusdanig angstig raken dat zij beelden zien die er niet zijn of geluiden horen die er niet zijn. Dit wordt een psychose genoemd.

Problemen met het bewaren van het evenwicht
Kinderen met het 15q11-q13 duplicatie syndroom hebben vaker problemen met het bewaren van hun evenwicht. Kinderen met dit syndroom vallen sneller dan andere kinderen. Om vallen te voorkomen zetten kinderen hun voeten verder uit elkaar, waardoor ze stabieler kunnen staan en lopen. Kinderen kunnen ook moeite hebben met het pakken van een voorwerp. De handen kunnen dan een trillende beweging maken. Zo’n trillende beweging wordt tremor genoemd.

Epilepsie
Een groot deel kinderen met deze aandoening heeft epilepsie. De epilepsie kan op verschillende leeftijd ontstaan, meestal ontstaat de epilepsie voor de leeftijd van vijf jaar. Verschillende soorten aanvallen kunnen voorkomen, zoals aanvallen met verstijven van de armen en benen (tonische aanvallen), aanvallen met verslappen van de armen en benen (atone aanvallen), aanvallen met schokken in de armen en benen (clonische aanvallen), aanvallen waarbij de armen en benen naar elkaar toe bewegen (salaamkrampen) aanvallen met kleine schokjes in het lichaam (myoclonieën), aanvallen met schokken of verstijven van een arm of been (focale aanvallen) of aanvallen met staren en niet reageren (focale aanvallen met verlaagd bewustzijn). Kinderen kunnen verschillende soorten aanvallen naast elkaar hebben.
Bij een deel van de kinderen is er sprake van een epilepsie syndroom zoals het syndroom van West of het syndroom van Lennox-Gastaut.

Problemen met slapen
Slaapproblemen komen vaak voor bij kinderen met dit syndroom. Sommige kinderen hebben moeite met het inslapen. Een groot deel van de kinderen wordt ’s nachts regelmatig wakker en komt dan maar moeilijk weer in slaap. Ook zijn kinderen vaak vroeg in de ochtend wakker.
Bij een deel van de kinderen worden deze slaapproblemen veroorzaakt door epilepsie gedurende de nacht.

Gevoeligheid voor infecties
Kinderen met dit syndroom zijn gevoeliger voor het krijgen van infecties. Vooral oorontstekingen komen vaker voor bij kinderen met dit syndroom.

Lengte
Kinderen met dit syndroom zijn vaker wat kleiner dan hun leeftijdsgenoten qua lengte.

Overgewicht
Kinderen met dit syndroom krijgen gemakkelijker te maken met overgewicht.

Uiterlijke kenmerken
Bij veel syndromen hebben kinderen vaak wat veranderde uiterlijke kenmerken. Hier hebben kinderen zelf geen last van, maar het kan de dokters helpen om te herkennen dat er sprake is van een syndroom en mogelijk ook van welk syndroom. Ook maakt dit vaak dat kinderen met hetzelfde syndroom vaak meer op elkaar lijken dan op hun eigen broertjes en zusjes, terwijl de kinderen toch niet familie van elkaar zijn. Bij dit syndroom komen niet hele specifieke uiterlijke kenmerken voor. Bij een deel van de kinderen lopende ogen in de richting van de oren een beetje omlaag. Naast de ogen aan de kant van de neus kan een extra oogplooitje voorkomen. Dit wordt epicanthus genoemd. Een deel van de kinderen heeft een opgewipte neuspunt. Veel kinderen hebben volle lippen. De onderkaak is vaak kleiner dan de bovenkaak. De oren staan vaak wat lager op het hoofd.

Bruine vlekken
Een deel van de kinderen met dit syndroom heeft bruine vlekken op de huid.

 

Hoe wordt de diagnose 15q11-q13 duplicatie syndroom gesteld?
Verhaal en onderzoek
Op grond van het verhaal van een kind met een ontwikkelingsachterstand en enkele opvallende uiterlijke kenmerken kan vermoed worden dat er sprake is van een syndroom. Er zijn echter veel verschillende syndromen die allemaal voor deze symptomen kunnen zorgen. Er zal aanvullend onderzoek nodig zijn om aan de diagnose 15q11-q13 duplicatie syndroom te stellen.

Genetisch onderzoek
Vaak worden ook alle chromosomen tegelijkertijd onderzocht (zogenaamd Array onderzoek), op deze manier kan de diagnose 15q11-q13 duplicatie syndroom worden gesteld.
Tegenwoordig zal door middel van een nieuwe genetische techniek (exome sequencing genoemd) deze diagnose gesteld kunnen worden zonder dat er specifiek aan gedacht was of naar gezocht is.

Stofwisselingsonderzoek
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand krijgen vaak stofwisselingsonderzoek van bloed en urine om te kijken of er sprake is van een stofwisselingsziekte die verklarend is voor de ontwikkelingsachterstand. Bij kinderen met dit syndroom worden hierbij geen bijzonderheden gezien. Bij een deel van de kinderen wordt gevonden dat het serotonine gehalte in het bloed verhoogd is.

MRI-scan
Bij kinderen met een ontwikkelingsachterstand zal vaak een MRI-scan van de hersenen worden gemaakt om te kijken wat de oorzaak is van de ontwikkelingsachterstand. Op de MRI-scan bij kinderen met dit syndroom worden geen kenmerkende afwijkingen gezien.

EEG
Bij kinderen met de verdenking op epilepsie zal vaak een EEG gemaakt worden. Op dit EEG kunnen epileptiforme afwijkingen worden gezien. Deze afwijkingen zijn niet specifiek voor dit syndroom en kunnen bij heel veel andere vormen van epilepsie ook worden gezien. Een deel van de kinderen heeft alleen epileptiforme afwijkingen op het EEG zonder ooit last te krijgen van epilepsieaanvallen.

Kinder-en jeugdpsychiater
Een kinder-en jeugdpsychiater kan vast stellen of er sprake is van ADHD of autistiforme kenmerken.

Hoe wordt het 15q11-q13 duplicatie syndroom behandeld?
Geen genezing
Er is geen behandeling die het 15q11-q13 duplicatie syndroom kan genezen. De behandeling is er op gericht kinderen zo goed mogelijk te stimuleren in hun ontwikkeling en te leren omgaan met de problemen die bij dit syndroom horen.

Rust en regelmaat
Kinderen bij dit syndroom hebben vaak baat bij een duidelijke structuur in de dag. Kaartjes die aangeven wat er die dag staat te gebeuren kunnen kinderen helpen. Ook is het belangrijk niet te veel activiteiten op een dag te plannen. Kinderen kunnen hierdoor juist overprikkeld raken.

Voldoende bewegen
Het is voor de ontwikkeling van kinderen met dit syndroom belangrijk dat zij voldoende bewegen. Voldoende bewegen helpt ook om overgewicht te voorkomen.

Fysiotherapie
Een fysiotherapeut kan ouders tips en adviezen geven hoe ze hun kindje zo goed mogelijk kunnen stimuleren om er voor te zorgen dat de ontwikkeling zo optimaal als mogelijk verloopt. Een fysiotherapeut kan adviezen geven hoe kinderen zo optimaal mogelijk kunnen bewegen.

Logopedie
Een logopediste kan helpen om de spraakontwikkeling zo goed mogelijk te stimuleren. Praten kan ook ondersteund worden door middel van gebaren of pictogrammen. Op die manier kunnen kinderen zich leren uitdrukken ook als ze geen woorden kunnen gebruiken. Sommige kinderen hebben baat bij een spraakcomputer.
De logopediste kan ook adviezen geven bij problemen met drinken of met kwijlen.

Kwijlen
Kwijlen kan verminderen door kinderen er bewust van te maken dat ze hun speeksel moeten doorslikken. Ook kunnen oefeningen waarbij geoefend wordt om de mond te sluiten helpen.
Er bestaan medicijnen die het kwijlen minder kunnen maken. Het meest gebruikte medicijn hierdoor is glycopyrrhonium. Soms kan een behandeling van de speekselklieren door middel van botox of door middel van een operatie nodig zijn om er voor zorgen dat kinderen minder kwijlen. Per kind zullen de voor- en nadelen van elke behandeling moeten worden afgewogen.

Diëtiste
Een diëtiste kan bij kinderen met overgewicht advies geven over de hoeveelheid eten en drinken die een kind per dag nodig heeft.

Ergotherapie
Een ergotherapeut kan tips en adviezen geven hoe de verzorging en de dagelijks activiteiten van een kind zo soepel mogelijk kunnen verlopen. Ook kan de ergotherapeut advies geven over materialen die de ontwikkeling van een kind kunnen stimuleren.

Revalidatiearts
Een revalidatiearts coördineert de verschillende therapieën en adviseert ook over hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld een aangepaste buggy, steunzolen of aangepaste schoenen.

School
De meeste kinderen met het 15q11-q13 duplicatie syndroom hebben problemen met leren. Een deel van de kinderen gaan naar regulier onderwijs toe, vaak met wat extra ondersteuning. Een ander deel van de kinderen gaat naar speciaal onderwijs toe van cluster 2 of cluster 4. De klassen zijn daar kleiner en er bestaat de mogelijkheid om therapie en school te combineren.

Behandeling epilepsie
Met behulp van medicijnen wordt geprobeerd om de epilepsieaanvallen zo veel mogelijk te voorkomen en het liefst er voor te zorgen dat er helemaal geen epilepsieaanvallen meer voorkomen.
Verschillende soorten medicijnen kunnen gebruikt worden om de epilepsie onder controle te krijgen. Er bestaan geen speciaal voorkeursmedicijn voor dit syndroom. Een deel van de kinderen reageert minder goed op zogenaamde benzodiazepines, op levetiracetam en op vigabatrine.
Bij een deel van de kinderen zal het niet lukken om de epilepsieaanvallen met medicijnen onder controle te krijgen. Er bestaan ook andere behandelingen die een goed effect kunnen hebben op de epilepsie, zoals een ketogeen dieet, een nervus vagusstimulator, of een behandeling met methylprednisolon. Ook een combinatie van deze behandelingen met medicijnen die epilepsie onderdrukken is goed mogelijk.

Slaap
Een vast slaapritueel en een vast slaappatroon kunnen kinderen helpen om beter te kunnen slapen. Het medicijn melatonine kan helpen om beter in slaap te kunnen vallen. Er bestaan ook vormen van melatonine met vertraagde afgifte die ook kunnen helpen om weer in slaap te vallen wanneer kinderen in de nacht wakker worden. Slaapmiddelen worden liever niet gegeven aan kinderen omdat kinderen hier aangewend raken en niet meer zonder deze medicatie kunnen. Het is altijd belangrijk om uit te sluiten dat epilepsie de oorzaak is van de slaapproblemen, in geval van epilepsie is epilepsie behandeling nodig.

Orthopedagoog
Een orthopedagoog kan ouders tips en adviezen geven hoe om gaan met problemen zoals bijvoorbeeld prikkelovergvoeligheid, angsten of over beweeglijkheid.

Kinder- en jeugdpsychiater
Een kinder- en jeugdpsychiater kan adviezen geven hoe kind en ouders het beste om kunnen gaan met autistiforme kenmerken of met ADHD. Soms kunnen medicijnen nodig zijn (zoals dipipiperon, risperidon of aripiprazol) om er voor te zorgen dat kinderen minder prikkelgevoelig worden of methylfenidaat om de aandacht en concentatie te verbeteren. Per kind zullen de voordelen van medicijnen moeten worden afgewogen tegen de nadelen ervan.

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven. Het kost vaak tijd voor ouders om te verwerken dat de toekomstverwachtingen van hun kind er anders uit zien dan mogelijk verwacht is.

Contact met andere ouders
Door het plaatsen van een oproepje op het forum van deze site kunt u in contact proberen te komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met het 15q11-q13 duplicatie syndroom.

Wat betekent het hebben van het 15q11-q13 duplicatie voor de toekomst?
Blijvende beperking
Kinderen met een ontwikkelingsachterstand blijven vaak beperkingen houden in het dagelijks leven. De meeste jongeren zullen dagelijks begeleiding en ondersteuning van anderen nodig hebben.

Levensverwachting
Het is niet goed bekend of het hebben van deze aandoening van invloed is op de levensverwachting. Het is niet aannemelijk dat de levensverwachting van een kind met het 15q11-q13 syndroom anders is dan dat van andere kinderen.
Moeilijk behandelbare vormen van epilepsie kunnen wel van invloed zijn op de levensverwachting.

Kinderen
Kinderen van een volwassene met het 15q11-q13 duplicatie syndroom hebben 50% kans om zelf ook het 15q11-q13 duplicatie syndroom te krijgen. Kinderen van moeders met het 15q11-q13 duplicatie syndroom hebben vaak meer klachten dan kinderen van vaders met het n15q11-q13 duplicatie syndroom.

Hebben broertjes en zusjes ook een verhoogde kans om ook het 15q11-q13 duplicatie syndroom te krijgen?
Het 15q11-q13 duplicatie syndroom wordt veroorzaakt door een fout in het erfelijke materiaal van het 15e chromosoom. Meestal is het foutje bij het kind zelf ontstaan. De kans is dan erg klein dat een broertje of zusjes ook het 15q11-q13 duplicatie syndroom zal krijgen.
Wanneer een van de ouders zelf het 15q11-q13 duplicatie syndroom heeft, dan hebben broertjes en zusjes 50% kans om zelf ook het foutje te krijgen. Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek
Wanneer bekend is welk foutje in een familie heeft gezorgd voor het ontstaan van 15q11-q13 duplicatie syndroom, dan is het mogelijk om tijdens een zwangerschap prenatale diagnostiek te verrichten in de vorm van een vlokkentest of een vruchtwaterpunctie om te kijken of dit kindje ook 15q11-q13 duplicatie syndroom heeft.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Referenties

  1. Recurrent 15q11.2 BP1-BP2 microdeletions and microduplications in the etiology of neurodevelopmental disorders. Picinelli C, Lintas C, Piras IS, Gabriele S, Sacco R, Brogna C, Persico AM. Am J Med Genet B Neuropsychiatr Genet. 2016;171:1088-1098
  2. Prader-Willi, Angelman, and 15q11-q13 Duplication Syndromes. Kalsner L, Chamberlain SJ. Pediatr Clin North Am. 2015;62:587-606

 

Laatst bijgewerkt 25 oktober 2017

 

 

 

Auteur: JH Schieving

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.