A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektenbeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

Non-ketotische hyperglycinemie

  

Wat is een non-ketotische hyperglycinemie?

Een non-ketotische hyperglycinemie is een stofwisselingsziekte waardoor er te veel van het stofje glycine in het lichaam aanwezig is, waardoor de hersenen niet goed functioneren.

 

Hoe wordt een non-ketotische hyperglycinemie ook wel genoemd?

Een non-ketotische hyperglycinemie wordt ook wel een glycine-encefalopathie genoemd.
Bij deze ziekte is er een te veel aan het stofje glycine. Hier verwijst de term hyper in hyperglycinemie naar. Te veel aan glycine is schadelijk voor de hersenen. De hersenen functioneren daarom minder goed. Het niet goed functioneren van de hersenen wordt een encefalopathie genoemd.
Non-ketotische hyperglycinemie wordt wel afgekort met de letters NKH.

 

Hoe vaak komt een non-ketotische hyperglycinemie voor bij kinderen?

Een non-ketotische hyperglycinemie is een zeldzame ziekte. Geschat wordt dat het bij één op de 50.000 kinderen voorkomt.

 

Bij wie komt een non-ketotische hyperglycinemie voor?

Een non-ketotische hyperglycinemie geeft meestal al kort na de geboorte ernstige klachten. Soms ontstaan de eerste symptomen pas op peuter/kleuter leeftijd.
Zowel jongens als meisjes kunnen een non-ketotische hyperglycinemie krijgen. Om nog onbekende redenen hebben jongens meestal minder klachten dan meisjes.

 

Wat is de oorzaak van een non-ketotische hyperglycinemie?

Fout in erfelijk materiaal

Non-ketotische hyperglycinemie wordt veroorzaakt door een foutje in het erfelijk materiaal.
Er zijn drie verschillende foutjes bekend die allemaal NKH kunnen veroorzaken. De plaats van de foutjes op het erfelijk materiaal worden GLDC-gen, AMT-gen en GCSH-gen genoemd. De meeste kinderen hebben een foutje in het GLDC-gen.
Het GLDC-gen ligt op chromosoom 9, het AMT-gen op chromosoom 3 en het GCSH-gen op chromosoom 16.

Autosomaal recessieve ziekte

Non-ketotische hyperglycinemie is een erfelijke ziekte. Dat wil zeggen dat kinderen pas klachten wanneer twee chromosomen van het zelfde nummer op dezelfde plaats een fout bevatten.
Dit in tegenstelling tot een autosomaal dominante aandoening. Hierbij krijgen kinderen al last van een ziekte wanneer een van de twee chromosomen een afwijking bevat.

Ouders drager

Bij een autosomaal recessieve ziekte zijn beide ouders vaak drager van een afwijkend gen op een chromosoom. Omdat de ouder zelf nog een ander chromosoom zonder fout, heeft de ouder zelf geen klachten. De meeste ouders weten dan ook niet dat ze drager zijn.
Wanneer twee ouders drager zijn, dan hebben zij samen 25% kans om een kindje te krijgen met NKH.

Afwijkend eiwit

Als gevolg van het foutje in het erfelijke materiaal wordt een bepaald eiwit niet aangemaakt bij kinderen met non-ketotische hyperglycinemie Dit eiwit heeft glycine-decarboxylase of ook wel glycine klievings (cleavage) eiwit genoemd. Dit eiwit speelt een belangrijke rol bij de afbraak van glycine in de energiefabriekjes van het lichaam (mitochondriëen). Dit eiwit bestaat uit vier onderdelen die aangeduid worden met de letters P, T, H en L. Drie op de vier kinderen met NKH heeft een afwijkend P-eiwit. Een deel van de kinderen heeft een afwijkend T-eiwit. Een afwijkend H-eiwit is uiterst zeldzaam.
Het GLDC-gen zorgt voor de aanmaak van het P-eiwit. Het AMT-gen voor de aanmaak van het T-eiwit en het GCSH-gen voor de aanmaak van het H-eiwit.

Afwijkende aanleg van de hersenen

Omdat het stofje glycine niet goed afgebroken en opgeruimd kan worden, is er te veel glycine aanwezig in de hersenen. Hierdoor kunnen de hersenen zich niet normaal ontwikkelen. De ontwikkeling van de hersenen verloopt tijdens de zwangerschap al anders dan gebruikelijk.
De hersenen zijn vaak kleiner dan gebruikelijk. De verbinding tussen de rechter en de linker hersenhelft (het corpus callosum ) is vaak niet aangelegd. Ook krijgen de hersencellen niet een beschermend geleidingslaagje, het myelinelaagje. Hierdoor werken de hersencellen traag en raken ze gemakkelijk beschadigd.

Beschadiging van de hersenen

Het te veel aan glycine in de hersenen zorgt er ook voor dat bepaalde zenuwcellen die het stofje glutamaat gebruiken als boodschapperstofje te hard gaan werken. Te veel aan het stofje glutamaat zorgt voor beschadiging van de hersencellen die wel normaal aangelegd zijn.

Afwijkende lever

Het glycine-decarboxylase eiwit speelt ook een belangrijke rol in de lever. Toch komen problemen met de lever niet veel voor, mogelijk vallen ze niet goed op, omdat de problemen met de hersenen veel ernstiger zijn.

 

Wat zijn de symptomen van een non-ketotische hyperglycinemie?

Verschillende types

Er bestaan verschillende types NKH. De indeling is gemaakt naar het moment waarop kinderen hun eerste klachten krijgen. De meeste kinderen krijgen kort na de geboorte hun eerste klachten. Dit wordt het klassieke type genoemd.
Er zijn ook kinderen waarbij de eerste klachten in de eerste vier levensweken ontstaan, dit wordt het neonatale type genoemd. Wanneer de eerste klachten in het eerste levensjaar ontstaan wordt gesproken van het infantiele type. Wanneer de eerste klachten pas na de leeftijd van een jaar ontstaan wordt gesproken van een laat begin van de ziekte.
Meestal is het zo dat het ziektebeeld ernstiger verloopt naarmate de klachten op jongere leeftijd ontstaan.

Klassieke type

Het klassieke type van NKH komt het meeste voor. Bij dit type zijn de symptomen al bij de geboorte aanwezig of ontstaan ze in de eerste uren na de geboorte.

Lage spierspanning

Baby’s met NKH hebben vaak een lage spierspanning. Ze voelen vaak erg slap aan en moeten goed ondersteund worden wanneer ze gedragen worden. Baby’s kunnen een hoofdje ook niet goed overeind houden.

Sloom

Baby’s met NKH zijn vaak erg sloom. Ze slapen meestal en zijn moeilijk wakker te krijgen. Wanneer ze wakker zijn, dan zijn ze niet actief. Hun armen en benen liggen stillen en bewegen nauwelijks. Wanneer kinderen hun oogjes open hebben, dan hebben ze vaak een afwezige blik.

Problemen met drinken

Baby’s met een non-ketotische hyperglycinemie hebben vaak te weinig kracht en energie om te kunnen drinken uit de borst of uit de fles. Vaak zal het nodig zijn om kinderen voeding te geven via een sondeslangetje.

Ademhalingsproblemen

Kinderen met NKH ademen vaak erg oppervlakkig. Ook stoppen ze regelmatig met ademhalen. Dit worden apneu’s genoemd. Omdat kinderen niet op een goede manier ademhalen, hebben ze vaak beademing nodig om er voor te zorgen dat het lichaam voldoende zuurstof binnen krijgt.

Hik

Een deel van de kinderen met NKH heeft last van hardnekkige hik. Moeders herkennen dit vaak van tijdens de zwangerschap.

Zacht huilen

Kinderen met NKH huilen vaak zacht en klagelijk.

Schokkende bewegingen

Wanneer kinderen met NKH worden aangeraakt, dan lijken ze hierop te reageren met een heftige schrikbeweging. Beide armen en benen bewegen heftig op een aanraking.
Deze beweging wordt een myoclonie genoemd.
Ook andere vormen van extra bewegingen, zoals dansende bewegingen (chorea), trillende beweging (tremor) of een afwijkende stand van een bijvoorbeeld een arm (dystonie) kunnen voorkomen bij kinderen met een NKH.

Epilepsie aanvallen

Veel kinderen met NKH krijgen epilepsie-aanvallen. Deze aanvalletjes kunnen heel onopvallend zijn wanneer kinderen baby zijn. Op latere leeftijd komen andere type epilepsie aanvallen voor, die meer opvallen zoals schokkende bewegingen of een algehele verstijving van armen en/of benen. Het is vaak heel moeilijk om deze epilepsie-aanvallen met behulp van medicijnen onder controle te krijgen.

Klein hoofdje

Het hoofdje van kinderen met een NKH groeit minder goed. Daardoor krijgen kinderen verhoudingsgewijs een kleiner hoofdje.

Waterhoofd

Een klein deel van de kinderen krijgt juist last van een waterhoofd. Hun hoofdje groeit te snel en daarnaast kunnen klachten ontstaan van braken en ogen die naar beneden gericht staan.

Spasticiteit

Bij het ouder worden krijgen kinderen met NKH geleidelijk aan last van spasticiteit in de armen en benen. De armen en benen worden dan steeds stijver waardoor ze moeilijker bewogen kunnen worden.

Infantiele type

Een klein deel (een op de vijf kinderen met NKH) van de kinderen met een non-ketotische hyperglycinemie ontwikkelt zich tijdens de eerste levensmaanden normaal. Vanaf de leeftijd van gemiddeld zes maanden staat de ontwikkeling stil en krijgen kinderen epileptische aanvallen. De ontwikkeling gaat daarna meestal langzaam verder. De meeste kinderen met dit type zullen niet zelfstandig leren lopen. Zij hebben last van stijfheid (spasticiteit) van de armen en benen en ook last van bewegingsonrust (chorea) Ook krijgen zij last van de bovengenoemde schokkende bewegingen en epilepsie-aanvallen die moeilijk behandelbaar zijn. Vaak zijn er ook gedragsproblemen in de zin van druk gedrag en verminderde concentratie. Een deels van deze kinderen is heel onrustig in de manier van bewegen. Problemen met het evenwicht komen veel voor.

Atypische vormen

Bij nog een kleiner deel van de kinderen ontstaan de eerste klachten pas op latere leeftijd. Deze kinderen hebben meestal minder klachten. Vaak zijn er leerproblemen, gedragsproblemen en hebben deze kinderen ook epilepsie. Opvallend is dat kinderen tijdens koorts vaak niet goed omhoog en omlaag kunnen kijken, dit wordt een blikparese genoemd. Daarnaast hebben ze tijdens de koorts vaak last van bewegingsonrust, dit wordt chorea genoemd.
Kinderen met deze vorm krijgen vaak problemen met zien omdat hun oogzenuw steeds slechter gaat functioneren.

 

Hoe wordt de diagnose non-ketotische hyperglycinemie gesteld?

Verhaal en onderzoek

Aan de hand van het verhaal van een baby die na de geboorte erg slap en sloom is met een oppervlakkige ademhaling en ademstilstanden kan vermoed worden dat er iets met de hersenen van de baby aan de hand is. Er is nader onderzoek nodig om vast te stellen dat er sprake is van NKH. Ook andere stofwisselingsziektes en andere ziektes van de hersenen kunnen soort gelijke klachten geven.

Stofwisselingsonderzoek

Met behulp van bloed en urine kan gekeken worden of er problemen zijn met de stofwisseling. Bij kinderen met een non-ketotische hyperglycinemie is het stofje glycine in het bloed vaak verhoogd. Soms echter niet, dan zou de diagnose gemist kunnen worden.
Onderzoek van liquor (het vocht rondom de hersenen en het ruggenmerg) toont meestal wel een verhoogd glycine gehalte aan. Om dit vocht te verkrijgen is een ruggenprik nodig.
De verhouding tussen de hoeveelheid glycine in de liquor en glycine in het bloed is bij kinderen met een NKH meer dan 0,08.
Bij kinderen met andere stofwisselingsziekten zoals organisch zuur syndroom kan het glycine in het bloed ook verhoogd zijn, maar meestal is het glycine in het hersenvocht verhoudingsgewijs niet verhoogd.
Glycine in bloed en liquor kan ook verhoogd zijn bij andere ziektes van de hersenen zoals hersenschade door zuurstoftekort. Niet automatisch betekent een verhoogd glycine gehalte in het hersenvocht dus dat er sprake is van een NKH.

Leverbiopt

Wanneer met bovenstaand stofwisselingsonderzoek onvoldoende duidelijk is dat er sprake is van een non-ketotische hyperglycinemie dan kan onderzoek verricht worden op een stukje uit de lever. Op deze manier kan gekeken worden of het eiwit wat zorgt voor de afbraak van glycine aanwezig is in de lever. Bij kinderen met een non-ketotische hyperglycinemie ontbreekt dit eiwit meestal helemaal.

DNA-onderzoek

Door middel van bloed onderzoek kan het DNA onderzocht worden. Op deze manier kan gekeken worden of er een foutje in het erfelijk materiaal te vinden is die past bij de diagnose non-ketotische hyperglycinemie. Het lukt niet om bij alle kinderen een foutje aan te tonen in het erfelijk materiaal. Waarschijnlijk zijn nog niet alle foutjes bekend.

EEG

Wanneer bij baby’s met NKH een hersenfilmpje (EEG) wordt gemaakt dan is daarop een speciaal patroon te hersenen. Dit patroon wordt een burst-supressie patroon genoemd.
Te zien is dat er af en toe een elektrische ontlading in de hersenen aanwezig is, gevolgd door een periode waarin de hersenen nauwelijks activiteit laten zien. Dit is een heel ernstig afwijkend patroon wat wijst op een ernstig probleem van de hersenen. Het wordt gezien bij NKH maar kan ook bij andere ernstige hersenaandoeningen gezien worden.

MRI van de hersenen

Wanneer er bij kinderen met NKH een MRI scan van de hersenen wordt gemaakt, dan is vaak te zien dat de hersenen onderontwikkeld zijn. Vaak zijn de hersenen te klein en ontbreekt de hersenbalk (corpus callosum) of soms een deel van de kleine hersenen. Ook is te zien dat de hersenen nog erg onrijp zijn, omdat er geen geleidingslaagje (myeline) rondom de hersencellen aanwezig is.
Met een speciale MRI techniek, MR-spectroscopie kan bij een deel van de kinderen aangetoond worden dat er te veel glycine in de hersenen aanwezig is.
Wanneer vervolg MRI scans gemaakt worden, is vaak te zien dat de hersenen van kinderen geleidelijk aan steeds kleiner worden door verlies van hersencellen.

 

Hoe wordt een non-ketotische hyperglycinemie behandeld?

Geen genezing

Er bestaat geen behandeling die een non-ketotische hyperglycinemie kan genezen.

Medicijn natriumbenzoaat

Het medicijn natriumbenzoaat kan de hoeveelheid glycine in het bloed verminderen. Wanneer dit medicijn gegeven wordt op een moment dat er relatief nog weinig klachten zijn, dan zou dit medicijn er voor kunnen zorgen dat kinderen zich beter ontwikkelen dan kinderen die dit medicijn niet krijgen. Een groot deel van de kinderen heeft al veel klachten op moment dat de diagnose gesteld wordt. Klachten die er al zijn, verbeteren vaak niet als gevolg van de behandeling met dit medicijn.
Buiten Nederland wordt ook het medicijn dextrometrofan gegeven dat in Nederland niet verkrijgbaar is. Het is ook niet duidelijk of dit medicijn daadwerkelijk iets doet voor kinderen met NKH.

Behandeling epilepsie

Er worden vaak verschillende medicijnen die epileptische aanvallen kunnen verminderen gegeven aan kinderen met NKH. Het is vaal erg moeilijk om een combinatie medicijnen te vinden die er voor zorgt dat kinderen geen epileptische aanvallen meer hebben. Meestal is het doel zo min mogelijk aanvallen met zo min mogelijk bijwerkingen als gevolg van het gebruik van medicijnen.
Een ketogeen dieet is een andere behandelmogelijkheid voor de epilepsie van kinderen met een NKH.

Behandeling spasticiteit

Wanneer de spasticiteit erg hinderlijk is, dan kunnen medicijnen gegeven worden om deze spasticiteit te verminderen. Medicijnen die hiervoor gebruikt worden zijn bijvoorbeeld baclofen. Ook wordt vaak gewerkt met botuline toxine injecties om lokaal een spastische spier minder spastisch te maken.

Sondevoeding

Een groot deel van de kinderen heeft niet voldoende kracht om zelf te eten en te drinken. Meestal krijgen kinderen daarom een sonde om op deze manier voldoende voeding en drinken binnen te krijgen. Wanneer kinderen langdurig een sonde nodig hebben, dan is het mogelijk om deze sonde rechtstreeks via de huid in de maag te laten eindigen. Dit wordt een PEG-sonde genoemd, later kan dit vervangen worden door een zogenaamde mickey button.

Beademing

Baby’s met NKH hebben meestal beademing nodig om in leven te kunnen blijven. Beademing wordt gegeven op een intensive care afdeling voor pasgeborenen.
Bij een deel van de kinderen kan de beademing na twee tot drie weken geleidelijk aan worden verminderd en daarna worden gestopt. Deze kinderen blijken dan zelf weer in staat te zijn om voldoende zelf adem te halen.

Fysiotherapie

Wanneer kinderen problemen krijgen met bewegen, kan een fysiotherapeut de spieren soepel houden door de benen en/of armen zelf te bewegen en tips te geven hoe een kind of de ouders dit zelf ook kunnen doen. Zo wordt voorkomen dat bepaalde gewrichten vast gaan groeien omdat ze te weinig bewogen worden. De fysiotherapeut kan tips geven om de ontwikkeling te stimuleren.

Logopedie

De logopedist kan adviezen geven hoe het slikken, eten en drinken zo goed mogelijk kan verlopen. Ook kan ze kinderen trainen in het goed en duidelijk praten of in het uitbreiden van de woordenschat. Wanneer praten moeilijk is, kan de logopediste andere manier van communiceren bijvoorbeeld met gebaren of met symbolen aanleren aan kind en ouders.

Ergotherapie

De ergotherapie kan advies geven over hulpmiddelen waarmee kinderen zo goed mogelijk verzorgd kunnen worden of waarmee kinderen zich zo goed mogelijk zelf kunnen redden.

Revalidatiearts

De revalidatiearts coördineert de verschillende behandelingen die kinderen met NKH nodig hebben.

Begeleiding

Begeleiding van kinderen met NKH en hun ouders is belangrijk. Een maatschappelijk werkende of een psycholoog kunnen kind en ouders begeleiden in het omgaan met het hebben van deze ziekte en met de gevolgen van deze ziekte.
Door het plaatsen van een oproepje op het forum van deze site kunt in contact komen met andere kinderen met NKH en hun ouders of verzorgers.

 

 

Wat betekent heb hebben van een non-ketotische hyperglycinemie voor de toekomst?

Ontwikkelingsacherstand

De meeste kinderen met een non-ketotische hyperglycinemie ontwikkelen zich heel langzaam.
Kinderen die op vroege leeftijd de eerste symptomen van NKH hebben gekregen, zijn verder achter in hun ontwikkeling dan kinderen die pas op latere leeftijd symptomen hebben gekregen.

Moeilijk behandelbare vorm van epilepsie

Veel kinderen met een non-ketotische hyperglycinemie hebben een moeilijk behandelbare vorm van epilepsie. Vaak lukt het niet om de epilepsie met behulp van medicijnen of een ketogeen dieet helemaal onder controle te krijgen. Doel van de behandeling is dan om er voor te zorgen dat kinderen zo min mogelijk last hebben van hun aanvallen, zonder dat ze al te veel bijwerkingen hebben als het gevolg van de medicijnen die nodig zijn voor de behandeling van de epilepsie.

Levensverwachting

Het hebben van non-ketotische hyperglycinemie heeft invloed op de levensverwachting. Vooral de problemen met de ademhaling kunnen levensbedreigend zijn.
Een deel van de kinderen komt helaas op jonge leeftijd te overlijden.

Kinderen

De meeste kinderen met een non-ketotische hyperglycinemie zijn dusdanig beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden dat zij zelf geen kinderen zullen krijgen.

Verbetering van de symptomen

Bij een heel klein deel van de kinderen nemen de klachten weer af in de loop van de maanden. Op een of andere manier is het lichaam weer in staat om glycine op te ruimen. De ontwikkeling gaat weer verder en kinderen hebben niet meer zo veel last van epilepsie aanvallen. Vaak zijn er wel milde leerproblemen en gedragsproblemen, maar deze kinderen zijn wel weer in staat om redelijk zelfstandig deel te nemen aan de maatschappij. Het is niet bekend wat maakt dat glycine waardes bij deze kinderen weer dalen.

 

Hebben broertjes en zusjes een vergrote kans om ook non-ketotische hyperglycinemie te krijgen?

Non-ketotische hyperglycinemie is een ziekte die veroorzaakt wordt door een foutje in het erfelijk materiaal. De ziekte erft op zogenaamd autosomaal recessieve wijze over. Vaak zijn beide ouders drager van de ziekte. Zij hebben een chromosoom met een fout en een chromosoom zonder fout, zodat zij zelf geen klachten hebben. Hun kinderen hebben 25 % kans om ook non-ketotische hyperglycinemie te krijgen. Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Prenatale diagnostiek

Wanneer bekend is welk foutje in het erfelijk materiaal de non-ketotische hyperglycinemie veroorzaakt heeft, dan bestaat er tijdens een zwangerschap van een broertje of zusje de mogelijkheid om een prenatale diagnostiek uit te voeren. Door middel van een vruchtwaterpunctie wordt erfelijk materiaal verzameld, zodat gekeken kan worden of er in dit materiaal ook foutjes zitten genen die non-ketotische hyperglycinemie veroorzaken.

 

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

 

Links
www.bosk.nl
(Belangen vereniging voor kinderen en ouders met een lichamelijke beperking)
www.vks.nl
(Nederlandse vereniging van mensen met een stofwisselingsziekte)

Referenties

1. A known and a novel mutation in the glycine decarboxylase gene in a newborn with classic nonketotic hyperglycinemia. Beijer P, Lichtenbelt KD, Hofstede FC, Nikkels PG, Lemmers P, de Vries LS. Neuropediatrics. 2012;43:164-7
2. Two novel missense mutations observed in nonketotic hyperglycinemia. Yoon IA, Lee NM, Yoo BH, Lee BS, Yoo HW. Pediatr Neurol. 2012;46:401-3.
3. Ketogenic diet in early myoclonic encephalopathy due to non ketotic hyperglycinemia. Cusmai R, Martinelli D, Moavero R, Dionisi Vici C, Vigevano F, Castana C, Elia M, Bernabei S, Bevivino E. Eur J Paediatr Neurol. 2012;16:509-13
4. Prediction of long-term outcome in glycine encephalopathy: a clinical survey. Hennermann JB, Berger JM, Grieben U, Scharer G, Van Hove JL. J Inherit Metab Dis. 2012;35:253-61

 

Auteur: J.H. Schieving

 

Laatst bijgewerkt: 11 december 2012

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.