A|A|A
kinderneurologie

 

 

 

 

 



Ziektebeelden

Vraag om informatie

Gastenboek

Van A tot en met Z

Praktische links

Contact met ouders

Neurologische woordenlijst

GRIN2A-syndroom

 

Wat is het GRIN2A syndroom?
Het GRIN2A syndroom is een aandoening waarbij kinderen en/of volwassen last hebben van epilepsieaanvallen, problemen met de spraaktaalontwikkeling en/of een algehele ontwikkelingsachterstand als gevolg van een verandering in een stukje van het erfelijk materiaal wat GRIN2A wordt genoemd.

 

Hoe wordt het GRIN2A syndroom ook wel genoemd?
Er bestaat nog geen andere naam voor het GRIN2A-syndroom. Dit syndroom is vernoemd naar de plaats in het erfelijk materiaal waar een fout aanwezig is. Deze plaats wordt GRIN2A-gen genoemd.

Focale epilepsie met spraaktaalontwikkelingsstoornis
GRIN2A-syndroom staat ook wel bekend als focale epilepsie met spraaktaalontwikkelingsstoornis. Dit is een verzamelnaam voor een groep van epilepsiesyndroom waarbij de epilepsie ontstaat in een bepaalde plek in de hersenen waar de taalfunctie geregeld wordt. Syndromen die onder deze groep vallen zijn Rolandische epilepsie, het Landau Kleffner syndroom en het CSWS-syndroom.

 

Hoe vaak komt het GRIN2A-syndroom voor bij kinderen?
Het is niet goed bekend hoe vaak het GRIN2A syndroom bij kinderen voorkomt. Dit syndroom is ook nog maar sinds kort bekend, waarschijnlijk is nog lang niet bij alle kinderen met dit syndroom bekend dat zij dit syndroom hebben.

 

Bij wie komt het GRIN2Asyndroom voor?
Het GRIN2A syndroom is al vanaf de geboorte aanwezig. Het kan enige tijd duren voordat een kind klachten krijgt als gevolg van het hebben van dit GRIN2Asyndroom.
Zowel jongens als meisjes kunnen het GRIN2A syndroom krijgen.

 

Wat is de oorzaak van het GRIN2A syndroom?
Fout in erfelijk materiaal
Het GRIN2A syndroom wordt veroorzaakt door een foutje in het erfelijk materiaal van het 16e chromosoom. De plaats van dit foutje wordt GRIN2A-gen genoemd.

Autosomaal dominant
Het foutje in het GRIN2A-gen is een zogenaamd autosomaal dominant foutje. Dit houdt in dat een foutje in een van de twee chromosomen 16 die een kind heeft al voldoende is om symptomen te krijgen. Dit in tegenstelling tot autosomaal recessieve aandoening, hierbij krijgen kinderen pas klachten wanneer beide chromosomen een fout op dezelfde plek bevatten.

Incomplete penetrantie
Niet iedereen die een foutje in het GRIN2A-gen heeft, krijgt ook daadwerkelijk symptomen als gevolg van dit foutje. Dit verschijnsel wordt incomplete penetrantie genoemd.

Bij het kind zelf ontstaan
Bij de meeste kinderen die bekend zijn met het GRIN2A-syndroom is het foutje bij het kind zelf ontstaan na bevruchting van de eicel door de zaadcel. Het kind heeft het foutje dan niet geërfd van een van de ouders.

Geërfd van een van de ouders
Er zijn ook kinderen die het foutje geërfd hebben van hun vader of hun moeder die dan zelf ook het GRIN2A-syndroom heeft. Hoe vaak dit voorkomt is niet goed bekend.

NMDA-Receptor
Door het foutje in het erfelijk materiaal wordt een bepaald eiwit niet aangemaakt. Dit eiwit heet ook wel NMDAR2A.
Dit eiwit is een belangrijk onderdeel van een zogenaamde receptor in de hersenen. Een receptor is een soort slotje die door middel van de juiste sleutel in werking gezet kan worden waardoor in de hersenen een bepaalde actie wordt uitgevoerd. Door de fout in het erfelijk materiaal werkt de receptor niet goed, waardoor de hersenen anders werken dan gebruikelijk. Het gaat dit geval om een zogenaamde NMDA-receptor. De NMDA-receptor speelt een belangrijke rol bij het communiceren van verschillende hersencellen met elkaar. De zogenaamde sleutel die de NMDA receptor kan openen is het boodschapperstofje glutamaat. Door het foutje in het GRIN2A-gen, werkt de NMDA-receptor anders dan gebruikelijk en gaan verschillende hersencellen overactief op elkaar reageren waardoor epilepsie kan ontstaan.

Aanleg van de hersenen
De NMDA-receptor speelt ook een belangrijke rol tijdens de aanleg van de hersenen. Door een foutje in de NMDA-receptor kunnen de hersenen anders aangelegd worden dan gebruikelijk. Ook kunnen de hersencellen minder goed met elkaar communiceren, waardoor de hersenen minder goed hun werk kunnen doen.

 

Wat zijn de symptomen van het GRIN2A-syndroom?
Grote variatie
Er bestaat een grote variatie in de hoeveelheid en de ernst van de symptomen die verschillende kinderen en volwassenen met het GRIN2A syndroom hebben. Dit hangt ook sterk samen met de plaats van het foutje in het erfelijk materiaal en de mate waarin de NMDA-receptor nog normaal kan functioneren. Bepaalde foutjes geven meer en ernstigere symptomen dan andere foutjes.
Sommige kinderen hebben maar een symptoom (bijvoorbeeld een ontwikkelingsachterstand), andere hebben meerdere symptomen. Het valt van te voren lastig te voorspellen welke kinderen weinig en welke kinderen veel symptomen zullen gaan krijgen.
Ook is dit een heel nieuw syndroom. Waarschijnlijk zijn nog niet alle kenmerken van dit syndroom bekend.

Epilepsie
Een groot deel van de kinderen met het GRIN2A syndroom heeft last van epilepsie. Verschillende typen epilepsie kunnen voorkomen, zoals Rolandische epilepsie, het CSWS syndroom en het Landau Kleffner syndroom.

Problemen met de spraaktaalontwikkeling
De epileptische activiteit in de hersenen zit vaak in het gebied van de hersenen die betrokken is bij het regelen van spraak en taal. De epileptische activiteit kan de functie van dit deel van de hersenen verstoren. Hierdoor kan de spraaktaal ontwikkeling langzamer verlopen dan van leeftijdsgenoten. Het duurt langer voordat kinderen nieuwe woorden en grammatica aanleren. Het hangt van de ernst en de behandelbaarheid van epilepsie af in welke mate de spraaktaalontwikkeling door de epilepsie gehinderd wordt.

Vertraagde ontwikkeling
Een deel van de kinderen die tot nu toe bekend zijn met het GRIN2A syndroom hebben een ontwikkelingsachterstand. Dit komt vaker voor bij kinderen die een CSWS-syndroom of een Landau Kleffner syndroom hebben. Zij gaan zolang de epilepsie niet onder controle is, niet of heel langzaam vooruit in hun ontwikkeling, waardoor zij in ontwikkeling achter gaan lopen vergeleken met leeftijdsgenoten.

ADHD
ADHD komt vaker voor bij kinderen met het GRIN2A-syndroom. Zij hebben meer moeite met langere tijd geconcentreerd bezig zijn en zij sneller afgeleid. Sommige kinderen zijn ook erg beweeglijk en hebben moeite met stil zitten. Kinderen met ADHD kunnen impulsief reageren, ze reageren meteen zonder eerst even na te denken.

Autistiforme kenmerken
Een deel van de kinderen met het GRIN2A-syndroom heeft autistiforme kenmerken. Kinderen hebben vaak niet zo’n behoefte aan contact met andere mensen en leven in een eigen wereldje. Kinderen kunnen het moeilijk vinden om oogcontact te maken. Vaak houden kinderen van een vast voorspelbaar ritme en vinden ze het heel lastig wanneer hier vanaf geweken wordt.

 

Hoe wordt de diagnose GRIN2A syndroom gesteld?
Verhaal en onderzoek
Wanneer kinderen last hebben van een focale vorm van epilepsie dan kan gedacht worden aan het GRIN2A syndroom. Er zijn echter nog heel veel andere foutjes in het erfelijk materiaal die ook deze combinatie van symptomen kunnen veroorzaken zodat het vaak niet eenvoudig is om er achter te komen dat er sprake is van het GRIN2A syndroom.

Genetisch onderzoek
Door middel van bloedonderzoek kan het erfelijke materiaal, het DNA, worden onderzocht. Wanneer gedacht wordt aan het GRIN2A syndroom dan kan rechtstreeks in het DNA gekeken worden naar deze plek om te kijken of er een foutje aanwezig is in het GRIN2A-gen.
Vaak zal er niet direct aan dit syndroom worden gedacht. Steeds vaker wordt er genetisch onderzoek verricht door middel te kijken naar een zogenaamd epilepsiepannel. Hiermee kunnen in een keer alle genen waarvan bekend zijn dat ze epilepsie kunnen veroorzaken worden getest. Deze test zal in de toekomst steeds vaker worden gebruikt. Op deze manier kan ontdekt worden dat er sprake is van het GRIN2A-syndroom.

EEG
Kinderen met epilepsie zullen vaak een EEG krijgen om te kijken waar in de hersenen de epilepsie ontstaat. Kinderen met het GRIN2A syndroom zit de epileptiforme activiteit vaak in een deel van de hersenen en niet in de gehele hersenen. De epileptiforme activiteit komt vaak in het midden van de hersenen voor, deze plek wordt centeropariëtaal genoemd.

MRI hersenen
Kinderen met een focale vorm van epilepsie en/of een ontwikkelingsachterstand zullen vaak een MRI van de hersenen krijgen om te kijken of er bijzonderheden aan de hersenen te zien zijn. Bij kinderen met het GRIN2A syndroom kan ter plaatse van de temporaalkwab soms een veranderde aanleg van de hersenen gezien worden.Deze veranderingen zijn niet specifiek voor het GRIN2A syndroom en kunnen ook bij veel andere aandoeningen worden gezien.

Stofwisselingsonderzoek
Door middel van bloed en urine onderzoek zal bij kinderen met epilepsie gekeken worden of er sprake is van een stofwisselingsziekte. Bij kinderen met het GRIN2A syndroom worden bij dit onderzoek geen bijzonderheden gevonden.

Hoe wordt het GRIN2A syndroom behandeld?
Aanvalsbehandeling
De meeste epilepsieaanvallen gaan vanzelf over binnen enkele minuten. Omstanders hoeven dan niets te doen om de aanval te doen stoppen. Het is belangrijk om zo rustig mogelijk te blijven en het kind zo veel mogelijk met rust te laten.
Wanneer een aanval na 5 minuten nog niet vanzelf gestopt is, dan zal vaak geadviseerd worden om medicijnen te geven om een aanval te doen stoppen. De behandelende arts zal altijd aangeven welk tijdstip voor een bepaald kind het beste is. Medicijnen die gebruikt kunnen worden voor het stoppen van een aanval zijn diazepam rectiole (Stesolid®), midazolam neusspray, midazolam rectiole, lorazepam of clonazepam druppels.
Het effect van deze medicijnen ontstaat na enkele minuten. Nadien zal het kind meestal in slaap vallen, soms ook niet.

Wel of geen behandeling ter voorkoming van aanvallen
Het zal van de frequentie van de epilepsieaanvallen afhangen of het nodig is om een behandeling te starten om nieuwe epilepsieaanvallen te voorkomen. In de regel is dit een behandeling met medicijnen die dagelijks moeten worden ingenomen.
Wanneer er weinig frequent aanvallen zijn, dan wegen de nadelen van het dagelijks gebruik van medicijnen niet op tegen het dagelijks innemen van medicijnen met hun bijbehorende bijwerkingen.

Epilepsiebehandeling
Er bestaan verschillende medicijnen die gebruikt kunnen worden om te voorkomen dat kinderen nieuwe epilepsie aanvallen krijgen. Het valt vaak van te voren niet te voorspellen welk medicijn het beste effect zal hebben, dit is vaak een kwestie van uitproberen. Er bestaat geen voorkeursmedicijn voor de behandeling van epilepsie aanvallen in kader van het GRIN2A syndroom. Vaak wordt gewerkt met het medicijn oxcarbazepine.
Soms is een combinatie van medicijnen nodig om de epilepsie onder controle te krijgen. Wanneer het met medicijnen niet lukt om de epilepsie onder controle te krijgen, dan kan gekeken worden naar andere behandelvormen zoals ketogeen dieet, nervus vagusstimulator of een behandeling met prednison achtige medicijnen.

Ketogeen dieet
Wanneer het medicijnen niet lukt om de epilepsie aanvallen voldoende onder controle te krijgen, dan kan het ketogeen dieet een optie zijn. Dit is een dieet waarbij kinderen als basis veel vetten krijgen in plaats van suikers. Hiermee lukt het om twee van de drie kinderen om de hoeveelheid epilepsie aanvallen sterk onder controle te krijgen of zelfs helemaal te laten verdwijnen. Het klassieke ketogene dieet vraagt veel van kind en ouders, maar gelukkig bestaan er inmiddels ook varianten die beter te combineren zijn zoals het MCT-dieet en het low glycaemic index dieet.

Nervus vagus stimulator
Een andere mogelijkheid is een nervus vagus stimulator. Dit is een kleine pacemaker die elke vijf minuten een stroompje door geeft aan een belangrijke zenuw van de hersenen
(de nervus vagus) en hiermee een positief effect heeft op epilepsie. Voordeel is ook dat door het extra aanzetten van de pacemaker een aanval gestopt kan worden zonder dat hiervoor medicijnen nodig zijn.
 
Epilepsiechirurgie
Wanneer de epilepsie met bovengenoemde behandelingen niet onder controle te krijgen is en erop de MRI scan een aanlegstoornis van de hersenen zichtbaar is, dan bestaat de mogelijkheid om door middel van operatie dit afwijkende stukje van de hersenen te verwijderen. Hiermee kan de oorzaak van de epilepsie weg gehaald worden. Deze behandeling wordt epilepsiechirurgie genoemd en wordt in Nederland voor kinderen alleen uitgevoerd in het UMC in Utrecht.

Kinderfysiotherapie
Een kinderfysiotherapeut kan kinderen helpen hoe zij zich zo goed mogelijk kunnen bewegen ondanks de problemen die zij met bewegen hebben. Ook probeert de fysiotherapeut er voor te zorgen dat kinderen geen vergroeiing van hun gewrichten krijgen omdat ze zelf onvoldoende bewegen.

Kinderlogopedie
De logopedist kan adviezen geven hoe de spraaktaalontwikkeling zo optimaal mogelijk gestimuleerd kan worden.

Ergotherapie
Een ergotherapeut kan adviezen geven hoe het functioneren van een kind met een ontwikkelingsachterstand zo optimaal mogelijk kan verlopen. De ergotherapeut weet wat voor hulpmiddelen er allemaal mogelijk zijn om de verzorging en dagelijkse bezigheden van een kind zo soepel mogelijk te laten verlopen.

Revalidatiearts
De revalidatiearts coördineert de verschillende behandelingen en vervolgt de ontwikkeling van kinderen met het GRIN2A syndroom. De revalidatiearts geeft ook adviezen voor aangepaste schoenen of het gebruik van bijvoorbeeld spalken.

School
Epilepsie kan gevolgen hebben voor het leren op school. Daarom zijn er mogelijkheden voor begeleiding op school voor kinderen met epilepsie zodat zij hun leermogelijkheden zo optimaal mogelijk kunnen benutten. Het LWOE heeft veel specifieke ervaring in het begeleiden van kinderen met epilepsie op school. Kinderen met het GRIN2A syndroom hebben vaak extra begeleiding nodig in verband met problemen met bijvoorbeeld de aandacht, concentratie, planning of informatie verwerking.

Begeleiding
Een maatschappelijk werkende of psycholoog kan begeleiding geven hoe het hebben van deze aandoening een plaatsje kan krijgen in het dagelijks leven.

Contact met andere ouders
Door middel van een oproepje op het forum van deze site kunt u proberen in contact te komen met andere kinderen en hun ouders/verzorgers die ook te maken hebben met het GRIN2A- syndroom.

 

Wat betekent het hebben van het GRIN2A syndroom voor de toekomst?
Weinig over bekend
Omdat het GRIN2A-syndroom nog maar heel kort bekend is, is niet bekend hoe het beloop van deze aandoening is.

Aanvalsvrijheid
Bij een groot deel van de kinderen lukt het om er voor te zorgen dat de aanvallen al dan niet met medicijnen (bijna) niet meer voorkomen.

Verminderen na de puberteit
Bij de meeste kinderen neemt de aanvalsfrequentie af na de puberteit.

Ontwikkeling
Een deel van de kinderen met een GRIN2A syndroom ontwikkelt zich normaal. Zij kunnen normaal onderwijs volgen. Soms hebben zij wel extra begeleiding nodig in verband met problemen met bijvoorbeeld de aandacht, concentratie, planning of informatie verwerking.

Ontwikkelingsachterstand
Kinderen met een vorm van epilepsie die niet goed onder controle te krijgen is door behandeling, kunnen door de frequente epilepsieaanvallen een ontwikkelingsachterstand oplopen.

Levensverwachting
Er zijn ook geen gegevens bekend over de levensverwachting van kinderen en volwassenen met dit syndroom.

Stemmingsproblemen
Er zijn volwassen patiënten bekend met stemmingsproblemen die ook een verandering hebben in het GRIN2A gen. Mogelijk zijn volwassenen met dit syndroom gevoeliger om last te krijgen van stemmingsproblemen, maar hier is nog maar weinig over bekend.

Kinderen
Wanneer een volwassene met dit syndroom later zelf kinderen krijgt, dan hebben deze kinderen zelf 50% kans om ook het GRIN2A syndroom te krijgen. Of er sprake is van een verminderde vruchtbaarheid is niet bekend.

Hebben broertjes en zusjes een vergrote kans om zelf ook het GRIN2A-syndroom te krijgen?
Wanneer een van de ouders zelf het GRIN2A-syndroom heeft, dan hebben broertjes en zusjes maximaal 50% kans om zelf ook het GRIN2A syndroom te krijgen.
Meestal zal het foutje bij het kind zelf ontstaan zijn en niet overgeërfd zijn van een van de ouders. In dat geval is de kans heel klein dat broertjes en zusjes ook het foutje in het GRIN2A gen zullen krijgen.
Wanneer een van de ouders zelf het GRIN2A syndroom heeft dan hebben kinderen 50% kans om zelf ook het foutje in het GRIN2A-gen te krijgen. Niet ieder kind die het foutje in het erfelijk materiaal krijgt, heeft daar in het dagelijks leven last van.
Een klinisch geneticus kan hier meer informatie over geven.

Wilt u dit document printen dan kunt u hier een pdf-versie downloaden.

Referenties
1.  Mutations in GRIN2A and GRIN2B encoding regulatory subunits of NMDA receptors cause variable neurodevelopmental phenotypes. Endele S, Rosenberger G, Geider K, Popp B, Tamer C, Stefanova I, Milh M, Kortüm F, Fritsch A, Pientka FK, Hellenbroich Y, Kalscheuer VM, Kohlhase J, Moog U, Rappold G, Rauch A, Ropers HH, von Spiczak S, Tönnies H, Villeneuve N, Villard L, Zabel B, Zenker M, Laube B, Reis A, Wieczorek D, Van Maldergem L, Kutsche K. Nat Genet. 2010;42:1021-6

Links
www.epilepsievereniging.nl
www.epilepsie.nl

Wilt u ook uw verhaal kwijt, dat kan: verhalen kunnen gemaild worden via info@kinderneurologie.eu en zullen daarna zo spoedig mogelijk op de site worden geplaatst. Voor meer informatie zie hier.

Laatst bijgewerkt: 2 december 2015

 

Auteur: JH Schieving

 

 

 

 


 

 


 

 


 

 


 

 

 

Hier is ruimte voor
Uw verhaal

Heeft uw kind nog andere symptomen, laat het ons weten.